Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1978

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
AWB 10/31911 en AWB 10/31906
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de door verzoeker genoemde gebeurtenissen en omstandigheden wel geloofwaardig geacht maar zich op het standpunt gesteld dat de daaraan ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar Afghanistan te wachten staat niet aannemelijk zijn. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de problemen zich buiten Afghanistan hebben voorgedaan en om die reden buiten de reikwijdte vallen van de toets of verzoeker in Afghanistan een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.

De voorzieningenrechter overweegt echter dat in het geval van verzoeker, die de Afghaanse nationaliteit heeft, weliswaar beoordeeld moet worden of hij bij terugkeer naar dat land een dergelijk reëel risico loopt, maar dat niet in te zien valt waarom bij de beoordeling daarvan geen rekening kan worden gehouden met gebeurtenissen die elders, in dit geval net aan de Pakistaanse kant van de grens, hebben plaatsgevonden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 10/31911 (verzoek) AWB 10/31906 (beroep)

Datum uitspraak: 1 oktober 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam verzoeker]

geboren op [geboortedatum]

v-nummer [nummer]

van Afghaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. P.A. Blaas,

tegen

de Minister van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 10 september 2010, uitgereikt op 13 september 2010, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 2 september 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum Den Bosch. Verzoeker heeft daartegen op 13 september 2010 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 13 september 2010 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 september 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen mr. J.H.M. Post.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

4. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Toen verzoeker 13 of 14 jaar oud was is hij met zijn familie, waaronder zijn stiefvader, uit Kabul naar Pakistan vertrokken. Door zijn stiefvader werd verzoeker naar een Koranschool (Madrassa) gezonden. Daar werd verzoeker opgeleid tot strijder in de strijd tegen de niet-moslims. Vervolgens is hij met drie anderen naar Afghanistan gestuurd om zelfmoordaanslagen te plegen. Omdat verzoeker niet tegen de niet-moslims wilde strijden en geen zelfmoordaanslag wilde plegen, is hij onderweg naar Afghanistan, maar nog op Pakistaans grondgebied, ontsnapt aan zijn begeleiders. Hij is naar een neef van zijn moeder in Peshawar gevlucht, die hem heeft geholpen om via Kabul naar Nederland te vluchten. Verzoeker vreest als gevolg van zijn vlucht in de negatieve belangstelling van de Taliban te staan.

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Aan verzoeker wordt het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen. Eiser heeft toerekenbaar geen documenten overgelegd ten behoeve van de vaststelling van zijn reisroute. Daarnaast heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute, nu hij niet in staat is om daarover gedetailleerd en verifieerbaar te verklaren. Vervolgens heeft verweerder de door verzoeker genoemde gebeurtenissen en omstandigheden wel geloofwaardig geacht maar zich op het standpunt gesteld dat de daaraan ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar Afghanistan te wachten staat niet aannemelijk zijn. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de problemen zich buiten Afghanistan hebben voorgedaan en om die reden buiten de reikwijdte vallen van de toets of verzoeker in Afghanistan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verder is niet gebleken dat verzoeker te vrezen zou hebben voor vervolging om één van de in het Vluchtelingverdrag genoemde redenen. Verzoeker komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000.

Het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) slaagt evenmin.

Tot slot heeft verweerder ambtshalve besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het amv-beleid, waarbij verweerder heeft opgemerkt dat geen reden bestaat om aan te nemen dat zulks in strijd is met artikel 3, eerste lid, van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK).

6. Hiermee kan verzoeker zich niet verenigen. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd wordt, voor zover nodig, in het navolgende ingegaan.

7. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat nu het asielrelaas van verzoeker geloofwaardig wordt geacht, de vraag of verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kon tegenwerpen, geen bespreking behoeft.

8. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker met het geloofwaardig geachte relaas niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Afghanistan te moeten vrezen voor vervolging of een reëel risico te lopen op schending van artikel 3 van het EVRM, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

9. Verzoeker heeft deze vrees en dit risico onderbouwd door te stellen dat hij vanwege zijn ontsnapping als verrader wordt gezien door de Taliban die het grensgebied met Pakistan (waar verzoekers problemen zich hebben voorgedaan) als uitvalsbasis gebruiken. Als verzoeker zich in Afghanistan zou vestigen zou hij als alleenstaande minderjarige opvallen. Nu de Taliban een netwerk hebben door heel Afghanistan zal verzoeker door hen gevonden worden.

10. Ten aanzien van de vrees voor vervolging en het daarmee samenhangende beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, heeft verweerder onder meer tegengeworpen dat uit de verklaringen van verzoeker niet volgt dat hij te vrezen heeft voor vervolging op grond van geloof, etnische afkomst, politieke overtuiging of één van de andere vervolgingsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder reeds hierin aanleiding zien om verzoeker geen vergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

11. De voorzieningenrechter volgt echter niet het standpunt van verweerder ten aanzien van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM dat verzoeker stelt te lopen bij terugkeer naar Afghanistan, en daarmee ten aanzien van het beroep van verzoeker op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Weliswaar heeft verweerder terecht opgemerkt dat in het geval van verzoeker, die de Afghaanse nationaliteit heeft, beoordeeld moet worden of hij bij terugkeer naar dat land een dergelijk reëel risico loopt, maar niet valt in te zien waarom bij de beoordeling daarvan geen rekening kan worden gehouden met gebeurtenissen die elders, in dit geval in Pakistan, hebben plaatsgevonden.

12. Daartoe overweegt de rechtbank dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 slechts spreekt over gegronde redenen om aan te nemen dat een vreemdeling bij uitzetting naar een bepaald land een reëel risico loopt op onder meer executie of een onmenselijke behandeling, zonder dat daarbij wordt bepaald dat die gegronde redenen hun oorzaak moeten vinden in gebeurtenissen in datzelfde land. Ook overigens is niet gebleken dat een dergelijke voorwaarde in de wet of regelgeving is opgenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter verhoudt een dergelijke voorwaarde zich ten slotte ook niet met het absolute karakter van de op grond van artikel 3 van het EVRM vereiste bescherming.

In de wet en regelgeving kan dan ook geen grond worden gevonden om bij de beoordeling van het risico dat verzoeker loopt bij terugkeer naar Afghanistan, de gebeurtenissen in Pakistan buiten beschouwing te laten.

13. Ook overigens kan een dergelijke grond niet worden gevonden. Immers, in het algemeen kan geenszins worden uitgesloten dat een vreemdeling in zijn land van herkomst problemen kan verwachten als gevolg van gebeurtenissen die in een ander land hebben plaatsgevonden. Het standpunt van verweerder zou in dit geval ook leiden tot de bevreemdende uitkomst dat als verzoeker op zijn reis van de Madrassa naar de onbekende bestemming in Afghanistan enkele kilometers later zou zijn gevlucht en niet op het moment dat hij zich nog in het door de Taliban gecontroleerde grensgebied van Pakistan bevond, verweerder het door hem gestelde risico als gevolg van die ontsnapping wél zou hebben betrokken bij de beoordeling van de vraag of uitzetting naar Afghanistan strijd zou opleveren met artikel 3 van het EVRM. Dit terwijl voor de voorzieningenrechter niet valt in te zien waarom het in dat geval door eiser te lopen risico bij terugkeer naar Afghanistan groter of anders zou zijn dan nu. Zoals door verzoeker ook is aangevoerd vormt het betreffende grensgebied immers een uitvalbasis voor de Taliban, zodat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien valt waarom het risico op wraak van de zijde van Taliban afhankelijk is van de vraag of de ontsnapping net binnen of net buiten Afghanistan heeft plaatsgevonden.

14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder dan ook moeten motiveren of verzoeker met de in rechtsoverweging 9 genoemde argumenten aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op de door hem gestelde wraak door de Taliban. Door zich te beperken tot het standpunt dat de problemen van verzoeker zich buiten Afghanistan hebben afgespeeld en dat dergelijke problemen nimmer kunnen leiden tot een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft verweerder niet aan deze motiveringsplicht voldaan.

15. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

16. Verweerder heeft ter zitting een subsidiair standpunt ingenomen, kort gezegd inhoudende dat, als aangenomen moet worden dat in bijzondere gevallen gebeurtenissen in een derde land wél zouden kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit, verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hier sprake is van een dergelijk bijzonder geval. Om die reden is ter zitting, subsidiair, verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

17. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter ten eerste dat verweerder niet wordt gevolgd in het standpunt dat verzoeker aannemelijk moet maken dat sprake is van een bijzonder geval. Immers, verzoeker moet aannemelijk maken dat gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar Afghanistan een reëel risico loopt op onder meer executie of een onmenselijke behandeling. Niet in te zien valt waarom daarboven ook nog sprake zou moeten zijn van een bijzonder geval.

Verder heeft verweerder ter zitting, ook in het kader van het subsidiaire standpunt, gehandhaafd dat het bij de beoordeling van het door verzoeker te lopen risico wel degelijk een verschil maakt dat de ontsnapping aan de Taliban aan de Pakistaanse kant van de grens heeft plaatsgevonden, terwijl dit gezien hetgeen in rechtsoverweging 13 is overwogen zonder nadere onderbouwing niet gevolgd kan worden.

18. Voor zover het subsidiaire standpunt van verweerder aldus moet worden begrepen dat ook geen vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 zou zijn verleend als de geloofwaardig geachte gebeurtenissen zouden zijn beoordeeld alsof zij zich in Afghanistan zelf hadden afgespeeld, is de voorzieningenrechter daarvan nog niet overtuigd. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verweerder in dat verband beoordelingsruimte toekomt. Het is voor de voorzieningenrechter niet op voorhand duidelijk dat toepassing van het in dat verband opgestelde beleid in het onderhavige geval zou leiden tot afwijzing van de aanvraag, noch op welke gronden die afwijzing precies zou worden gebaseerd. Dat, zoals ter zitting is gesteld, voor een dergelijke beoordeling aanknopingspunten te vinden zijn in het bestreden besluit, volgt de voorzieningenrechter evenmin, nu uit dat besluit slechts kan worden afgeleid dat de door verzoeker genoemde, geloofwaardig geachte, gebeurtenissen niet inhoudelijk bij de beoordeling van het risico zijn betrokken.

Vervolgens is, als zou worden uitgegaan van een afwijzing van de asielaanvraag, evenmin op voorhand duidelijk dat een dergelijk besluit in rechte stand zou kunnen houden. Daarbij is mede van belang dat in de onderhavige procedure, vanwege de besluitvorming van verweerder, ook verzoeker nog niet expliciet heeft kunnen ingaan op hetgeen verweerder in dat verband mogelijk zou tegenwerpen.

19. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen bestaat dan ook geen reden.

20. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening zal gezien het voorgaande worden afgewezen. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1.311,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 10 september 2010;

III. wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af;

IV. veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 1.311.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. A. Daverschot, griffier.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.