Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1398

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
370755/JR RK 10-1925
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

minderjarigen worden voor de duur van de ondertoezichtstelling uithuisgeplaatst omdat de ouders ondanks veel ingezette hulp en intensieve begeleiding niet in staat blijken de minderjarigen basale veiligheid en een positieve opvoedsituatie te bieden. Er is sprake van pedagogisch onvermogen bij de ouders. Gevreesd moet worden dat onherstelbare schade wordt aangericht aan de ontwikkeling van de minderjarigen als zij nog langer aan de zorg van de ouders worden toevertrouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: 370755 / JE RK 10-1925

Zaaknummer: 370755

Datum beschikking: 18 augustus 2010

Machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op de op 9 juli 2010 ingekomen verzoekschriften van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Midden (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarigen:

[kind 1], geboren op [datum] 2007 te [plaats A], Thailand,

[kind 2] geboren op [datum] 2009 te [plaats B],

kinderen uit het huwelijk van:

[de heer A]

de vader,

en

[mevrouw B]

de moeder,

beiden wonende te [plaats B],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarige sub 1 verblijft feitelijk in een pleeggezin en de minderjarige sub 2 verblijft feitelijk in het Groene Hart ziekenhuis te Gouda.

Procedure

Bij beschikking d.d. 13 juli 2010 - waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd - heeft de kinderrechter in deze rechtbank Bureau Jeugdzorg gemachtigd om de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 13 juli 2010 tot 19 augustus 2010 en de behandeling van de verzoeken voor het overige aangehouden en verwezen naar de terechtzitting van de meervoudige kamer. Van de zijde van de ouders werd ingestemd met een vrijwillige voortzetting van de plaatsing van de minderjarige sub 1 in een pleeggezin tot aan de behandeling van de meervoudige kamer.

Voor een overzicht van de feiten en het procesverloop in deze procedure verwijst de rechtbank naar voornoemde beschikking. De rechtbank heeft kennis genomen van de in die beschikking genoemde processtukken en voorts van de na 13 juli 2010 bij de rechtbank ingekomen stukken, te weten: de brief d.d. 10 augustus 2010 (met bijlagen) en de brief d.d. 13 augustus 2010 (met bijlage), beide van de zijde van Bureau Jeugdzorg.

Op 17 augustus 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vader en de moeder, vergezeld van hun raadsman, mr. H.G.J. Ligtenberg, en een tolk in de Karèntaal, mevrouw D. Mu;

- de heer D.J. Stuker en mevrouw S. Schele namens Bureau Jeugdzorg.

Als informanten waren aanwezig:

- mevrouw F.L. de Pater, namens het International Christian Fellowship (verder het ICF);

- de heer dr. F.G.A. Versteegh, als kinderarts werkzaam in het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda.

Mr. Ligtenberg voornoemd heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

Beoordeling

Bureau Jeugdzorg heeft uitgebreid uiteengezet waarom zij vindt dat in weerwil van de beschikking van de rechtbank d.d. 9 maart 2010 en de beschikking van het gerechtshof

's-Gravenhage d.d. 7 juli 2010 de minderjarigen sub 1 en sub 2 uithuis geplaatst dienen te worden. In de optiek van Bureau Jeugdzorg wordt met het onderhavige verzoek geen verkapt hoger beroep beoogt. Gelet op de recente ontwikkelingen is er sprake van voortschrijdend inzicht in die zin dat, afgezien van het ICF - die naar de mening van Bureau Jeugdzorg niet kan worden beschouwd als een professionele instantie - geen van de betrokken hulpverlenende instanties nog langer kan instaan voor de veiligheid van de minderjarigen zolang zij bij de ouders verblijven. Ook moet volgens Bureau Jeugdzorg thans worden geconcludeerd dat de ouders te weinig leerbaar zijn gebleken hun eigen problemen, met onder meer de verwerking van traumatische ervaringen in het land van herkomst, de taalbarrière, de cognitieve achterstand en de agressieregulatie (van met name vader), het hoofd te bieden.

De directe aanleiding voor het huidige verzoek is gelegen in het feit dat de minderjarige sub 2 op 1 juli 2010 is opgenomen in het ziekenhuis vanwege een groeiachterstand. Na enige tijd daar te hebben verbleven, constateerde het ziekenhuis een opmerkelijke vooruitgang in de ontwikkeling van de minderjarige, terwijl een gezond gehecht kind in een andere omgeving - i.c. het ziekenhuis - normaliter juist onrustiger wordt en zich moeilijk kan aanpassen. De minderjarige sub 2 liet daarentegen wel direct aanpassingsgedrag zien, wat de onveilige hechting bevestigt. Ook de waargenomen interactie tussen de ouders en de minderjarigen baarde het ziekenhuis ernstige zorgen en heeft bij hen alle alarmbellen doen rinkelen. Zo klampt de minderjarige sub 2 zich aan willekeurige verzorgers in het ziekenhuis vast en toont het angst en overmatige huilbuien, zowel in aanwezigheid van de ouders als in de situatie dat de ouders er niet bij zijn. De ouders tonen zich niet in staat om de emoties te helpen reguleren en leiding te geven. Voorts heeft het ziekenhuis geconstateerd dat de moeder de minderjarige sub 2 flesvoeding met te heet water wilde geven, maar ook in het algemeen risicovol met de minderjarige omging, door hem bijvoorbeeld onbewaakt op de commode te laten liggen.

Hoezeer de ouders ook proberen om verbetering in de situatie aan te brengen en ondanks alle ingezette hulpverlening en intensieve begeleiding, zij blijken gewoonweg niet in staat de kinderen basale veiligheid en een positieve opvoedsituatie te bieden. Er is volgens Bureau Jeugdzorg derhalve sprake van pedagogisch onvermogen bij de ouders. Dat verklaart ook de omstandigheid dat alle kinderen, zodra zij uit de invloedssfeer van de ouders kwamen, bijzonder veel vooruitgang boekten in hun ontwikkeling. Bureau Jeugdzorg kan niet langer instaan voor de veiligheid van de minderjarigen bij de ouders en het is volgens hen slechts een kwestie van tijd voordat er onherstelbare schade is aangericht aan de ontwikkeling van beide kinderen als zij nog langer aan de zorg van de ouders worden toevertrouwd.

De heer Versteegh heeft ter zitting de bij de ouders in het ziekenhuis waargenomen incidenten bevestigd. In aanvulling daarop heeft hij verklaard dat de groeistoornis bij de minderjarige sub 2 waarschijnlijk samenhangt met emotionele verwaarlozing. Er is thans geen enkele reden aan te nemen dat een andere medische oorzaak - zoals een groeihormoonstoornis - aan de groeistoornis ten grondslag ligt. De heer Versteegh heeft voorts verklaard dat hij het onwaarschijnlijk acht dat de wijze waarop de ouders met de kinderen omgaan verklaarbaar is door culturele verschillen. Gevreesd moet worden dat dit te wijten is aan onvermogen en gebrek aan inzicht bij de ouders.

Van de zijde van de ouders wordt met klem verweer gevoerd tegen het verzoek van Bureau Jeugdzorg. In de voorgaande procedures hebben zowel de rechtbank als het hof terecht ruimte gelaten aan de ouders om hun verantwoordelijkheid zelf gestalte te geven, zo stellen zij. De ouders voeren aan dat Bureau Jeugdzorg nu wederom tracht om met achterhaalde informatie en gelegenheidsargumenten - waaronder ongegronde toekomstverwachtingen - de minderjarigen uit huis te plaatsen. Zij twijfelen of Bureau Jeugdzorg nog langer in staat is om het gezin op objectieve wijze te bejegenen. Er is geen sprake meer van geweld in het gezin en er zijn meerdere oorzaken mogelijk voor de bij de minderjarige sub 2 geconstateerde problemen. Bureau Jeugdzorg trekt echter direct de voor de ouders meest ongunstige conclusie, hetgeen hun vooringenomenheid aantoont. Onderschat wordt dat de ouders een behoorlijke inhaalslag dienen te maken waar het de culturele verschillen en de Nederlandse taal betreft en dat zij onder grote druk staan. Bureau Jeugdzorg onderschat volgens de ouders voorts het middel van de uithuisplaatsing als ultimum remedium. Zij zien ook niet in dat de kinderen door een uithuisplaatsing vervreemd raken van hun ouders en hun cultuur.

Mevrouw De Pater heeft ter terechtzitting namens het ICF verklaard dat hun algemene indruk is dat de ouders wel over de nodige opvoedingscapaciteiten beschikken en dat zij een positieve ontwikkeling bij de ouders hebben waargenomen. Het ICF plaatst vraagtekens bij de observaties van het ziekenhuis met betrekking tot het gedrag van de ouders, aldus mevrouw De Pater.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is van de verzoekschriften kennis te nemen. Voorts kan verzoeker worden ontvangen in haar verzoeken nu deze voldoen aan de door de wet gestelde vereisten. De eerdere beschikking van het hof doet hier niet aan af.

Het verweer van de raadsman dat in casu sprake is van een verkapt hoger beroep treft geen doel. De rechtbank zal bij de behandeling van de verzoeken beoordelen of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die inwilliging van de verzoeken rechtvaardigen.

De rechtbank heeft op 9 maart 2010 ten aanzien van de minderjarige sub 2 overwogen dat er op dat moment, afgezien van de omstandigheid dat sprake was van een afwijking van de zogenaamde groeicurve, geen zorgsignalen door het consultatiebureau werden geconstateerd en dat de rechtbank gelet daarop de ouders vooralsnog in staat achtte hem - met hulp van de gezinsvoogd en het ICF - op te voeden en hem een veilige leefomgeving te bieden. Het hof heeft vervolgens op 7 juli 2010 ten aanzien van de minderjarige sub 1 overwogen dat niet is komen vast te staan dat bij haar sprake is van gedragsproblemen en het hof achtte de ouders in staat om de veiligheid van de minderjarige onder intensieve begeleiding van de betrokken instanties, zoals Jeugdzorg, ICF en het consultatiebureau, te garanderen.

De rechtbank is thans van oordeel dat de recente ontwikkelingen een heel ander licht werpen op de situatie, in die zin dat zich wel degelijk zorgelijke signalen ten aanzien van de minderjarige sub 2 hebben geopenbaard en dat geen van de betrokken instanties, te weten het consultatiebureau, het kinderdagverblijf, het ziekenhuis en Bureau Jeugdzorg, nog langer durft in te staan voor de veiligheid van beide kinderen zolang zij - ondanks alle begeleiding - aan de zorg van de ouders zijn toevertrouwd.

De rechtbank constateert dat de ernstige medische problemen die zich bij de minderjarige sub 2 hebben voorgedaan, zijn ontstaan in de periode dat de ouders slechts de zorg hadden voor hem alleen. Zij konden derhalve hun onverdeelde aandacht schenken aan deze minderjarige. Ondanks deze omstandigheid en met alle ingezette hulp is niet voorkomen dat de toestand van deze minderjarige zodanig is verslechterd dat een ziekenhuisopname onvermijdelijk was. Gelet op de voorhanden zijnde informatie acht de rechtbank het aannemelijk dat de wijze van verzorging en opvoeding van de minderjarige door de ouders een belangrijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de problemen bij de minderjarige sub 2. Dat de ouders ten opzichte van de minderjarige sub 1 geheel ander gedrag kunnen laten zien en haar veiligheid wel zouden kunnen waarborgen acht de rechtbank gelet daarop onvoldoende aannemelijk. De rechtbank volgt Bureau Jeugdzorg in haar opvatting dat het om die reden noodzakelijk is om de beide minderjarigen uit huis te plaatsen, zulks ter voorkoming van onherstelbare schade. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de problemen die zich reeds hebben geopenbaard bij de twee andere uithuisgeplaatste kinderen van de ouders, ernstig zijn.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn, zodat zij zal beslissen als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, de minderjarige sub1 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 18 augustus 2010 tot 2 november 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling,

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 19 augustus 2010 tot 2 november 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling,

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat deze machtiging van kracht blijft indien en voor zover een indicatiebesluit binnen 4 weken na heden afgegeven, strekt tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in dezelfde categorie;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G.J. Brink (voorzitter), M. Soffers en M. Rootring, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te

's-Gravenhage.