Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1002

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
09/930228-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft met zijn vrienden midden in de nacht langs een fietspad een aanzienlijk kampvuur gemaakt. Om het vuur gaande te houden hebben zij hout gesprokkeld, brandbaar materiaal verzameld en platen van een brug gesloopt. Nadat zij zagen dat er in een nabijgelegen kas brand was uitgebroken, zijn ze overhaast vertrokken. [..] De verdachte werd in eerste instantie verdacht van een grote brand in een kas, waarbij er ruim zes miljoen euro aan schade was. De door de verdediging verzochte onderzoekshandelingen bij rechter-commissaris hebben er uiteindelijk – 15 maanden na het feit – toe geleid dat de officier van justitie de verdenking van dit feit één week voor de terechtzitting op 4 oktober 2010 heeft laten vallen. De rechtbank houdt rekening met het feit dat deze verdenking en het hiervoor moeten verschijnen voor de meervoudige kamer van de rechtbank een enorme impact op de verdachte en diens familie hebben gehad. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval en het grote tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit, het opleggen van straf - al dan niet in voorwaardelijke vorm - geen strafrechtelijk doel meer dient. De rechtbank acht een schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel het meest op zijn plaats en zij zal dan ook zo beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/930228-09

Datum uitspraak 18 oktober 2010

(Verkort vonnis)

De rechtbank ’s-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 26 november 2009 en 4 oktober 2010.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te

's-Gravenhage, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. S. Timmermans heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij gewijzigde dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Balijbos, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een deel van de ondergrond van) dat bosperceel en/of bomen en/of struiken in dat bosperceel en/of boek(en) en/of hooi en/of takken en/of pla(a)t(en), welk geweld bestond uit:

- het met een aansteker aansteken van een of meerdere boek(en) en/of

- op een hoop gooien van hooi en/of tak(ken) en/of (houten)pla(a)t(en) en/of vervolgens dat hooi en/of die tak(ken) en/of die (houten) pla(a)t(en) aan te steken met een aansteker en/of

- gooien van een spuitbus en/of (een) houten pla(a)t(en) op die brandende hoop.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft uitdrukkelijk betoogd dat het Openbaar Ministerie zich heeft schuldig gemaakt aan schendingen van een goede procesorde, welke ieder voor zich en in onderling verband moeten leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Tunnelvisie en Salduz

De raadsman heeft gesteld dat het opsporingsonderzoek van meet af aan is gekenmerkt door een tunnelvisie van waaruit rechtlijnig is gerechercheerd en waarbij men onvoldoende oog heeft gehad voor alternatieve scenario’s. Vanaf het begin is men ervan uitgegaan dat de grootschalige brand in de nabijgelegen kas is veroorzaakt door het kampvuur van de verdachten. Dit klemt des te meer nu de verdachte en zijn medeverdachten ondanks hun minderjarigheid in strijd met het ook toen al geldende consultatierecht en recht op bijstand voorafgaande en tijdens de politieverhoren geen bijstand hebben gekregen van een advocaat, ouder(s) of een andere vertrouwenspersoon, hetgeen heeft kunnen leiden tot in deze tunnelvisie passende verklaringen.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat in het vooronderzoek bijzonder snel en zonder andere scenario’s te onderzoeken, is geconcludeerd dat de brand in de kas is veroorzaakt door het kampvuur van de verdachten. Echter nadat de rechtbank op verzoek van de verdediging een groot aantal getuigen heeft doen horen door de rechter-commissaris, is de officier van justitie, gezien de door haar ingediende vordering wijziging tenlastelegging, tot het inzicht gekomen dat er ten aanzien van die aanvankelijke verdenking onvoldoende bewijs voorhanden is. Mocht er al sprake zijn geweest van de door de raadsman bedoelde tunnelvisie, dan is hierdoor die visie doorbroken, welke visie overigens geen betrekking had op het thans tenlastegelegde. Alleen daarom levert dit geen schending van een behoorlijke procesorde kan op en leidt dus ook niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de raadsman terecht heeft aangevoerd dat is gehandeld in strijd met het aan de minderjarige verdachte toekomende recht op consultatie voorafgaand aan en bijstand tijdens de politieverhoren. Volgens de rechtbank is echter niet gebleken dat dit verzuim doelbewust of met grove onachtzaamheid van de verdedigingsbelangen is geschied, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Wel leidt dit verzuim tot uitsluiting voor het bewijs van de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen.

Gelijkheidsbeginsel

Voorts heeft de raadsman gesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, doordat de officier van justitie heeft besloten ten aanzien van een aantal medeverdachten van verdere vervolging af te zien.

De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van de vervolging het opportuniteitsbeginsel een zwaarwegend uitgangspunt is. Met het oog hierop maakt het feit dat niet alle mogelijke verdachten worden vervolgd niet zonder meer dat er sprake is van zodanige ontoelaatbare willekeur dat het gelijkheidsbeginsel in het geding is. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat een viertal medeverdachten niet verder wordt vervolgd omdat deze personen in haar visie geen of nauwelijks aandeel hebben gehad in het tenlastegelegde.

Met deze motivatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie, handelend in lijn met het opportuniteitsbeginsel, zich niet schuldig heeft gemaakt aan hiervoor bedoelde ontoelaatbare willekeur. Dat de motivatie van de officier van justitie in de ogen van de verdediging ontoereikend of onjuist is, doet daaraan niet af.

Vertrouwensbeginsel

Voorts is door de verdediging betoogd dat de onderhavige vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel, aangezien de politie soortgelijke kampvuren steevast heeft gedoogd. De politie heeft, volgens de raadsman, zelfs de bewuste avond gereageerd op het stoken van het vuurtje door de verdachten, met de enkele waarschuwing dat de jongeren wel een beetje moesten oppassen.

De rechtbank is van oordeel dat, ook al zou de politie eerder een dergelijke vuur hebben gedoogd, dit nog niet met zich brengt dat de officier van justitie dit feit niet zou mogen vervolgen. Wat er ook van zij, de bewering dat de politie zelfs op de bewuste avond het toen brandende vuur zou hebben toegestaan, maakt dit niet anders. Ook dan is er, ondanks de minderjarigheid van de verdachte, nog geen sprake van een zodanige aan de officier van justitie toe te schrijven toezegging dat daaraan een gerechtvaardigd vertrouwen dat hieromtrent geen vervolging zal worden ingesteld kan worden ontleend.

Evenredigheidsbeginsel en beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit

De raadsman heeft vervolgens naar voren gebracht dat de onderhavige vervolging in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat het hier een overdreven reactie betreft op een gering feit dat niet de kern van de aanvankelijke verdenking raakt, één en ander gezien in het licht van het leed dat de onderhavige kwestie al bij de verdachte heeft veroorzaakt.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De huidige verdenking betreft een minder zwaar feit dan het aanvankelijk tenlastegelegde. Het feit dat de officier van justitie ten aanzien van de aanvankelijke verdenking geen bewijs voorhanden acht, maakt niet dat zij de vervolging niet tot dit minder ernstige feit mag beperken. Daarbij deelt de rechtbank niet de visie van de raadsman dat het thans om een dermate gering feit gaat dat vervolging in strijd met juist genoemde beginselen zou zijn. Wel is de rechtbank van oordeel dat het onwenselijk lang geduurd heeft voordat de officier van justitie de beslissing de vervolging tot het thans tenlastegelegde te beperken heeft genomen, maar dit levert niet een door de raadsman bedoelde schending op.

Met uitzondering van het verzuim ten aanzien van het recht op consultatie en bijstand met als gevolg voornoemde bewijsuitsluiting, concludeert de rechtbank dat er noch afzonderlijk, noch in onderling verband bezien, sprake is van schending van een behoorlijke procesorde zoals door de raadsman geschetst. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

hij op 28 juni 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het Balijbos, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een deel van de ondergrond van) dat bosperceel en boeken en hooi en takken en platen, welk geweld bestond uit:

- het met een aansteker aansteken van meerdere boeken en

- op een hoop gooien van hooi en takken en houten platen en vervolgens dat hooi en die takken en die houten platen aan te steken met een aansteker en

- gooien van een spuitbus en houten platen op die brandende hoop.

Nadere bewijsoverwegingen.

In vereniging

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte geen deel heeft genomen aan het maken van het kampvuur. De enkele bijdrage van de verdachte was beperkt tot het halen van een enkele plaat samen met medeverdachte [A], die in stukken op het vuur is gegooid, met als enige reden het doven van het vuur.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het feit. De rechtbank baseert zich onder meer op de getuigenverklaring van [B], die bij de rechter-commissaris verklaart dat hij samen met de verdachte en medeverdachte [A] takken heeft gezocht. Voorts heeft ook medeverdachte [C] verklaard dat iedereen wat op het vuur heeft gegooid, omdat het vuur één of twee keer was uitgegaan.

Geweld

De raadsman heeft aangevoerd dat de openbare orde niet in het geding was en dat zelfs aangever [aangever] en diens echtgenote bij het zien van de jongens daar geen aanstoot aan hebben genomen.

Bovendien was het toegepaste ‘geweld’ niet van dien aard dat de openbare orde erdoor was verstoord.

De rechtbank is van oordeel dat het maken van vuur op de ondergrond van een bosperceel wel degelijk kan worden aangemerkt als geweldpleging tegen dat bosperceel en tegen de goederen die zijn gebruikt om het vuur aan te maken en aan te houden.

Er is sprake van geweld in de zin van het ten laste gelegde, indien zodanige kracht wordt aangewend dat het rechtsgoed – de openbare orde – daardoor in gevaar wordt gebracht. Het stoken van een aanzienlijk kampvuur en het verbranden van materiaal langs een fietspad, waar anderen ongevraagd mee geconfronteerd kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke de openbare orde verstorende kracht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering.

Bij de beantwoording van de vraag of aan verdachte een straf moet worden opgelegd en zo ja, welke, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft met zijn vrienden midden in de nacht langs een fietspad een aanzienlijk kampvuur gemaakt. Om het vuur gaande te houden hebben zij hout gesprokkeld, brandbaar materiaal verzameld en platen van een brug gesloopt. Nadat zij zagen dat er in een nabijgelegen kas brand was uitgebroken, zijn ze overhaast vertrokken.

Door het stoken van een kampvuur hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld gericht tegen goederen, waardoor in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving worden veroorzaakt. .

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister is de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het voorlichtingsrapport strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 30 september 2009, opgesteld en ondertekend door L.M. van de Wall (raadsonderzoeker), waarin wordt geadviseerd aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Dit advies is echter gegeven ten aanzien van de toenmalige verdenking van de brandstichting in de kas en nadien heeft de Raad voor de Kinderbescherming geen recente (aanvullende) rapportage opgesteld. De rechtbank zal dan ook rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verdachte in eerste instantie werd verdacht van een grote brand in een kas, waarbij er ruim zes miljoen euro aan schade was.

De door de verdediging verzochte onderzoekshandelingen bij rechter-commissaris hebben er uiteindelijk – 15 maanden na het feit – toe geleid dat de officier van justitie de verdenking van dit feit één week voor de terechtzitting op 4 oktober 2010 heeft laten vallen.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat deze verdenking en het hiervoor moeten verschijnen voor de meervoudige kamer van de rechtbank een enorme impact op de verdachte en diens familie hebben gehad.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval en het grote tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit, het opleggen van straf - al dan niet in voorwaardelijke vorm - geen strafrechtelijk doel meer dient. De rechtbank acht een schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel het meest op zijn plaats en zij zal dan ook zo beslissen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

9a, 77a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding ten laste gelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN GOEDEREN;

verklaart het bewezene en de verdachte te dier zake strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Soffers, kinderrechter,

en mr. I. Mantel, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 oktober 2010.