Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1733

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
354297 JE RK 09-3380
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking gegeven omdat door WSJ gesteld wordt dat thuisplaatsing van de minderjarige geen optie meer is, terwijl niet wordt aangetoond dat de moeder over onvoldoende opvoedingscapaciteiten beschikt. Door de WSJ is onvoldoende in het werk gesteld om de mogelijkheden tot thuisplaatsing te onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 09-3380

Zaaknummer: 354297

Datum beschikking: 3 augustus 2010

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 9 december 2009 ingekomen verzoekschrift van:

de William Schrikker Jeugdbescherming (verder: de WSJ),

met betrekking tot de minderjarige:

[A], geboren op [datum] 2004 te '[plaats A],

kind van:

[mevrouw B]

de moeder,

feitelijk verblijvende in een opvanghuis,

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent,

en erkend door

[de heer C]

de vader,

feitelijk verblijvende te Marokko.

De minderjarige verblijft feitelijk in een pleeggezin.

Procedure

Bij beschikking van 9 februari 2010 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 15 februari 2010 tot 15 februari 2011 met behoud van de WSJ, uitvoerend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg. Voorts heeft de kinderrechter de aan de WSJ verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 15 februari 2010 tot 15 augustus 2010 en de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 3 augustus 2010. De reden voor de aanhouding was gelegen in het feit dat de kinderrechter constateerde dat er onvoldoende duidelijkheid bestond over de opvoedingsvaardigheden van de ouders en de vraag onder welke voorwaarden (doelen) een eventuele terugplaatsing in de thuissituatie gerealiseerd kon worden. De WSJ diende daarover een helder standpunt in te nemen en middels een rapportage meer duidelijkheid te verschaffen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder.

De kinderrechter heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- de brief d.d. 28 juli 2010, met bijlagen, van de zijde van de WSJ;

- de brief d.d. 2 augustus 2010, met als bijlage een "verweerschrift verlenging uithuisplaatsing", van de zijde van de moeder.

Op 3 augustus 2010 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet.

Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw S.M. Schenk en mevrouw K. van Hoorn, namens de WSJ;

- de moeder, vergezeld van haar advocaat, mr. S. Salhi;

- mr. E.J.W.F. Deen, advocaat van de vader;

- twee medewerksters van het opvanghuis van Stichting PerspeKtief.

Beoordeling

Van de zijde van de WSJ is verklaard dat het onderzoek door William Schrikker Pleegzorg (verder: de WSP) naar de pedagogische vaardigheden van de moeder weliswaar nog niet is afgerond, maar dat de WSJ zich nu reeds op het standpunt stelt dat een thuisplaatsing bij de moeder niet langer in het belang van de minderjarige is. Dit geldt evenzeer indien uit het onderzoek van de WSP blijkt dat de moeder over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt. Bij een verlenging van de uithuisplaatsing, overweegt de WSJ dan ook om op korte termijn een verderstrekkende maatregel te vragen.

Ter onderbouwing van haar standpunt voert de WSJ het volgende aan. Het feit dat de moeder de vader - ondanks het agressieve gedrag van vader - pas heeft verlaten nadat de minderjarige uit huis is geplaatst, maakt dat de WSJ twijfelt of de moeder wel in staat is om het belang van de minderjarige voorop te stellen. Voorts kampt de moeder met grote schulden, beschikt zij niet over eigen woonruimte en beheerst zij de Nederlandse taal onvoldoende om met de minderjarige te kunnen communiceren. De taalbarrière zorgt ervoor dat er geen hechtingsrelatie met de minderjarige kan ontstaan. De minderjarige ontwikkelt zich daarentegen uitzonderlijk goed in het pleeggezin en is daar inmiddels veilig gehecht. Tussen het pleeggezin en de minderjarige is thans sprake van family life, zodat het niet in het belang van de minderjarige is om de uithuisplaatsing te beëindigen. De ontwikkeling van de minderjarige zou ernstig gevaar lopen als ze uit het pleeggezin wordt gehaald, aldus de WSJ.

Desgevraagd heeft de WSJ verklaard dat het feit dat gewacht is met een uitbreiding van de contactmomenten tussen de moeder en de minderjarige te maken had met de omstandigheid dat de WSJ eerst het onderzoek van de WSP heeft willen afwachten. Door verschillende omstandigheden heeft dit onderzoek pas laat een aanvang kunnen nemen. Het feit dat er zo weinig begeleiding aan de moeder is geboden, heeft er volgens de WSJ mee te maken dat de mogelijkheid van thuisplaatsing tot nu toe niet aan de orde is geweest en dat men eerst de uitkomst van de onderhavige zitting wilde afwachten.

Van de zijde van de moeder wordt verzocht zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden, toe te werken naar een thuisplaatsing. Voor zover de WSJ opvoedonder-steuning nodig acht, kan deze door het opvanghuis geboden worden, zo stelt de moeder.

De moeder voert voorts aan dat de schuld waar de WSJ op doelt een ziekenhuisschuld betreft. De instelling waar de moeder verblijft is bezig om dat met de verzekeringsmaatschappij van de moeder te regelen en anders zullen zij haar helpen om te trachten deze schuld af te lossen door een beroep te doen op daarvoor bestemde fondsen. Daarnaast stelt zij dat het feit dat zij in een vrouwenopvang verblijft geen beletsel vormt voor terugplaatsing, aangezien het heel gebruikelijk is dat in het tehuis moeders met kinderen verblijven. De medewerkers van de vrouwenopvang zien bovendien dat de moeder wel degelijk over opvoedcapaciteiten beschikt. Als zij zo'n slechte moeder zou zijn, dan had ze haar baby ook niet bij zich mogen houden, zo stelt ze. Deze baby is immers wel onder toezicht gesteld, maar de Raad voor de Kinderbescherming heeft geen aanleiding gezien om ook de uithuisplaatsing van de baby te verzoeken. De baby woont dus gewoon bij de moeder in het opvanghuis. De moeder maakt voorts grote vorderingen waar het de beheersing van de Nederlandse taal betreft.

Bovenal is de moeder van mening dat de WSJ zich niet heeft gehouden aan de opdracht van de kinderrechter in de beschikking van 9 februari 2010, namelijk onderzoek doen naar haar pedagogische vaardigheden en het formuleren van de voorwaarden waaronder een terugplaatsing mogelijk is. Zij trekt de kwaliteit van het onderzoek van de WSP ernstig in twijfel en acht het onbegrijpelijk dat de WSJ nu reeds concludeert dat de toekomst van de minderjarige in het huidige pleeggezin ligt, terwijl zij daar pas sinds februari van dit jaar verblijft en er in het verleden - afgezien van het gedrag van de vader binnen het gezin - nooit zorgen waren omtrent de minderjarige toen zij nog bij de moeder woonde. De moeder wordt nu tegengeworpen dat er geen hechtingsrelatie tussen haar en de minderjarige is; daarvoor waren echter meer contacturen nodig en die heeft de WSJ zelf tegengehouden, ondanks andersluidende verzoeken van de moeder. Tijdens de contactmomenten die er tot nu toe zijn geweest, was de pleegmoeder bovendien steeds aanwezig. Dat heeft zeer belemmerend gewerkt voor de relatie tussen de moeder en de minderjarige, temeer ook omdat de pleegmoeder zich aanvankelijk overal uitdrukkelijk mee bemoeide. De moeder acht het voorts stuitend en onprofessioneel dat de WSJ de minderjarige in een loyaliteitsconflict heeft gebracht door haar recent te confronteren met de vraag waar ze het liefste wil wonen. Aan het feit dat de minderjarige gezegd zou hebben dat zij het liefste bij de pleegouders wil wonen kan volgens de moeder geen waarde worden gehecht, gezien de omstandigheden waaronder die vraag is gesteld. De opvoedingsondersteuning kon volgens de moeder niet door de WSJ aan moeder worden geboden omdat zij niet valt in de doelgroep van de WSJ. Gelet daarop, maar in het bijzonder gelet op het volledige gebrek aan vertrouwen in de WSJ, verzoekt de moeder de kinderrechter de WSJ ter vervangen door de Stichting Bureau Jeugdzorg (verder: Bureau Jeugdzorg).

Mr. Deen heeft namens de vader verklaard zich te kunnen aansluiten bij het betoog van de zijde van de moeder. Mr. Deen heeft voorts namens de vader uitgelegd dat het gedrag van de vader in het verleden onder meer voortvloeide uit de opstelling van de hulpverlenende instanties jegens het gezin. Mr. Deen heeft erop gewezen dat de belangrijkste barrières voor thuisplaatsing die de WSJ nu ziet, namelijk het vermeende gebrek aan hechting en de taalbarrière tussen moeder en dochter, grotendeels door de uithuisplaatsing van de minderjarige zijn veroorzaakt. Het gaat daarom niet aan dit nu aan de moeder tegen te werpen.

Van de zijde van het opvanghuis is verklaard dat ook zij zich aansluiten bij het betoog van de zijde van de moeder. Zij stellen voortdurend bij de WSJ te hebben aangegeven dat zij de moeder konden begeleiden bij het uitbreiden van de contacturen met de minderjarige, maar dat zij geen gehoor hebben gevonden bij de WSJ. Voorts is van de zijde van het opvanghuis verklaard dat zij goede hoop hebben dat er een manier wordt gevonden om de ziekenhuisschuld van de moeder binnen afzienbare tijd af te lossen en dat, zodra dat het geval is, de moeder waarschijnlijk spoedig over een eigen woonruimte zal kunnen beschikken.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. De machtiging zal echter voor kortere duur worden verleend dan verzocht en de kinderrechter zal de behandeling van het verzoek voor het overige aanhouden en verwijzen naar de terechtzitting van de meervoudige kamer op na te noemen datum. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De kinderrechter hecht eraan op te merken dat zij de door de WSJ gevolgde handelwijze op zijn minst opmerkelijk acht. Niet in geschil is dat het op dit moment goed gaat met de minderjarige in het huidige pleeggezin. Die enkele constatering is echter onvoldoende om zonder meer te concluderen dat een thuisplaatsing van de minderjarige niet meer aan de orde kan zijn. De kinderrechter stelt voorop dat zolang de moeder is belast met het ouderlijk gezag, de mogelijkheden voor een thuisplaatsing op zijn minst moeten worden onderzocht. De kinderrechter is van oordeel dat de WSJ echter tot op heden onvoldoende in het werk heeft gesteld om de mogelijkheden van thuisplaatsing te onderzoeken, laat staan te bevorderen. Aan de moeder wordt door de WSJ tegengeworpen dat de hechtingsrelatie tussen haar en de minderjarige onvoldoende is, terwijl van de zijde van de WSJ allerminst is bijgedragen aan het ontstaan van die hechtingsrelatie. Als gevolg van de door de WSJ mede veroorzaakte ontwikkelingen na de uithuisplaatsing stelt de WSJ de moeder thans voor een voldongen feit en is zij van mening dat een thuisplaatsing niet meer aan de orde kan zijn, zonder dat daarbij de opvoedingsmogelijkheden van de moeder zijn onderzocht. De kinderrechter gaat ervan uit dat vorenbedoeld onderzoek naar de opvoedvaardigheden door de WSP in ieder geval vóór na te noemen zittingsdatum gereed zal zijn, zodat de resultaten daarvan op de zitting kunnen worden besproken.

De kinderrechter overweegt voorts dat zij het van belang acht dat de moeder in de loop naar de volgende zitting meer contact met de minderjarige heeft. Gelet daarop zal de kinderrechter met toepassing van artikel 1:263a BW bepalen dat de moeder gerechtigd is de minderjarige iedere zaterdag van 10.00 tot 18.00 uur in het opvanghuis en onder begeleiding van de medewerkers van de Stichting PerspeKtief bij zich te hebben. Deze omgang dient buiten de aanwezigheid van de pleegmoeder plaats te vinden.

Ten slotte overweegt de kinderrechter dat zij niet kan treden in de bevoegdheid van Bureau Jeugdzorg om de aan haar op grond van de artikelen 1:254 en 1:261 BW toegekende taken te mandateren aan een Landelijk Werkende Instelling zoals de WSJ. Gelet evenwel op de ernstige twijfel van de zijde van de ouders aan de objectiviteit van de WSJ, welke twijfel naar het oordeel van de kinderrechter niet geheel onterecht is, acht de kinderrechter het van belang dat Bureau Jeugdzorg wordt uitgenodigd voor de volgende zitting. In verband hiermee zal zij Bureau Jeugdzorg tevens het procesdossier ter beschikking laten stellen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de aan William Schrikker Jeugdbescherming, uitvoerend namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 15 augustus 2010 tot 20 oktober 2010, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 13 augustus 2009;

bepaalt dat de moeder gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben: iedere zaterdag van 10.00 tot 18.00 uur, op de wijze zoals in het lichaam van deze beschikking is overwogen;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot de terechtzitting van de meervoudige kamer 12 oktober 2010 te 11.30 uur;

alle verschenen partijen zijn aangezegd om op voormelde zitting te verschijnen;

beveelt de griffier een kopie van alle processtukken en een uitnodiging voor voormelde zitting te zenden aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2010, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Voor zover in deze beschikking einduitspraken staan, kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.