Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1251

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
AWB 10/34205
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene asielprocedure / 3 EVRM / nader onderzoek naar beschermingsmogelijkheden na het bestreden besluit / beroep gegrond

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de lokale politie haar niet de benodigde bescherming kan bieden tegen een behandeling die is verboden in artikel 3 EVRM, nu verweerder erkent dat de aangiftes bij de lokale politie niet het gewenste effect hebben en eiseres niet hoeft te bewijzen dat de politie niets doet om haar de benodigde bescherming te bieden. Verweerder heeft in het bestreden besluit noch in het voornemen, buiten de genoemde (overheids)instanties aangegeven of, en zo ja welke andere (overheids)instanties beschikbaar zijn die de benodigde bescherming zouden kunnen bieden.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat uit onderzoek dat is verricht na het bestreden besluit, is gebleken dat er nog diverse andere beschermingsopties beschikbaar zijn, die geen van allen zijn genoemd in het ambtsbericht. De beroepsfase leent zich niet voor het verrichten van nader onderzoek, mede gelet op de mogelijkheden binnen de algemene asielprocedure voor verweerder om de termijn van besluitvorming te verlengen. De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd ter aanvulling op het bestreden besluit. De goede procesorde verzet zich hiertegen nu eiseres niet adequaat kon reageren op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd. Bovendien wordt de afdoening van de zaak ontoelaatbaar vertraagd door een extra (schriftelijke) uitwisseling van standpunten. Een dergelijke wijze van afdoening verdraagt zich niet met het uitgangspunt van een snelle rechterlijke uitspraak inzake beroepen tegen besluiten die zijn genomen na het doorlopen van de algemene asielprocedure.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 83
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/488
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/34205

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2010

inzake

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum],

nationaliteit Burger van Kosovo,

verblijvende te Gilze,

eiseres,

gemachtigde mr. P.J.M. van Kuppenveld,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.P.G. van Bel.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiseres heeft op 30 september 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 oktober 2010, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. J.J.T van Loo als waarnemer van gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of de weigering om eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van haar aanvraag en beroep heeft eiseres - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Eiseres is in Kosovo door haar ex-man mishandeld. Haar eerste kind is vermoedelijk aan de gevolgen van mishandelingen door haar ex-man overleden. Toen eiseres in verwachting was van haar tweede kind, is zij dusdanig mishandeld dat het ongeboren kind is overleden. In 2005 heeft eiseres in Finland asiel aangevraagd. Nadat de asielaanvraag is afgewezen, is zij teruggegaan naar Kosovo. Daar verbleef eiseres afwisselend bij familie in de gemeenten Mitrovice en Fushë Kosovë. Bij terugkeer is zij wederom door haar ex-man met de dood bedreigd en mishandeld. Ook de familie van eiseres is bedreigd. Aangiftes bij de lokale politie hebben niet tot resultaat geleid. Vanwege de problemen met haar ex-man heeft eiseres Kosovo verlaten. Zij kan geen bescherming krijgen in Kosovo.

3. In het bestreden besluit, dat is genomen na het doorlopen van de algemene asielprocedure, heeft verweerder het asielrelaas geloofwaardig geacht. Verweerder is van mening dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij uitzetting sprake is van een reëel risico op een behandeling die is verboden in artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat zij bij terugkeer de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Verweerder erkent dat eiseres meermalen aangifte heeft gedaan bij de lokale politie zonder het gewenste effect, maar verweerder acht eiseres in staat om zich te wenden tot andere overheidsinstanties. In het bestreden besluit noemt verweerder een drietal mogelijkheden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 12 februari 2010, LJN BN9979, volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst moet worden onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en uit rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord, kan aan de orde komen de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

5. In het Algemeen Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken inzake Kosovo van juni 2009 (verder het ambtsbericht). In het ambtsbericht (paragraaf 3.5.1) is het volgende vermeld: “(…)De maatschappelijke positie van vrouwen wordt verder bevorderd door de Gender Equality Law. De Agency for Gender Equality binnen het bureau van de minister-president is verantwoordelijk voor uitvoering van de wet. Op centraal niveau zijn er Gender Officers in ieder ministerie, en op lokaal niveau heeft elke gemeente in Kosovo een Municipal Gender Officer, die toeziet op de mensenrechten van vrouwen. De Gender Officers zien toe op de uitvoering van de Gender Equality Law binnen de gemeentes en ministeries. Volgens het laatste voortgangsrapport van de Europese Commissie zijn in de praktijk deze Gender Officers in ministeries en gemeentes echter niet allemaal operationeel. Daarnaast is er nog geen sprake van coördinatie tussen de agentschappen die zich bezig houden met Gender Equality en wordt dit onderwerp nog nauwelijks onder de publieke aandacht gebracht. (…)

Opvangmogelijkheden voor vrouwen die zich willen ontrekken aan huiselijk geweld zijn zeer beperkt aanwezig. Opvanghuizen hebben weinig middelen, en zijn niet bedoeld voor lang verblijf. Hierna zijn vrouwen weer op zichzelf aangewezen, wat vaak betekent dat zij teruggaan naar de oude situatie. Het ministerie van Arbeid en sociaal welzijn geeft beperkte financiële steun aan opvanghuizen voor slachtoffers van huiselijk geweld en mensenhandel die bestuurd worden door NGO’s.(…)

Een telefoonlijn die 24 uur per dag anoniem geraadpleegd kan worden geeft slachtoffers van (seksueel) misbruik advies over hun rechten en de mogelijkheden voor opvang(…).”

6. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangevoerd dat de aangiftes bij de lokale politie niet het gewenste effect hebben en dat eiseres niet hoeft te bewijzen dat de politie niets doet om haar de benodigde bescherming te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de lokale politie haar niet de benodigde bescherming kan bieden.

7. Vervolgens is aan de orde de vraag of, afgezien van de lokale politie, bescherming van andere autoriteiten of instanties voor eiseres voorhanden is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter beantwoording van deze vraag niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht en de hierin genoemde mogelijkheden van bescherming van de zogenaamde Gender Officers op gemeentelijk en centraal niveau, het bestaan van de telefoonlijn en de opvanghuizen. Uit het ambtsbericht blijkt niet of en zo ja, in hoeverre de Gender Officers bescherming (kunnen) bieden aan vrouwen die worden geconfronteerd met huiselijk geweld. Uit het ambtsbericht lijkt eerder te volgen dat de Gender Officers vooral tot taak hebben om de maatschappelijke positie van vrouwen te bevorderen. Verder blijkt uit het ambtsbericht niet of gemeentelijke Gender Officers operationeel zijn in de plaatsen in Kosovo waar eiseres verbleef voor haar vertrek naar Nederland. Verweerder heeft dit niet nader onderzocht. Voorts valt zonder nadere toelichting niet in te zien op welke wijze bescherming kan worden geboden door middel van een telefonische hulpdienst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres terecht aangevoerd dat het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM door middel van de in het ambtsbericht genoemde opvanghuizen niet blijvend wordt weggenomen, nu uit het ambtsbericht naar voren komt dat de opvanghuizen niet zijn bedoeld voor een lang verblijf en er kennelijk slechts in beperkte mate financiële middelen beschikbaar zijn. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

8. Verweerder heeft in het bestreden besluit nog aangevoerd dat eiseres, als zij niet tevreden is over de mate van bescherming van de politie, andere beschikbare middelen moet aanwenden en dat niet is gebleken dat zij enige poging heeft gedaan om bij andere (overheids)instanties bescherming te krijgen. Verweerder heeft echter in het bestreden besluit noch in het voornemen, buiten de hierboven genoemde (overheids)instanties aangegeven of, en zo ja welke andere (overheids)instanties beschikbaar zijn die de benodigde bescherming zouden kunnen bieden.

9. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor eiseres afdoende bescherming tegen een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in Kosovo voorhanden is.

10. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat uit onderzoek dat is verricht na het bestreden besluit, is gebleken dat er nog diverse andere beschermingsopties beschikbaar zijn in Kosovo, die geen van allen zijn genoemd in het ambtsbericht. Verweerder heeft in het midden gelaten wanneer deze andere beschermingsopties beschikbaar zijn geworden.

11. De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van verweerder had gelegen om het nader onderzoek uit te voeren voorafgaand aan het bestreden besluit. Verweerder heeft er voor gekozen om de aanvraag van eiseres af te doen in de algemene asielprocedure binnen de termijn van 8 dagen, genoemd in artikel 3.110, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Nu nader onderzoek naar de beschermingsmogelijkheden buiten de in het ambtsbericht genoemde opties kennelijk nodig is geweest, had het op de weg van verweerder gelegen om gebruik te maken van de bevoegdheid de termijn te verlengen dan wel de zaak af te doen middels de verlengde asielprocedure, teneinde het nader onderzoek te kunnen uitvoeren voorafgaand aan het bestreden besluit. De beroepsfase leent zich hier niet voor. In zoverre heeft eiseres terecht aangevoerd dat de zaak zich niet leende voor afdoening in de (onverkorte) algemene asielprocedure. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

12. Ingevolge artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank geen rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd ter aanvulling op het bestreden besluit. De goede procesorde verzet zich hiertegen nu eiseres niet adequaat kon reageren op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd. Bovendien wordt de afdoening van de zaak ontoelaatbaar vertraagd. Een goede beoordeling vergt een nadere onderbouwing van de zijde van verweerder waarna eiseres de gelegenheid zou moeten krijgen hierop schriftelijk te reageren, gelet op artikel 83, zesde lid, van de Vw 2000. Deze wijze van afdoening verdraagt zich niet met het uitgangspunt van een snelle rechterlijke uitspraak inzake beroepen tegen besluiten die zijn genomen na het doorlopen van de algemene asielprocedure.

13. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten dan wel verweerder, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid te stellen de hierboven geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

14. Het beroep is reeds hierom gegrond. Gelet hierop behoeft het overige geen bespreking.

15. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als rechter in tegenwoordigheid van mr. J. Huisman-Quist als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2010.