Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1404

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
AWB 10/13949, AWB 10/48591, AWB 10/44271 en AWB 10/44279
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / toetsing aan artikel 3 EVRM / beroep gegrond

Naar het oordeel van de rechtbank treft de beroepsgrond, dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3 EVRM in het kader van het besluit tot ongewenstverklaring, doel. Het besluit tot ongewenstverklaring is geen besluit op een aanvraag en zeker geen besluit op een herhaalde aanvraag, zodat verweerder in verband met het beroep op artikel 3 EVRM in het kader van een besluit tot ongewenstverklaring niet heeft kunnen verwijzen naar het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden in het kader van de beoordeling van de herhaalde asielaanvraag. Uit het bepaalde in artikel 3 EVRM vloeit een absoluut verbod op uitzetting voort indien de situatie zoals beschreven in dit artikel zich voordoet. Deze situatie dient te worden onderscheiden van een eventuele aanspraak op een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 EVRM. Derhalve is het besluit tot ongewenstverklaring, nu een toetsing aan artikel 3 EVRM ontbreekt, niet voorzien van een deugdelijke motivering en niet op zorgvuldige wijze voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10 / 13949 (beroep ongewenstverklaring) AWB 09 / 48591 (voorlopige voorziening) AWB 09 / 44271 (beroep asiel) AWB 09 / 44279 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 augustus 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum] van Nigeriaanse nationaliteit,

eiser / verzoeker,

hierna te noemen: eiser

gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Zaandam,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.F. Huising, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 25 juli 2009 een (herhaalde) aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 11 november 2009 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 30 november 2009 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft bij besluit van 1 december 2009, bekendgemaakt op 30 december 2009, eiser op grond van artikel 67, eerste lid aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ongewenst verklaard. Eiser heeft tegen het besluit op 30 december 2009 bezwaar gemaakt alsmede een voorlopige voorziening ingediend. Bij besluit van 13 april 2010 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 14 april 2010 beroep ingesteld.

1.3 Bij brief van 17 mei 2010 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat het petitum van het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gewijzigd als strekkende tot een verzoek verweerder te verbieden eiser uit te zetten, totdat door de rechtbank op het beroep is beslist.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 23 juli 2010. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

AWB 09/44271 en AWB 09/44279 (herhaalde asielaanvraag)

Beroep

2.1 Artikel 67, derde lid, Vw verbindt aan de ongewenstverklaring het gevolg dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben, zolang de ongewenstverklaring voortduurt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 19 juli 2007, LJN: BB0912) heeft de vreemdeling geen belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zolang hij ongewenst is verklaard. Dit belang is eerst aan de orde, indien het besluit tot ongewenstverklaring wordt herroepen of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven.

Gelet op deze jurisprudentie en omdat het besluit tot ongewenstverklaring hierna niet zal worden herroepen, kan het beroep tegen het thans bestreden asielbesluit van 11 november 2009 niet leiden tot rechtmatig verblijf hier te lande. Eiser heeft daarom geen belang bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het besluit van 11 november 2009 en de rechtbank zal het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaren.

2.2 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.3 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.4 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.5 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

AWB 10 / 13949 en AWB 09 / 48591 (ongewenstverklaring)

Beroep

2.6 In de gronden van beroep voert eiser tegen het bestreden besluit tot ongewenstverklaring aan dat hij bij terugkeer naar Nigeria een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Blijkens het bestreden besluit inzake de ongewenstverklaring weigert verweerder artikel 3 EVRM in de belangenafweging te betrekken. Dat is onjuist. Indien op grond van artikel 3 EVRM van een vreemdeling niet kan worden verlangd dat hij Nederland verlaat, kan dit een reden zijn om af te zien van ongewenstverklaring.

2.7 Verweerder heeft in verband met het beroep op artikel 3 EVRM verwezen naar het asielbesluit van 11 november 2009, inhoudende een afwijzing van de asielaanvraag met toepassing van artikel 4:6 Awb. In het kader van de herhaalde asielaanvraag heeft eiser naar voren gebracht dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en niet de Liberiaanse nationaliteit zoals hij tijdens zijn eerste aanvraag heeft verklaard. Eiser heeft een Nigeriaans paspoort overgelegd. Aan de echtheid van dit paspoort en aan de Nigeriaanse nationaliteit wordt door verweerder niet getwijfeld. In verband met de problemen die eiser stelt in Nigeria te hebben ondervonden meent eiser een risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder stelt zich in het asielbesluit van 11 november 2009 op het standpunt dat in het kader van de herhaalde asielaanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die niet reeds eerder aan eiser bekend waren en die ook in de eerdere asielprocedure naar voren gebracht hadden kunnen en moeten worden. Dit standpunt neemt verweerder thans ook in in het besluit tot ongewenstverklaring.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank treft de beroepsgrond, dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3 EVRM in het kader van het besluit tot ongewenstverklaring, doel. Het besluit tot ongewenstverklaring is geen besluit op een aanvraag en zeker geen besluit op een herhaalde aanvraag, zodat verweerder in verband met het beroep op artikel 3 EVRM in het kader van een besluit tot ongewenstverklaring niet heeft kunnen verwijzen naar het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden in het kader van de beoordeling van de herhaalde asielaanvraag. Uit het bepaalde in artikel 3 EVRM vloeit een absoluut verbod op uitzetting voort indien de situatie zoals beschreven in dit artikel zich voordoet. Deze situatie dient te worden onderscheiden van een eventuele aanspraak op een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 EVRM. Derhalve is het besluit tot ongewenstverklaring, nu een toetsing aan artikel 3 EVRM ontbreekt, niet voorzien van een deugdelijke motivering en niet op zorgvuldige wijze voorbereid.

2.9 In verband met het voorgaande treft ook het beroep op de hoorplicht doel. Nu verweerder had moeten onderzoeken of eiser in verband met zijn Nigeriaanse asielrelaas een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, is niet de conclusie gerechtvaardigd dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb.

2.10 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen nu het is genomen in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 van de Awb en het beroep gegrond verklaren. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal verweerder daartoe een termijn stellen zodanig dat verweerder voldoende gelegenheid heeft een hoorzitting te organiseren alvorens opnieuw te beslissen.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.11 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.12 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Beroep en voorlopige voorziening

2.13 De rechtbank en de voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1311,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.14 Met toepassing van de artikelen 8:74, eerste lid, en 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank respectievelijk de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep AWB 09 / 44271 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep AWB 10 / 13949 gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 13 april 2010;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

De voorzieningenrechter:

3.4 wijst het de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank en de voorzieningenrechter:

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1311,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.6 draagt verweerder op € 300,- aan eiser te betalen voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van J. van Roode, griffier en op 26 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.