Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1712

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
09-930137-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meineed. Nadat gebleken was dat de verdachte zwanger was, deed haar moeder aangifte van verkrachting tegen de ex-vriend van haar dochter. De ex-vriend werd aangehouden en in verzekering gesteld als verdachte in deze verkrachtingszaak. De verdachte werd als getuige gehoord. Nadat zij onder ede was gesteld heeft zij verklaard dat zij nooit eerder sex had gehad met de ex-vriend. Enkele maanden later werd zij op verdenking van meineed gehoord bij de politie en erkende zij wel seks met hem te hebben gehad. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meineed. Zij heeft ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede ten nadele van haar ex-vriend een valse verklaring afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/930137-10

Datum uitspraak: 21 oktober 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 7 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. H.W. Bos-Hagens, advocaat te Noordwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 oktober 2009 te 's-Gravenhage, althans te [woonplaats], althans te Nederland, bij het verhoor bij de rechter-commissaris, als getuige in de strafzaak tegen [X] (parketnummer09-920341-09) na de krachtens wettelijk voorschrift gevorderde eed/belofte te hebben afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, ten nadele van die verdachte [X], geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -heeft verklaard:"Ik heb nooit eerder sex gehad met [X]." en/of "[X] heeft mij niet gevingerd" en/of "Het zou kunnen dat hij GHB of hele sterke drank in mijn drinken heeft gedaan. Misschien wel andere drugs, een pilletje ofzo."

en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;

art 207 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Daarbij heeft zij aangevoerd dat het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris niet als bewijs gebruikt mag worden, gezien de psychische toestand van de verdachte op dat moment en de omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden. In juli 2010 is door de psychotherapeut van de verdachte, aldus de raadsvrouw, geconstateerd dat de verdachte angstklachten heeft die geleid hebben tot vermijdingsklachten. Ook is er volgens de psychotherapeut sprake van een chronische post-traumatische stressstoornis, aldus de raadsvrouw. Dit zou er volgens de raadsvrouw toe geleid kunnen hebben dat de verdachte tijdens het verhoor door de rechter-commissaris niet meer wist of niet meer wilde weten wat er in januari 2009 is gebeurd. Bovendien heeft, aldus de raadsvrouw, het verhoor door de rechter-commissaris vier dagen voor de bevalling van de verdachte plaatsgevonden zonder dat haar ouders daarbij aanwezig mochten zijn.

Subsidiair, indien het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris wel wordt meegenomen in het oordeel van de rechtbank, heeft de raadsvrouw ontslag van rechtsvervolging bepleit.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

Op 29 juli 2009 doet de moeder van de verdachte, nadat gebleken is dat de verdachte zwanger is, aangifte van verkrachting tegen [X], de ex-vriend van haar dochter.

De verdachte en andere getuigen worden hierover gehoord door de politie. Op 3 september 2009 wordt [X] aangehouden en in verzekering gesteld als verdachte in deze verkrachtingszaak. Op 7 september 2010 is de voorlopige hechtenis van [X] onder strikte voorwaarden opgeschort.

Op 19 oktober 2009 wordt de verdachte in haar woning in [woonplaats] als getuige gehoord door de rechter-commissaris. 2 Gedurende dit verhoor wordt de verdachte door de rechter-commissaris onder ede gesteld en wordt aan haar uitgelegd wat dit inhoudt.3

Nadat de verdachte onder ede is gesteld verklaart zij dat zij nooit eerder seks heeft gehad met [X].4

Voorts verklaart zij dat [X] haar niet heeft gevingerd5 en dat het zou kunnen dat [X] GHB of hele sterke drank in haar drinken heeft gedaan of misschien wel een andere drugs, een pilletje ofzo.6

Op 19 april 2010 wordt de verdachte op verdenking van meineed gehoord bij de politie.

De verdachte heeft tijdens dit verhoor erkend dat zij wel seks heeft gehad met [X]7, dat zij niets in haar drankje heeft gehad8 en dat [X] haar wel eerder heeft gevingerd.9

De verdachte heeft verder bij de politie erkend dat zij al die dingen bij de rechter-commissaris heeft gezegd omdat zij bang was dat iedereen boos werd.10

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij bij de politie op 19 april 2010 de waarheid heeft gezegd. In oktober 2009 heeft zij bij de rechter-commissaris iets anders gezegd omdat zij zich schaamde11 en omdat zij de waarheid zou hebben verdrongen. Na de geboorte van haar zoontje is de waarheid door flashbacks weer terug gekomen. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting erkend dat zij zich ervan bewust was dat [X] een celstraf opgelegd zou kunnen krijgen mede doordat zij een valse verklaring heeft afgelegd.12

De raadsvrouw heeft verzocht om de verklaring van de verdachte, zoals in oktober 2009 tegenover de rechter-commissaris afgelegd, uit te sluiten van het bewijs. Hiermee miskent de raadsvrouw evenwel dat die verklaring geen deel uitmaakt van de bewijsmiddelen, maar dat uitlatingen gedaan tijdens dat verhoor het feit betreffen waarvan de verdachte thans wordt verdacht. De rechtbank kan derhalve niet aan het verhoor bij de rechter-commissaris voorbijgaan en dient de aldaar door verdachte afgelegde verklaring ten grondslag te leggen aan haar onderzoek of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan meineed. Op grond van de hierboven weergegeven samenvatting van de verklaring zoals door de verdachte ten overstaan van zedenrechercheurs afgelegd, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. De rechtbank acht niet alleen bewezen dat de verdachte tijdens het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris een valse verklaring heeft afgelegd, maar ook dat zij zich daarvan op dat moment bewust was. Hetgeen door de verdachte terechtzitting is aangevoerd, namelijk dat zij zich bij het verhoor van de rechter-commissaris nog niet bewust was van de juiste toedracht omtrent haar zwangerschap omdat zij pas na de bevalling flash backs heeft gekregen, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdachte heeft hier in het zeer langdurige verhoor van de zedenrechercheurs met geen woord over gerept, terwijl het die dag ook nog zeer lang duurde voordat de verdachte toegaf eerder niet de waarheid te hebben gesproken en aangaf wel eerder seksuele contacten te hebben gehad met [X], maar dat zij dit verzwegen had uit angst dat anderen boos op haar zouden worden.

Overigens erkent de rechtbank dat de verdachte zich op het tijdstip van verhoor door de rechter-commissaris in een moeilijke positie bevond. Deze omstandigheid staat evenwel niet aan bewezenverklaring in de weg, echter de rechtbank zal daar in het kader van de strafoplegging terdege rekening mee houden.

3.4 De bewezenverklaring

Op grond van het onder 3.3. overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijf- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat:

zij op 19 oktober 2009 te [woonplaats] bij het verhoor bij de rechter-commissaris, als getuige in de strafzaak tegen [X] (parketnummer 09-920341-09) na de krachtens wettelijk voorschrift gevorderde eed te hebben afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, ten nadele van die verdachte

[X], in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:"Ik heb nooit eerder sex gehad met [X]" en "[X] heeft mij niet gevingerd" en "Het zou kunnen dat hij GHB of hele sterke drank in mijn drinken heeft gedaan. Misschien wel andere drugs, een pilletje ofzo."

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen 30 dagen na de uitspraak een bedrag van € 420,- zal voldoen aan [X], bestaande uit € 105,- per nacht die [X] onterecht in voorarrest heeft gezeten.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meineed. Zij heeft ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede ten nadele van [X] een valse verklaring afgelegd.

Het afleggen van een valse verklaring heeft niet alleen nadelige gevolgen voor het slachtoffer, maar met name voor het gehele gerechtelijke apparaat.

Het plegen van meineed ondermijnt daarnaast het gezag van de rechter en de waarheidsvinding in de rechtsstaat in het algemeen. Dit raakt het algemeen belang in ernstige mate.

De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat zij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. De rechtbank houdt er voorts in het voordeel van verdachte rekening mee dat haar relatie met het slachtoffer en de daaruit voortvloeiende zwangerschap zeer ingrijpend is voor verdachte, mede gelet op haar jeugdige leeftijd, en dat deze gebeurtenissen haar uit haar evenwicht hebben gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit onder andere uit de omstandigheid dat verdachte zich genoodzaakt heeft gezien zich onder behandeling te stellen voor hier mee samenhangende psychische problemen. In het nadeel van de verdachte overweegt de rechtbank echter dat de verdachte ter terechtzitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar gedragingen en geen inzicht in haar eigen gedrag heeft getoond.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport d.d. 27 mei 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming. Blijkens dit rapport wordt de kans op recidive op nihil ingeschat. Geadviseerd wordt om de verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

De rechtbank onderschrijft de conclusie ten aanzien van de kans op recidive en het gegeven strafadvies.

Gelet op het vorenstaande alsmede gelet op de omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld acht de kinderrechter een geheel voorwaardelijke werkstraf een passende reactie.

7. De vordering van de benadeelde partij

[X], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 1500,-.

Tevens heeft de benadeelde partij de rechtbank verzocht om de verdachte de verplichting op te leggen een advertentie te plaatsen in een landelijk en regionaal dagblad teneinde de eer en goede naam van de benadeelde te zuiveren.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met aftrek van het bedrag van € 420,- indien de rechtbank de betaling van dit bedrag als bijzondere voorwaarde overneemt in haar beslissing.

Ten aanzien van de plaatsing van een advertentie in de krant heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit.

Ook ten aanzien van de plaatsing van een advertentie in de krant heeft de raadsvrouw afwijzing bepleit.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij op 3 september 2009 is aangehouden en in verzekering is gesteld op verdenking van verkrachting. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij op 19 oktober 2009 bij de rechter-commissaris een valse verklaring heeft afgelegd over deze verkrachting. Niet is aan de verdachte ten laste gelegd dat zij een valse aangifte van verkrachting heeft gedaan. De benadeelde partij heeft voorlopige hechtenis ondergaan naar aanleiding van de aangifte van verdachte, ook de overige gestelde schadeposten houden hiermee verband zodat causaal verband tussen het strafbare feit waarvan verdachte thans een verwijt wordt gemaakt en de schade van de benadeelde partij ontbreekt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Wat er zij van de vraag of plaatsing van een advertentie, als verzocht, kan worden verlangd op basis van artikel 51 a van het Wetboek van Strafvordering voornoemd, nu de rechtbank de benadeelde partij niet kan ontvangen in haar vordering komt zij niet toe aan een beoordeling van dit onderdeel van de vordering.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 207 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

IN DE GEVALLEN WAARIN EEN WETTELIJK VOORSCHRIFT EEN VERKLARING ONDER EDE VORDERT, MONDELING, PERSOONLIJK OPZETTELIJK EEN VALSE VERKLARING ONDER EDE AFLEGGEN;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de tijd van 60 UREN;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 30 DAGEN;

verklaart de benadeelde partij, [X], niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.P. Wittop Koning, kinderrechter,

en mr. R.A.A. Böcker, kinderrechter- plv.,

in tegenwoordigheid van mr. D. Dijs, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2010.

Mr. R.A.A. Böcker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit de pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal pagina 1 tot en met 77, met het nummer PL1563/2010068555-1, politie Haaglanden met bijlagen

2 Proces-verbaal verhoor van getuige bij de rechter-commissaris, pagina 72

3 Proces-verbaal verhoor van getuige bij de rechter-commissaris, pagina 76

4 Proces-verbaal verhoor van getuige bij de rechter-commissaris, pagina 76

5 Proces-verbaal verhoor van getuige bij de rechter-commissaris, pagina 76

6 Proces-verbaal verhoor van getuige bij de rechter-commissaris, pagina 77

7 Proces-verbaal verhoor verdachte bij de politie, pagina 63

8 Proces-verbaal verhoor verdachte bij de politie, pagina 66

9 Proces-verbaal verhoor verdachte bij de politie, pagina 66

10 Proces-verbaal verhoor verdachte bij de politie, pagina 68

11 Proces-verbaal terechtzitting 7 oktober 2010, verklaring verdachte

12 Proces-verbaal terechtzitting 7 oktober 2010, verklaring verdachte