Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0996

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
371390 - KG ZA 10-900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag of gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en geen betalingsregeling ter zake van schadevergoedingsmaatregelen te accepteren. Eiser doet tevergeefs beroep op gelijkheidsbeginsel. In het door eiser bedoelde geval is het beleid verkeerd toegepast. Dit kan niet tot toewijzing van de vordering van eiser leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 371390 / KG ZA 10-900 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.P. Ruysink te Bunde,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. L.C.W.M. van Kessel te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Het procesverloop

1.1. [Eiser] heeft de Staat op 22 juli 2010 doen dagvaarden om op 3 augustus 2010 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en aangehouden in afwachting van nadere stukken van de zijde van de Staat en van een reactie daarop van de zijde van [eiser].

1.2. De hiervoor bedoelde stukken/reactie zijn op respectievelijk 6 augustus 2010 en 10 augustus 2010 ter griffie binnengekomen.

1.3. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 augustus 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Bij arrest van 26 november 2007 heeft de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden. Het Gerechtshof heeft aan [eiser], alsmede bij andere arresten aan zijn mededaders [mededader 1], hierna '[mededader 1]' en [mededader 2] - hoofdelijk - een drietal schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van in totaal € 63.677,48, bij gebreke van betaling te vervangen door in totaal 365 dagen hechtenis, zijnde het in dit geval geldende wettelijke maximum. Het arrest is op 26 juni 2008 onherroepelijk geworden.

2.2. Bij vonnis van 30 november 2007 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Maastricht is aan [eiser] de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.601.563,-- ter zake van wederrechtelijk verkregen voordeel, hierna te noemen 'de ontnemingsmaatregel'. Dit vonnis is nog niet in kracht van gewijsde.

2.3. De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau, hierna 'CJIB'. Bij brief van 13 juli 2008 is [eiser] aangeschreven voor de voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen.

2.4. Bij brief van 5 augustus 2008 heeft de advocaat van [eiser] namens zijn cliënt aan het CJIB een betalingsvoorstel gedaan, inhoudende dat [eiser] ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen, zolang hij gedetineerd is, maandelijks een bedrag van € 100,-- zal voldoen. Het CJIB heeft dit voorstel bij brief van 11 augustus 2008 afgewezen, omdat het totale bedrag van de schadevergoedingsmaatregelen binnen een termijn van 27 maanden dient te zijn voldaan. Hierop heeft het CJIB het inningstraject hervat en [eiser] op 1 september 2008 opnieuw aangeschreven voor de voldoening. Toen betaling door [eiser] uitbleef heeft het CJIB hem op 18 oktober 2008 en 8 december 2008 wederom aangeschreven om de schadevergoedingsmaatregelen, inclusief de wettelijk voorgeschreven verhoging, te voldoen.

2.5. [Eiser] is niet overgegaan tot betaling van de schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft hierop het inningstraject beëindigd en de zaak voor aansluitende ([eiser] is daar gedetineerd uit hoofde van de onder 2.1 bedoelde gevangenisstraf) executie van de vervangende hechtenis aangeboden aan de P.I. Roermond.

2.6. Bij brief van 13 januari 2009 is namens [eiser] opnieuw een betalingsvoorstel ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen aan het CJIB gedaan. Het CJIB heeft dit voorstel bij brief van 11 februari 2009 afgewezen, omdat de zaak inmiddels was aangeboden voor tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

2.7. [Eiser] heeft een kort geding aanhangig gemaakt voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank, waarin hij vorderde de Staat te verbieden om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen, totdat vast zou staan dat het schadebedrag niet uit het vermogen van [eiser] betaald kon worden. De Staat heeft naar aanleiding van de in die procedure door [eiser] naar voren gebrachte stelling dat hij over substantiële vermogensbestanddelen beschikt, de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis opgeschort en heeft een onderzoek naar de verhaalsmogelijkheden doen uitvoeren. Het kort geding is hierop ingetrokken.

2.8. Uit het onder 2.7. bedoelde onderzoek is gebleken dat [eiser] - mede in verband met de in het kader van de opgelegde ontnemingsmaatregel gelegde conservatoire beslagen - niet over substantieel vrij vermogen beschikt, waarna het CJIB de zaak op 30 juni 2010 wederom voor aansluitende tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis aan de P.I. Roermond heeft aangeboden.

2.9. De vervangende hechtenis zal op 27 november 2010 aansluitend aan de gevangenisstraf die door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch aan [eiser] is opgelegd, ten uitvoer worden gelegd.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. [Eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te verbieden de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen, alsmede veroordeling van de Staat om met hem een betalingsregeling te treffen, een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2. Daartoe stelt [eiser] - samengevat - het volgende.

[eiser] heeft op 5 augustus 2008 en 13 januari 2009 aan het CJIB betalingsvoorstellen gedaan met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft deze betalingsvoorstellen van de hand gewezen, terwijl met de medeveroordeelde van [eiser], [mededader 1], wel een betalingsregeling is getroffen. Derhalve is sprake van rechtsongelijkheid, hetgeen onrechtmatig is jegens [eiser]. Door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en geen betalingsregeling met [eiser] te treffen, handelt de Staat in strijd met de redelijkheid en billijkheid en derhalve onrechtmatig jegens [eiser].

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [Eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2. Kern van het geschil betreft de vraag of de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en geen betalingsregeling ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen te accepteren.

4.3. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

4.4. Uit artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Uit artikel 561 lid 4 Sv volgt verder dat een schadevergoedingsmaatregel in ieder geval binnen twee jaar en drie maanden (27 maanden) na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, moet zijn voldaan. De wijze waarop het CJIB deze maatregelen ten uitvoer legt, is neergelegd in de 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidsstelling' (Staatscourant 23 juni 2008, nr. 118, pagina 12), (hierna: de Aanwijzing). In de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan hiervan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding deze beslissingen in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

4.5. [Eiser] heeft aangevoerd dat het CJIB met een medeveroordeelde, [mededader 1], wel een afbetalingsregeling heeft getroffen betreffende dezelfde schadevergoedingsmaatregel, terwijl het verzoek tot het treffen van een afbetalingsregeling van [eiser] is afgewezen. Voorts heeft [eiser] ter zitting betoogd dat ook aan [mededader 1] een ontnemingsmaatregel was opgelegd. Volgens [eiser] is zijn situatie identiek aan die van [mededader 1] en is er in dit geval dus sprake van rechtsongelijkheid.

4.6. De Staat heeft als verweer aangevoerd dat de situatie van [eiser] op essentiële punten verschilt van die van [mededader 1]. Naar aanleiding van ter zitting opgekomen vragen ten aanzien van dit verweer heeft de voorzieningenrechter de Staat in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen als onder 1.1. vermeld. De Staat heeft vervolgens bij brief van 6 augustus 2010 het volgende aangevoerd.

Volgens de Staat is gebleken dat ook [mededader 1] bij vonnis van 30 november 2007 is veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit was echter niet bekend bij het CJIB, omdat het vonnis niet onherroepelijk is vanwege het door [mededader 1] daartegen ingestelde hoger beroep. Omdat er aanwijzingen waren dat [mededader 1] over vermogensbestanddelen zou beschikken die tot afdoening van de zaak zouden kunnen leiden (hij had die informatie in de inningsfase verstrekt), is ten aanzien van [mededader 1] na de zogenaamde inningsfase direct een incassofase gestart, in welke fase de deurwaarder een betalingsregeling met hem is overeengekomen. In het licht van de gegeven omstandigheden had de deurwaarder echter niet de betalingsregeling overeen mogen komen zoals hij heeft gedaan, omdat onder deze omstandigheden geen uitzicht bestaat op voldoening van de schademaatregelen binnen een redelijke termijn. In het geval van [eiser] is de ontnemingsmaatregel eveneens niet onherroepelijk, maar dit was bij het CJIB bekend via het verhaalsonderzoek van de deurwaarder (derhalve na het onder 2.7 genoemde kort geding). Uit dit onderzoek is gebleken dat [eiser] geen verhaalsmogelijkheden bood, waarna het CJIB tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is overgegaan. De Staat heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een onjuiste toepassing van beleid jegens [mededader 1] aan [eiser] niet het recht geeft dezelfde (foute) behandeling te eisen.

4.7. Eiser heeft hierop bij brief van 10 augustus 2010 gereageerd. Uit de mededeling van de Staat dat een fout is gemaakt ten aanzien van [mededader 1] concludeert eiser dat de Staat toegeeft dat sprake is van een grote rechtsongelijkheid. Voorts betoogt eiser dat hij zich, net als [mededader 1], in de incassofase bevindt en dat aan hem ook de gelegenheid moet worden geboden om een betalingsregeling te treffen voor een hoger bedrag dan € 100,- per maand, zoals het CJIB blijkens de brief van de Staat van 6 augustus 2010 aan [mededader 1] voornemens is aan te bieden.

4.8. Ten aanzien van het voorgaande wordt als volgt overwogen. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat iemand die conform beleid is behandeld niet via het gelijkheidsbeginsel kan afdwingen dat beleid, dat in een vergelijkbaar geval onjuist is toegepast, bij hem ook onjuist moet worden toegepast. Dan zou immers iedere verkeerde toepassing van beleid door de overheid leiden tot afschaffing van dat beleid. Zie Hoge Raad 13 maart 1981 (NJ 1981/346 met nt. CJHB).

Nu niet aannemelijk is geworden dat zich thans uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan ter wille van het gelijkheidsbeginsel (opnieuw) van het beleid moet worden afgeweken, heeft de Staat in redelijkheid kunnen beslissen dat aan [eiser] geen betalingsregeling wordt aangeboden.

4.9. Bij voormeld oordeel is tevens het volgende van belang. De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het CJIB bij de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel jegens [eiser] heeft gehandeld conform het bepaalde in de Aanwijzing. Het CJIB heeft volgens de Staat in de executiefase verhaalsonderzoek doen verrichten, nadat [eiser] had aangegeven over verhaalsmogelijkheden te beschikken. Vervolgens heeft de deurwaarder na uitgebreid onderzoek vastgesteld dat [eiser] geen verhaalsmogelijkheden bood, waarna overeenkomstig het bepaalde in de Aanwijzing een arrestatiebevel is uitgevaardigd voor tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De voorzieningenrechter verwerpt derhalve de stelling van [eiser] dat hij zich nog in de incassofase bevindt. Tevens geldt dat volgens vast beleid geen betalingsregelingen meer worden getroffen, indien een arrestatiebevel of een waarschuwing daartoe is uitgevaardigd.

4.10. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen moeten worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.079,-, waarvan

€ 816,- aan salaris advocaat en € 263,- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op

20 augustus 2010.

mvt/evm