Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0862

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
AWB 09/15432
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding / toerekenbaar onrechtmatig overheidshandelen / vermogensschade / immateriële schade tgv inbewaringstelling

Aan de orde is geweest de vraag of verweerder in casu gehouden is de door eiser gestelde schade te vergoeden die voortvloeit uit de intrekking op 19 december 2006 van de verblijfsvergunning driejarenbeleid asiel, de niet-verlenging van die vergunning en de ongewenstverklaring.

De rechtbank heeft geoordeeld dat met het besluit van 19 december 2006 sprake is van verwijtbaar onrechtmatig overheidshandelen. Dat verweerder in het geval van eiser het besluit van 19 december 2006 heeft genomen op basis van foutieve informatie, verschaft door een andere overheidsinstantie, doet hieraan niet af.

Ter zake van de gestelde materiële schade in de vorm van inkomensderving is geoordeeld dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De relevante geschonden norm betreft het onder voorwaarden aanspraak maken op een verblijfsvergunning. Deze norm strekt zowel bij een intrekking van een reeds verleende verblijfsvergunning als bij een weigering van een dergelijke vergunning niet tot bescherming tegen de door eiser geleden vermogensschade als gevolg van het niet kunnen verrichten van arbeid in loondienst.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade heeft eiser gesteld schade te hebben geleden vanwege de inbewaringstelling welke maatregel mede het gevolg is geweest van het besluit van 19 december 2006. Voor zover aan de weigering om tot schadevergoeding over te gaan het causaliteitsvereiste ten grondslag is gelegd, is het besluit rechtens onjuist bevonden. De vrijheidsontneming van eiser houdt immers rechtstreeks verband met het beëindigen van het rechtmatig verblijf van eiser bij het besluit van 19 december 2006.

De omstandigheid dat de aan eiser opgelegde bewaringsmaatregel en de voortduring daarvan voor rechtmatig zijn gehouden, staat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan de toewijzing van een schadevergoeding wegens immateriële schade in de weg. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat aan het gezag van gewijsde van genoemde uitspraken voorbij moet worden gegaan. (r.o. 2.38)

Beroep deels gegrond. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb door aan eiser een schadevergoeding toe te kennen over de periode gedurende welke hij in vreemdelingenbewaring heeft gezeten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 09 / 15432

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. L.F. Portier,

tegen

de minister van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

Op 28 april 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 maart 2009. Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar van 31 december 2007, gericht tegen het besluit van 29 november 2007, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van 1 oktober 2007 afgewezen. De gronden van het beroep dateren van 29 mei 2009.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

De openbare behandeling van het beroep door de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. X.J. Polak.

Op 12 april 2010 heeft de rechtbank het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Awb en op voet van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb doorverwezen naar een meervoudige kamer. De behandeling van het beroep is vervolgens hervat ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 19 juli 2010. Aldaar is eiser wederom verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich op die zitting laten vertegenwoordigen door mr. L.M.A. Hansen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.2. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van onbekende nationaliteit, is bij besluit van verweerder van 3 oktober 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”, geldig van 7 september 2001 tot 7 september 2006. Op 18 mei 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de hem verleende verblijfsvergunning.

2.3. Bij de beoordeling van de aanvraag van 18 mei 2006 is verweerder gebleken dat eiser bij onherroepelijk vonnis van 5 april 2004 door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te s’-Hertogenbosch is veroordeeld wegens overtreding van artikel 287 juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (poging tot doodslag) en wegens overtreding van artikel 310 en 311, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafrecht (diefstal uit woning). Eiser is bij dit vonnis veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 155 dagen, alsmede tot het betalen van een schadevergoeding van € 150,- subsidiair 3 dagen hechtenis. In voornoemde veroordeling heeft verweerder aanleiding gezien om bij besluit van 19 december 2006 de aan eiser verleende vergunning met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 in te trekken, de verlengingsaanvraag van 18 mei 2006 af te wijzen en eiser voorts op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ongewenst te verklaren. Verweerder heeft zich bij deze beslissingen gebaseerd op het Uittreksel Justitiële Documentatie van de Justitiële informatiedienst van 6 december 2006 (nummer 12498600-4244401) waarin vermeld staat dat genoemde misdrijven zijn gepleegd op 1 januari 2003 en op 19 oktober 2003.

2.4. Tegen voormeld besluit van 19 december 2006 heeft eiser op 4 januari 2007 bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende dat bezwaar (AWB 07/1077). Eiser heeft in dat verband betoogd dat enkel de datum 19 oktober 2003 als pleegdatum heeft te gelden en dat, daarvan uitgaande, het besluit als onrechtmatig is te beschouwen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 14 mei 2007 is dat verzoek (behandeld ter zitting op 12 april 2007) toegewezen, in die zin dat het verweerder verboden werd eiser hangende bezwaar uit te zetten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard bij nader inzien niet anders te kunnen dan het betoog van eiser betreffende de pleegdatum te volgen en dat verweerder heeft erkend dat 1 januari 2003 ten onrechte als uitgangspunt is genomen. Voorts dat de uiterste consequentie daarvan is dat het besluit ontoereikend is omdat de daaraan ten grondslag gelegde motivering tekort schiet.

2.5. Voorafgaand aan voornoemde uitspraak van 14 mei 2007 is eiser op 3 mei 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 23 mei 2007 heeft de rechtbank, zittingsplaats Almelo, het hiertegen ingestelde beroep (AWB 07/19561) ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding ter zake van de inbewaringstelling afgewezen. Het tegen de uitspraak van 23 mei 2007 ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 18 juni 2007 ongegrond verklaard.

2.6. Op 9 juli 2007 heeft eiser vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2006 (AWB 07/28011).

2.7. Op 11 juli 2007 is daarnaast beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Dit beroep (AWB 07/28214) is bij uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Almelo, van 25 juli 2007 ongegrond verklaard.

2.8. Bij besluit van 1 augustus 2007 is het bezwaar van 4 januari 2007 tegen het besluit van 19 december 2006 gegrond verklaard, de ongewenstverklaring opgeheven, de intrekking van de verblijfsvergunning ongedaan gemaakt en de geldigheidsduur van de oorspronkelijk verleende vergunning verlengd tot 7 september 2011. Gelijktijdig is ook de inbewaringstelling opgeheven. Hierop heeft eiser het genoemde beroep van 9 juli 2007 ingetrokken.

2.9. Op 1 oktober 2007 heeft eiser verweerder vervolgens verzocht hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van schade ten gevolge van het in zijn ogen onrechtmatige besluit van 19 december 2006. Achteraf bezien heeft eiser immers ten onrechte in vreemdelingenbewaring gezeten, heeft hij als gevolg daarvan materiële schade geleden in de vorm van inkomensderving en heeft hij immateriële schade geleden, aldus luidt – samengevat weergegeven – de onderbouwing van het verzoek. Met betrekking tot de materiële schade in de vorm van inkomensderving heeft eiser aangegeven dat zijn arbeidsovereenkomst met ingang van 12 mei 2007 was verlengd voor de duur van een jaar. Als gevolg van de gevangenhouding zou eiser zich eerst weer op 13 augustus 2007 bij zijn werkgever hebben kunnen melden. Met betrekking tot de geleden immateriële schade als gevolg van de inbewaringstelling heeft eiser wat de berekening betreft aangesloten bij de tarieven die worden gehanteerd in het kader van de bewaringsprocedures. Eiser heeft de totale schade berekend op een bedrag van € 12.400,17. In dat bedrag heeft eiser nog een bedrag opgenomen van € 124,50 inzake de betaalde eigen bijdrage met betrekking tot genoemd beroep van 9 juli 2007.

2.10. Bij besluit van 29 november 2007 heeft verweerder dit verzoek tot schadevergoeding op alle punten afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser bezwaar gemaakt.

2.11. Bij besluit van 10 november 2008 heeft verweerder de afwijzing onverkort gehandhaafd en is het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.12. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld bij schrijven van 23 december 2008 (AWB 08/42429). Bij uitspraak van 16 februari 2009 is het beroep gegrond verklaard omdat verweerder heeft verzuimd tijdig het procesdossier in te zenden.

2.13. Bij het thans bestreden besluit is de afwijzing van het verzoek onverkort gehandhaafd en is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Zakelijk weergegeven heeft verweerder die afwijzing doen steunen op de overweging dat er geen sprake zou zijn van een toerekenbaar onrechtmatig overheidshandelen. Voorts dat niet is voldaan aan het zogenoemde relativiteitsvereiste en dat niet is aangetoond dat er sprake is van causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de gestelde schade.

2.14. Daartegen is opnieuw beroep ingesteld. In beroep wordt als te vergoeden schade nog gevorderd een bedrag aan eigen bijdrage inzake het gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 november 2007 ten bedrage van € 449,--.

2.15. Allereerst ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of zij bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. Deze vraag beantwoordt zij bevestigend. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.16. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen – onder meer in de uitspraak van 6 mei 1997 (AB 1997, 229) en 19 juli 2006, (LJN AY4259) – is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid – ook indien dat verzoek niet op een specifieke wettelijke grondslag is gebaseerd – een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De bestuursrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen een dergelijk zogenoemd zuiver schadebesluit, indien die rechter dat ook is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, staat ook geen beroep open tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om schade die daardoor zou zijn veroorzaakt en kan tegen een afwijzende beslissing op het verzoek om schadevergoeding geen bezwaar worden gemaakt.

2.17. De rechtbank stelt op basis van de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting vast, dat eiser met de brief van 1 oktober 2007, waarin hij een uiteenzetting heeft gegeven van de aanleiding voor de geleden schade en de hoogte daarvan, heeft beoogd de bestuursrechtelijke weg te bewandelen. Nu tegen de (vermeende) schadeveroorzakende handeling – te weten het besluit van 19 december 2006, waarbij verweerder de eerder aan eiser verleende vergunning niet heeft verlengd maar met terugwerkende kracht heeft ingetrokken en waarbij hij voorts eiser ongewenst heeft verklaard – bezwaar openstond bij verweerder en vervolgens beroep bij de bijzondere bestuursrechter (de vreemdelingenrechter), acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het thans bestreden besluit. Dat eiser, zoals blijkt uit de ongedateerde dagvaarding die zich bij de gronden van bezwaar van 10 november 2008 bevindt, aanvankelijk een schadevergoedingsprocedure via de civiele rechter heeft willen voeren maar deze om hem moverende redenen niet heeft doorgezet, doet aan de bevoegdheid van de vreemdelingenrechter niet af.

2.18. Ten materiële overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

2.19. De vraag of verweerder in casu gehouden is de gestelde schade te vergoeden die voortvloeit uit de intrekking destijds van de verblijfsvergunning van eiser, de niet-verlenging van de vergunning en de ongewenstverklaring, beoordeelt de rechtbank aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de ter zake daarvan door de burgerlijke rechter gevormde jurisprudentie. Voor toekenning van schadevergoeding is aldus grond indien:

- er sprake is van een daad van de overheid;

- die onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;

- deze onrechtmatige daad de overheid is toe te rekenen;

- voorts de geschonden norm er toe strekt het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste als neergelegd in artikel 6:163 van het BW);

- er schade is en er voldoende causaal verband bestaat tussen de schade veroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

2.20. Ten aanzien van de voorwaarden als genoemd onder de eerste twee gedachtestreepjes overweegt de rechtbank als volgt.

2.21. Niet ter discussie staat dat met het besluit van 19 december 2006 sprake is geweest van een daad van de overheid. Wel staat vervolgens ter discussie of die daad onrechtmatig is geweest. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake is. Hiertoe heeft hij betoogd dat het besluit op bezwaar van 1 augustus 2007 geen vernietiging van het primaire besluit van 19 december 2006 behelst. Bij het besluit van 1 augustus 2007 is immers enkel het bezwaar van 4 januari 2007 tegen de drie deelbesluiten inzake de intrekking van de vergunning, het niet verlengen van de vergunning en de ongewenstverklaring gegrond verklaard, maar is niet tevens het primaire besluit van 19 december 2006 vernietigd. Tegen het besluit van 1 augustus 2007 heeft eiser geen beroep ingesteld, zodat dit besluit formele rechtskracht heeft verkregen. Uitgangspunt moet bijgevolg zijn dat het besluit van 19 december 2006 rechtmatig is en kan er reeds hierom geen reden zijn om het verzoek om schadevergoeding in te willigen, aldus verweerder.

2.22. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn onder 2.21 weergegeven standpunt. De rechtbank constateert dat met het besluit op bezwaar van 1 augustus 2007 naar de letter geen sprake is van een vernietiging dan wel herroeping van het besluit in primo van 19 december 2006 als bedoeld in het tweede lid van artikel 7:11 van de Awb. Immers verweerder heeft in rubriek 2 van het besluit volstaan met het gegrondverklaren van de bezwaren tegen de drie genomen deelbesluiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd dat de reikwijdte van het besluit niet verder strekt dan deze gegrondverklaring.

2.23. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat in de derde alinea van pagina 4 van het besluit van 1 augustus 2007 verweerder heeft overwogen dat het bezwaar, gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, gegrond wordt verklaard, ‘met dien verstande dat betrokkene geacht wordt in het bezit te zijn geweest van voornoemde verblijfsvergunning met een geldigheidsduur tot 7 september 2006’. In de vijfde, zesde, zevende en achtste alinea van voormelde pagina heeft verweerder vervolgens het volgende vermeld:

‘Zoals hierboven reeds is overwogen kan niet worden gesteld dat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde en is derhalve de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning niet per 1 januari 2003 ingetrokken. Nu het verblijfsrecht van betrokkene niet wegens inbreuk op de openbare orde is beëindigd kan betrokkene niet ongewenst worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid aanhef en onder b Vreemdelingenwet. Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding de ongewenstverklaring van betrokkene op te heffen. Het bezwaarschrift gericht tegen de ongewenstverklaring wordt gegrond verklaard.

Betrokkene heeft op 18 mei 2006 een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier. In de bestreden beschikking is overwogen dat deze aanvraag afgewezen diende te worden nu de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”met ingang van 1 januari 2003 was ingetrokken. Thans is echter gebleken dat betrokkene geacht wordt in het bezit te zijn geweest van voornoemde verblijfsvergunning met een geldigheidsduur tot 7 september 2006. Het bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur wordt dan ook gegrond verklaard.

Op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden bestaat aanleiding de geldigheidsduur van de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure” te verlengen.

De verblijfsvergunning wordt verlengd met ingang van 7 september 2006 geldig tot 7 september 2011’.

2.24. Hieruit blijkt naar dezerzijds oordeel dat met het gegrond verklaren van de bezwaren de facto sprake is van het herroepen van het besluit van 19 december 2006 omdat dat besluit achteraf is genomen in strijd met de daartoe strekkende bepalingen in de Vw 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser wordt geacht weer in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning over de periode van 1 januari 2003 tot 7 september 2006, welke vergunning vervolgens nog is verlengd tot 7 september 2011. Nu daarbij ook de ongewenstverklaring wegens strijd met het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is opgeheven, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van volledig herstel van de rechtsgevolgen van het ten onrechte genomen besluit van 19 december 2006. Dat, zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft bepleit, de gegrondverklaring van de bezwaren aldus moet worden gelezen dat deze gegrondverklaring niet verder strekt dan de opheffing van de ongewenstverklaring per 1 augustus 2007 en het hebben van rechtmatig verblijf met ingang van die datum, volgt de rechtbank niet. Behalve dat die opvatting niet strookt met de hierboven weergegeven overwegingen van het besluit, ligt een dergelijke opvatting juridisch inhoudelijk ook niet voor de hand. Een dergelijke opvatting zou er immers toe leiden dat er sprake zou zijn van een verblijfsgat van 1 januari 2003 tot 1 augustus 2007. Een dergelijk verblijfsgat zou betekenen dat de aanvraag om verlenging dient te worden opgevat als een aanvraag om toekenning. Het zou alsdan, gezien de op dat moment geldende regelgeving, niet voor de hand hebben gelegen om aan eiser een driejarenvergunning asiel toe te kennen.

2.25. Uit het voorgaande volgt dat de ten deze relevante daad van de overheid, het besluit van 19 november 2006, naar het oordeel van de rechtbank voor onrechtmatig moet worden gehouden.

2.26. Vervolgens dient zich de vraag aan of de onrechtmatige overheidsdaad aan verweerder toe te rekenen valt. De rechtbank is met eiser van oordeel dat sprake is van toerekenbaarheid aan de zijde van verweerder. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.27. Als grondslag voor de conclusie in het besluit van 19 december 2006, dat eiser – kort gezegd – een gevaar vormt voor de openbare orde, heeft (als gezegd) gediend het uittreksel Justitiële Documentatie van de Justitiële Informatiedienst van 6 december 2006 met nummer 12498600-4244401. In dit uittreksel is als pleegdatum voor het delict poging tot doodslag 1 januari 2003 vermeld. Uit het op dat uittreksel vermelde vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 april 2004 blijkt echter, zo heeft verweerder ook erkend, dat dit feit enkel bewezen is geacht op de datum 19 oktober 2003 en niet tevens ‘op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot 19 oktober 2003’.

2.28. De vaststelling van de voor een bevoegdheidsuitoefening relevante feiten is primair een taak van het bestuursorgaan. Haar verantwoordelijkheid voor een genomen besluit betekent dat zij heeft zorg te dragen voor de juistheid van de feitelijke grondslag daarvan. Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit immers de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dit beginsel weegt des te zwaarder ingeval sprake is van een voor de burger belastend besluit. Dat verweerder in het geval van eiser het besluit van 19 december 2006 heeft genomen op basis van foutieve informatie, komt hiermee naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van verweerder. Dat die foutieve informatie is verschaft door een andere overheidsinstantie doet hieraan niet af. Voorts mocht verweerder niet van eiser verlangen dat deze voorafgaande aan het besluit van 19 december 2006 reeds bekend zou zijn geweest met de foutieve vermelding van de pleegdatum op het uittreksel en dat deze van deze fout melding zou hebben gemaakt bij verweerder. Niet gebleken is immers dat aan eiser voorafgaand aan dat besluit (de inhoud van) het desbetreffende uittreksel is voorgehouden. Verweerders tegenwerping, dat eiser eerst hangende bezwaar de gestelde omissie met stukken heeft aangetoond, treft derhalve geen doel.

2.29. Ter zake van de gestelde materiële schade in de vorm van inkomensderving wordt vervolgens als volgt overwogen.

2.30. Door verweerder is niet ontkend dat sprake is geweest van schade vanwege gederfd inkomen uit arbeid. Ter zitting is desgevraagd door eisers gemachtigde bevestigd dat eiser gedurende de periode dat eiser in vreemdelingenbewaring was gesteld nog immer beschikte over een baan en er geen loondoorbetaling heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder is evenwel niet aan het relativiteitsvereiste voldaan, omdat in het geval van eiser de geleden materiële schade niet valt onder het beschermingsbereik van de geschonden norm. Ter nadere onderbouwing van dat standpunt heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 (JV 2007/348), waarin is verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (JV 2007/322). Ter zitting heeft verweerder overigens naar voren gebracht dat het in dit verband door hem in het bestreden besluit ingenomen bijkomende standpunt, dat eiser gedurende de inbewaringstelling een beroep had kunnen en dus moeten doen op een vervangende inkomensvoorziening, niet langer wordt gehandhaafd.

2.31. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat in zoverre niet aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan. De aan eiser verleende verblijfsvergunning wegens tijdsverloop in de asielprocedure strekt ertoe om aan eiser een bestendig verblijf te verlenen. Uitgangspunt van het driejarenbeleid asiel, zoals dat gold tot 1 januari 2003, was immers dat een vreemdeling, die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent zijn toelating en die de uitkomst van zijn procedure in Nederland mag afwachten, op grond van op die onzekerheid gebaseerde klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit werd gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, behoudens contra-indicaties. Dat het eiser bij de vergunningverlening van meet af aan was toegestaan arbeid te verrichten, doet aan voormelde strekking van de vergunning als zodanig niet af. Dat in de casus die heeft geleid tot de genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 sprake was van het ten onrechte niet verlenen van een vergunning en in het geval van eiser sprake is van het ten onrechte intrekken van een vergunning, maakt het oordeel van de rechtbank evenmin anders. De relevante geschonden norm betreft in beide situaties het onder voorwaarden aanspraak maken op een verblijfsvergunning. Deze norm strekt zowel bij een intrekking van een reeds verleende verblijfsvergunning als bij een weigering van een dergelijke vergunning niet tot bescherming tegen de door eiser geleden vermogensschade als gevolg van het niet kunnen verrichten van arbeid in loondienst.

2.32. Gelet op het vorenstaande houdt verweerders standpunt, dat voor wat betreft de inkomensschade niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan, stand. Mitsdien laat de rechtbank diens nadere standpunt, dat voor wat betreft deze schade aan het causaliteitsvereiste evenmin is voldaan, verder buiten beoordeling.

2.33. Vervolgens zijn partijen verdeeld over de vraag of er al dan niet sprake is van de door eiser in de onderhavige procedure gestelde immateriële schade en of deze voor vergoeding in aanmerking komt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.34. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 1996 (AB 1996,172) is overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106 van het BW, welk artikel ziet op vergoeding van immateriële schade, moet worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Niet betwist is dat de vrijheidsontneming van eiser op zichzelf te beschouwen is als een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser als ook op andere persoonlijkheidsrechten van eiser.

2.35. Eiser heeft bij zijn verzoek om schadevergoeding van 1 oktober 2007 gesteld immateriële schade te hebben geleden vanwege de inbewaringstelling welke maatregel mede het gevolg is geweest van het besluit van 19 december 2006. Verweerder heeft deze stelling aangemerkt als een onderdeel van het verzoek om schadevergoeding en heeft het verzoek ook in zoverre afgewezen en die afwijzing bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.

2.36. Voor zover verweerder aan de weigering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag heeft gelegd dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen dat aan verweerder valt toe te rekenen, houdt die weigeringsgrond geen stand. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen hierboven te dien aanzien is overwogen.

2.37. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder aan de weigering om de immateriële schade te vergoeden niet het relativiteitsvereiste ten grondslag heeft gelegd. Voor zover aan de weigering het causaliteitsvereiste ten grondslag is gelegd, is ook in zoverre het besluit rechtens onjuist. De vrijheidsontneming van eiser houdt immers rechtstreeks verband met het beëindigen van het rechtmatig verblijf van eiser bij het besluit van 19 december 2006.

2.38. De omstandigheid dat de aan eiser opgelegde bewaringsmaatregel en de voortduring daarvan bij uitspraken van 23 mei 2007 (welke uitspraak in hoger beroep is bevestigd) en 25 juli 2007 van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo voor rechtmatig zijn gehouden, staat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan de toewijzing van een schadevergoeding in de weg. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van dusdanige bijzondere omstandigheden dat aan het gezag van gewijsde van genoemde uitspraken voorbij moet worden gegaan. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat verweerder, alhoewel verweerder tijdens de behandeling ter zitting van de voorlopige voorziening op 12 april 2007 te kennen heeft gegeven dat het besluit van 19 december 2006 ter zake van de aldaar gehanteerde pleegdatum onjuist is en zodoende qua motivering te kort schiet, desalniettemin is overgegaan tot inbewaringstelling van eiser op 3 mei 2007. Voorts heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat eiser de hem ten dienste staande rechtsmiddelen tegen het besluit van 19 december 2006 heeft aangewend en het al dan niet rechtmatig zijn van het besluit van 19 december 2006 in de door eiser aangespannen procedures met betrekking tot de hem opgelegde bewaringsmaatregel en de voortduring geen rol speelt. Voorts heeft de rechtbank in haar beoordeling meegewogen dat verweerder het besluit op bezwaar van 1 augustus 2007 heeft genomen met een ruime overschrijding van de daarvoor staande beslistermijn.

2.39. Gelet hierop komt het bestreden besluit, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de als gevolg van de inbewaringstelling geleden immateriële schade, voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het vorengenoemde bezwaar van eiser gegrond te verklaren en aan eiser een schadevergoeding toe te kennen over de periode gedurende welke hij in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, te weten van 3 mei 2007 tot 1 augustus 2007 (91 dagen). Uitgangspunt bij de vaststelling van die schadevergoeding vormt naar dezerzijds oordeel de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,-- voor elke dag dat eiser in een politiebureau heeft verbleven en € 70,-- voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. Niet betwist is door verweerder dat eiser, zoals in de gronden van beroep is gesteld, gedurende deze periode 7 dagen in een politiebureau heeft verbleven en de overige dagen in het huis van bewaring. In totaal bedraagt de schadevergoeding aldus (7 * € 95,-- + 84 * € 70,-- =) € 6.545,--.

2.40. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 3 punten toegekend, te weten

- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift op 28 april 2009 (€ 322,--);

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 13 oktober 2009 (€ 437,--) en

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 19 juli 2010 (€ 437,--).

Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

2.41. Voorts overweegt de rechtbank in dit verband nog dat eiser verzocht heeft om vergoeding van door hem aan zijn gemachtigde betaalde eigen bijdragen. Voor zover dit verzoek ziet op de betaalde eigen bijdrage van € 124,50 ter zake van het zogenoemde ‘beroep fictief’ van 9 juli 2007 met het procedurenummer AWB 07/28011, is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek niet voor honorering in aanmerking komt, reeds omdat eiser daartoe bij de intrekking van dat beroep gelijktijdig een verzoek om een proceskostenveroordeling had kunnen en derhalve had moeten doen, gelet op het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb.

2.42. De door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek van 1 oktober 2007 aan zijn gemachtigde in verband met een afgegeven toevoeging verschuldigde eigen bijdrage, komt evenmin voor separate vergoeding in aanmerking. Tussen eiser en zijn gemachtigde kan verrekening plaatsvinden van deze eigen bijdrage met eventuele te vergoeden proceskosten in bezwaar. Een verzoek om vergoeding van de proceskosten is in de bezwaarfase door eiser echter niet gedaan.

2.43. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag aan proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.44. Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- dient te worden vergoed.

2.45. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de als gevolg van de inbewaringstelling geleden immateriële schade, en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

bepaalt dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat vernietigd is en verklaart het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de als gevolg van de inbewaringstelling geleden immateriële schade, gegrond;

bepaalt dat verweerder aan eiser een schadevergoeding dient te betalen van € 6.545,--;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 1196,-- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. B.W.P.M. Corbey-Smits (voorzitter), A.W.P. Letschert en L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. mr. B.W.P.M. Corbey-Smits,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 13 oktober 2010

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.