Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1921

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 34331
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Vervolgberoep. Zicht op uitzetting naar Algerije vooralsnog aanwezig geoordeeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudend te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 34331

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser] , eiser,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, als rechtsopvolger van de Minister van Justitie, verweerder.

Datum inbewaringstelling: 5 februari 2010

Kenmerk: [IND-nummer]

V-nummer: [V-nummer]

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2010 heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraken van 1 maart 2010, 19 april 2010, 26 mei 2010, 12 juli 2010 en 25 augustus 2010 heeft deze rechtbank de eerdere beroepen tegen (de voortduring van) de bewaring ongegrond verklaard.

Eiser heeft via zijn gemachtigde R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, opnieuw beroep ingesteld. Tevens heeft hij verzocht om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage aan de rechtbank gezonden. Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 oktober 2010. Eisers gemachtigde is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.H.W. van Heerebeek, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

2. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds is beslist bij haar uitspraak van 1 maart 2010 en dat de rechtbank bij uitspraak van 25 augustus 2010 de voortduring van de bewaring nog rechtmatig heeft geacht. Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) moet de rechtbank beoordelen of, voor zover bestreden en gegeven de omstandigheden van het geval, de voortduring van de bewaring sindsdien nog rechtmatig is.

Eiser stelt dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Hij voert daartoe aan dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld kan worden dat hij uit Algerije afkomstig is en dat er aanwijzingen bestaan voor structurele problemen met het uitzetten van vreemdelingen naar Algerije. Uit een bij de gronden van beroep gevoegde beschikking op een WOB-verzoek kan worden afgeleid dat er in 2010 nog geen enkele laissez passer (lp) is afgegeven. In 2009 zijn er 240 aanvragen voor een lp ingediend en zijn er slechts 15 lp verstrekt, waarbij het nog onduidelijk is wanneer in 2009 deze 15 lp zijn verstrekt. Indien deze lp aan het begin van 2009 (bijvoorbeeld tot aan maart) zijn verstrekt, zijn er door de Algerijnse autoriteiten al meer dan 19 maanden geen lp meer verstrekt. Zelfs indien er tot aan het einde van 2009 lp zouden zijn verstrekt, zouden er al 10 maanden geen lp verstrekt zijn.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in 2010 op basis van vrijwillige terugkeer 10 vreemdelingen en op basis van gedwongen vertrek 5 vreemdelingen naar Algerije zijn uitgezet. De vraag of het daarbij gedocumenteerde dan wel ongedocumenteerde vreemdelingen betrof, heeft verweerder ter zitting niet kunnen beantwoorden.

Verweerder heeft voorts ter zitting opgemerkt dat in april 2010 en juni 2010 gesprekken hebben plaatsgehad met de consul, respectievelijk de nieuwe ambassadeur van Algerije over de intensivering van de samenwerking. Op korte termijn, waarschijnlijk in november 2010, zal, aldus verweerder, opnieuw overleg plaatsvinden over de samenwerking tussen verweerder en de Algerijnse autoriteiten.

Ten slotte heeft verweerder verklaard dat het grote verschil tussen het aantal aanvragen ter verkrijging van een lp en de verleende lp voor een groot gedeelte te wijten is aan het feit dat veel vreemdelingen stellen de Algerijnse nationaliteit te hebben, maar later deze stelling onjuist blijkt.

De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid oordelen over het al dan niet bestaan van zicht op uitzetting doorgaans niet juist is, omdat er te allen tijde eerst gekeken moet worden naar de individuele zaak. Meer in het bijzonder moet dan in de oordeelsvorming worden betrokken of de desbetreffende vreemdeling meewerkt aan zijn uitzetting of niet. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 rust immers op de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft de plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten en dit brengt mee dat van de vreemdeling kan en mag worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

Zo lang niet is gebleken dat de vreemdeling sinds zijn inbewaringstelling de hiervoor bedoelde inspanningen heeft verricht en/of geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat hij niet in staat kan worden geacht de hiervoor bedoelde concrete en verifieerbare gegevens te verkrijgen en te verschaffen, kan in beginsel het bestaan van zicht op uitzetting worden aangenomen.

Dit leidt alleen dan uitzondering in die situatie waarin aangenomen moet worden dat ook wanneer een vreemdeling actieve en volledige medewerking verleent en de nodige inspanningen verricht, uitzetting niet mogelijk is, omdat de autoriteiten van het aangezochte land niet de voor de uitzetting noodzakelijke medewerking verlenen. In een dergelijke situatie is immers het al dan niet verlenen van medewerking irrelevant, omdat ook wanneer die medewerking zou worden verleend niet gekomen kan worden tot uitzetting.

De vraag of een dergelijke situatie zich hier voordoet, beantwoordt de rechtbank tot op heden ontkennend.

Mede gelet op het grote aantal reeds ingediende aanvragen ter verkrijging van een lp, acht de rechtbank het zeer onaannemelijk dat elk van de in 2008 en 2009 ingediende aanvragen ter verkrijging van een lp betrekking heeft op een vreemdeling die niet genoegzaam meewerkt aan zijn uitzetting. Aldus bezien, moet het ervoor worden gehouden dat thans ook in gevallen waarin vreemdelingen al hetgeen doen wat van hen wettelijk verlangd mag worden, er niet gekomen wordt tot een uitzetting. Vooralsnog kan echter naar het oordeel van de rechtbank desondanks niet aangenomen worden dat de Algerijnse autoriteiten niet de voor de uitzetting noodzakelijke medewerking verlenen. Weliswaar worden door voornoemde autoriteiten op de door verweerder ingediende aanvragen geen lp verstrekt, maar zij zijn wel bereid gebleken met verweerder gesprekken te voeren over het bevorderen van de samenwerking en de terugkeer van Algerijnse vreemdelingen. Aldus bestaat er vooralsnog geen grond voor het oordeel dat uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn in het geheel niet tot de mogelijkheden behoort.

Overeenkomstig het zo-even uiteengezette beoordelingskader, kan bij een dergelijke stand van zaken reeds zicht op uitzetting worden aangenomen indien de vreemdeling niet de van hem te verlangen medewerking verleent. Van een dergelijke situatie is in het geval van eiser sprake. Blijkens de met hem op 23 augustus 2010 en 6 september 2010 gevoerde vertrekgesprekken, is eiser immers niet van zins medewerking te verlenen aan zijn uitzetting.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Niet geheel ten overvloede wenst de rechtbank nog wel op te merken dat zij ten aanzien van het bestaan van zicht op uitzetting naar Algerije tot een andersluidend oordeel kan komen, indien niet binnen een redelijke termijn blijkt dat de verandering in houding die verweerder meent te mogen verwachten bij de Algerijnse autoriteiten, is ingetreden. Het ingetreden zijn van de verandering in houding zal verweerder genoegzaam dienen aan te tonen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.B. Bax, rechter, in tegenwoordigheid van

Y.L.J. Kuypers-Damoiseaux griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2010.

w.g. Y. Kuypers-Damoiseaux w.g. M.B. Bax

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden:25-10-2010

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.