Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1530

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
369637 / HA RK 10-349 Wrakingsnummer 2010/13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking in strafzaak. Verzoek afgewezen. De door de voorzitter tijdens de zitting van de meervoudige strafkamer gestelde vraag "Was het een Act of God, of in uw geval Allah?" geeft geen blijk van vooringenomenheid. Zoals verzoeker zelf heeft verklaard was zijn antwoord voorafgaand aan deze vraag bedoeld in religieuze context. De voorzitter heeft dit ook zo opgevat. De vraag heeft naar het oordeel van de rechtbank het doel gehad zich te verplaatsen in de achtergrond van de verzoeker en om zijn antwoord te kunnen begrijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE – MEERVOUDIGE WRAKINGSKAMER

Wrakingnummer 2010/13

rekestnummer: 369637/ HA RK 10-349

parketnr: 09/925195-10

datum beschikking: 12 juli 2010

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Alphen aan den Rijn,

verzoeker,

raadsman: mr. drs. E. Tamas;

tegen

1. mr. [X],

2. mr. [Y],

3. mr. [Z],

rechters in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Verzoeker is opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 25 juni 2010 (hierna: de MK). Ter gelegenheid van die terechtzitting was de meervoudige kamer samengesteld uit mrs. [X], [Y] en [Z]. Van deze terechtzitting is (nog) geen proces-verbaal opgemaakt.

1.2 Tijdens de behandeling van de zaak heeft de raadsman van verzoeker de rechtbank gewraakt en is het wrakingsverzoek voorgelegd aan de wrakingskamer.

1.3 De Officier van Justitie mr. Y.H.M. de Groot heeft per e-mail van 25 juni 2010 bericht dat op de zitting van de wrakingskamer namens haar mr. L.T. Bregman zal verschijnen.

1.4 Van mrs. [X], [Y] en [Z] is geen schriftelijke reactie ontvangen.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 28 juni 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen, met zijn raadsman mr. E. Tamas die zijn standpunt heeft toegelicht. Mrs. [X], [Y] en [Z] zijn verschenen en zij hebben het standpunt van de rechtbank eveneens toegelicht. Mr. L.T. Bregman is namens het OM als belanghebbende verschenen en heeft geen standpunt terzake van het wrakingsverzoek ingenomen. Op 28 juni 2010 is mondeling uitspraak gedaan.

3. Het standpunt van verzoeker

3.1 Mr. Tamas heeft namens verzoeker als grond voor de wraking het volgende aangevoerd. De voorzitter van de MK, mr. [X], heeft de zaak met verzoeker besproken. Tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting ontkende verzoeker dat hij het slachtoffer iets zou hebben aangedaan of haar zou hebben bedreigd dan wel afgeperst. De voorzitter heeft hem toen op enig moment de vraag gesteld hoe hij kon verklaren waarom het slachtoffer dan uit het raam zou zijn gesprongen. Zij heeft toen gevraagd: “Was het een Act of God, of in uw geval Allah?”

Het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting gaf geen aanleiding voor deze vraagstelling. De verwijzing van de voorzitter naar Allah is naar de mening van de verdediging gebaseerd op de uiterlijke en biologische kenmerken van verzoeker en houdt verband met zijn islamitische geloofsovertuiging. Wanneer een religieuze overtuiging wordt gekoppeld aan uiterlijke kenmerken is er sprake van een rassenidee. Mr. Tamas verwijst in dit verband naar het boek Lingua Tertii Imperii van Victor Klemperer.

3.2 In de context van de huidige politieke situatie en het maatschappelijke klimaat geeft een verwijzing naar het islamitische geloof op basis van de uiterlijke kenmerken van verzoeker, zonder dat daartoe aanleiding is, blijk van een vooringenomen houding en is dit in strijd met de subjectieve onpartijdigheid van de rechter.

3.3 Nu de overige leden van de MK geen afstand hebben gedaan van de vraag van de voorzitter, dient de gehele meervoudige kamer te worden gewraakt omdat er vanuit mag worden gegaan dat de voorzitter namens de overige leden van de MK spreekt.

3.4 Verzoeker zelf heeft ter terechtzitting van 28 juni 2010 verklaard dat hij door de vraag van mr. [X] niet is beledigd. Verzoeker heeft aangegeven in zijn antwoord voorafgaand aan de bewuste vraag van mr. [X] niet de woorden ‘God’ of ‘Allah’ te hebben gebruikt, maar dat zijn antwoord een gezegde was en dat het uiting gaf aan zijn geloofsopvatting. Uit de reactie van de voorzitter bleek volgens verzoeker dat zij zijn antwoord ook in een religieuze context had begrepen.

4. Het standpunt van mrs. [X], [Y], [Z],

4.1 Ter zitting van de wrakingskamer hebben mrs. [X], [Y] en [Z] aangegeven dat zij niet in de wraking berusten. Mr. [X] heeft te kennen gegeven dat zij op de terechtzitting van 25 juni 2010 met verzoeker de zaak heeft doorgenomen. Zij geeft aan dat zij zich naar aanleiding van het antwoord van verzoeker afvroeg of zij dat in een religieuze context moest plaatsen. Daarop heeft zij de vraag gesteld: “Was het een Act of God, of in uw geval Allah?”.

4.2 Mr. [Y] en mr. [Z] hebben aangevoerd dat met de vraag beoogd werd te doorgronden wat verzoeker nu precies bedoelde. Voorts is door mr. [Y] betoogd dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het verzoek door de raadsman is gedaan en niet door de verzoeker. Tenslotte vraagt hij zich af of het wrakingsverzoek alleen de voorzitter betreft of ook de beide andere leden.

5. Beoordeling

5.1 Het proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2010 ontbreekt. Uit de behandeling van het wrakingverzoek komt echter naar voren dat partijen het eens zijn over wat op de zitting van 25 juni 2010 is gezegd. De rechtbank doet uitspraak op grond van het verhandelde ter terechtzitting van 28 juni 2010.

5.2 De rechtbank is van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. Mr. Tamas mocht namens verzoeker het wrakingsverzoek indienen nu hij bij de terechtzitting van 25 juni 2010 de belangen van zijn cliënt behartigde. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek is gericht tegen de MK in zijn geheel, daar deze spreekt door de mond van de voorzitter en de mrs. [Y] en [Z] zich niet hebben gedistantieerd van de vraag van de voorzitter.

5.3 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.4 Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.5 De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven geen grond te vrezen dat het de betreffende rechters aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hen de schijn van partijdigheid gewekt.

5.6 In de zitting van 28 juni 2010 is vast komen te staan dat het antwoord van verzoeker in een religieuze context was bedoeld en dat mr. [X] dit ook zo heeft opgevat. Naar het oordeel van de rechtbank geeft daarom de door mr. [X] gestelde vraag geen blijk van vooringenomenheid. Deze vraag heeft naar het oordeel van de rechtbank het doel gehad zich te verplaatsen in de achtergrond van de verzoeker en om zijn antwoord te kunnen begrijpen.

5.7 Naar het oordeel van de wrakingskamer doen zich ook overigens geen omstandigheden voor die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor een gebrek aan onpartijdigheid van voornoemde rechters dan wel de uiterlijke schijn daarvan, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

5.8 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij

artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. E. Tamas;

• de officier van justitie mr. Y.H. Groot;

• mrs. [X], [Y], [Z].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 12 juli 2010 door mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, J. Mendlik en A.H. Bergman rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Vlasveld als griffier.