Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0493

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
AWB 09/45943
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ7947, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / uitzetting via Mogadishu

Ter zitting van 17 september 2010 heeft verweerder in reactie op het betoog van eiser dat hij – kort gezegd – vanwege de onveilige situatie in Somalië niet kan worden uitgezet, verklaard dat uitzetting van eiser per vliegtuig naar het vliegveld van Mogadishu zal plaatsvinden en van daaruit per vliegtuig verder naar Galgadud. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van zowel maart 2009 als oktober 2009 komt naar voren dat de veiligheidssituatie in Mogadishu slecht is, dat in Mogadishu geregeld (in vaak lukrake aanvallen) zware wapens als artillerie, mortieren en bermbommen werden gebruikt, waarbij veel burgerslachtoffers vielen, dat sprake is van willekeurig geweld en ernstige verspreide schendingen van mensenrechten en dat het niet mogelijk is een duidelijk onderscheid te maken in de veiligheidssituaties in diverse wijken in Mogadishu. Voorts heeft de Afdeling in de uitspraken van 26 januari 2010 en 9 september 2010, LJN: BL1483 en LJN: BN6728, geoordeeld dat – kort gezegd –, gelet op de aard en intensiteit van het geweld als gevolg van het conflict en de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking van Mogadishu, verweerder met de enkele stelling, dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, ontoereikend heeft gemotiveerd dat de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van belang in Mogadishu een zodanige situatie voordeed. Verweerder heeft niet gesteld dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu ten opzichte van toen thans wezenlijk is verbeterd. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de veiligheidssituatie van eiser bij uitzetting via het vliegveld van Mogadishu wezenlijk verschilt van vreemdelingen afkomstig uit Mogadishu, ten aanzien waarvan verweerder volgens laatstgenoemde uitspraken van de Afdeling ontoereikend heeft gemotiveerd dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zich in Mogadishu een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/45943

Uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2010

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

nationaliteit Somalische,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.C.J. Letmaath,

tegen

de minister van Justitie; voorheen: de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 10 december 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij mr. N. Hamzaoui.

Op 28 juli 2010 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 17 september 2010, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij mr. drs. M.F. van der Lubbe.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de weigering om eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser verkocht vanaf 2002 qat aan mensen. In 2006 kreeg hij een waarschuwing van Al Shabab dat hij moest stoppen met de verkoop van qat. De qat van eiser werd verbrand en eiser werd twee uur vastgehouden en mishandeld. In november 2008 werd eiser opnieuw gewaarschuwd door Al Shabab in verband met zijn verkoop van qat, waarop hij stopte met de verkoop ervan. Op 25 februari 2009 werd eiser door zes mannen van Al Shabab opgepakt bij zijn huis. Eiser werd meegenomen naar een plek in de bossen en moest trainingen volgen voor de Jihad. Na negen dagen kon eiser ontsnappen toen de vijftig bewakers sliepen. Eiser besloot daarop zijn land te verlaten.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat eiser verwijtbaar geen nationaliteits-, identiteits- en reisdocumenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft overgelegd. Immers, eiser heeft zich in Ethiopië ontdaan van belangrijke documenten, namelijk zijn geboorteakte (achtergelaten op last van de reisagent) en nationaliteitsverklaring dan wel verklaring van de burgemeester (weggegooid). Voorts heeft eiser zijn reisverhaal niet onderbouwd met het tijdens zijn reis gebruikte paspoort en vliegticket. Eiser heeft verklaard dat deze documenten in Nederland na de controle op het vliegveld zijn ingenomen door zijn reisagent. Nu eiser op dat moment reeds in Nederland was, alwaar de bescherming van de Nederlandse autoriteiten kon worden ingeroepen, is deze omstandigheid aan eiser toe te rekenen, aldus verweerder. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder er voorts nog op gewezen dat eiser niet in staat is gebleken om gedetailleerde verklaringen omtrent zijn reisroute te geven, terwijl dat wel van hem mocht worden verwacht.

4. Gelet op de daaraan in de besluitvorming ten grondslag gelegde motivering heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar zijn geboorteakte en nationaliteitsverklaring dan wel verklaring van de burgemeester niet heeft overgelegd. In hetgeen eiser in dit verband in zijn beroepsgronden heeft aangevoerd – die overigens grotendeels een herhaling zijn van hetgeen in de zienswijze reeds is aangevoerd en waarop verweerder in het bestreden besluit genoegzaam is ingegaan – ziet de rechtbank geen grond voor een andersluidend oordeel. Evenzeer heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van eiser mocht worden verlangd dat hij zich onverwijld had gemeld bij de Nederlandse autoriteiten onder overlegging van zijn gebruikte paspoort en vliegticket. De door eiser gestelde afhankelijkheid van zijn reisagent doet niet af aan eisers eigen verantwoordelijkheid in dezen. De stelling van eiser dat hij geen idee had waar en hoe hij asiel kon aanvragen in Nederland, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich eveneens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in staat is gebleken om gedetailleerde verklaringen omtrent zijn reisroute te geven, terwijl dat wel van hem mocht worden verwacht. Verweerder heeft dan ook terecht het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser tegengeworpen.

5. Indien er, zoals hier het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig te kunnen worden geacht.

6. Verweerder stelt zich – blijkens het (voornemen tot het) bestreden besluit – op het standpunt dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en dat de gebeurtenissen die volgens dit relaas hebben plaatsgevonden niet geloofwaardig zijn te achten. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder ten eerste gemotiveerd uiteengezet dat eiser steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent het vluchtverhaal en de verblijfplaats van zijn familieleden en zijn relatie tot de door hem genoemde pleegkinderen. Voorts heeft eiser wisselende verklaringen afgelegd over het al dan niet in het openbaar kunnen verkopen van qat, aldus verweerder. Begrijpelijk is het als Al Shabab aan de macht is, dat er geen sprake kan zijn van verkoop in het openbaar van qat, nu hij daarvoor een aantal keren zou zijn gewaarschuwd. Eiser heeft echter in het nader gehoor verklaard dat Al Shabab vanaf augustus 2008 tot aan zijn vertrek (in maart 2009) weer aan de macht was, terwijl hij eveneens heeft verklaard dat hij in het openbaar op de markt qat aan het verkopen was in november 2008. Volgens verweerder is voorts niet aannemelijk dat iemand die tegen zijn wil is meegenomen, wordt voorzien van een wapen en geacht wordt na negen dagen al met een geweer voor Al Shabab te gaan vechten. Ook de ontsnapping van eiser uit handen van Al Shabab (hij zou met twee anderen hebben weten te ontsnappen aan 50 slapende bewakers juist op het moment dat zij de volgende dag voorzien zouden worden van wapens en tegen de vijand zouden moeten vechten) wordt door verweerder niet aannemelijk geacht. Daarnaast valt volgens verweerder niet in te zien waarom het gezin van eiser zou zijn gevlucht naar het onrustige zuiden (naar het ontheemdenkamp Eelasha Biyaha, gelegen iets ten zuiden van Mogadishu, op 400 kilometer vanaf eisers gestelde woonplaats), terwijl de veilige gebieden in het noorden van Somalië aanzienlijk dichterbij zijn en de grens met Ethiopië op ongeveer 50 kilometer ligt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en in zijn geheel ongeloofwaardig is te achten. De verwijzing in beroep naar het lage scholingsniveau van eiser, naar zijn beroep (schilder) en naar de gestelde omstandigheid dat hij niet heeft geleerd zich heel precies uit te drukken, biedt – wat daarvan ook zij – onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas als geheel positieve overtuigingskracht mist. Hetgeen eiser overigens in beroep heeft aangevoerd, leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat dit grotendeels een herhaling betreft van hetgeen reeds in de zienswijze naar voren is gebracht en waarop verweerder in het bestreden besluit genoegzaam is ingegaan.

8. Uit het voorgaande volgt dat, nu verweerder de door eiser in zijn asielrelaas gestelde gebeurtenissen en omstandigheden in redelijkheid niet geloofwaardig heeft kunnen achten, tevens niet aannemelijk is te achten dat er individuele feiten en omstandigheden zijn, die aanleiding geven om aan te nemen dat eiser deswege te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

9. Dit betekent dat verweerder terecht heeft besloten om eiser op basis van zijn asielrelaas niet in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

10. Met betrekking tot de vraag of het besluit van verweerder om eiser niet in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b of c, van de Vw 2000, de toets in rechte kan doorstaan, overweegt de rechtbank als volgt.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat eiser op basis daarvan niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b of c, van de Vw 2000.

12. Eiser heeft tevens een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van de Europese Raad van 29 april 2004 (hierna: de richtlijn).

13. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010, LJN: BN6714) volgt dat uit punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009 in zaak C-465/07, JV 2009/111, gelezen in samenhang met de punten 35 tot en met 40 van dit arrest, kan worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 in de zaak met nummer 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, JV 2008/329, - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

14. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit [plaats], provincie Galgadud. Galgadud is gelegen in Centraal-Somalië.

15. Eiser heeft ter adstructie van evenbedoeld beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in zijn zienswijze, onder verwijzing naar ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken over Somalië, informatie van Amnesty International over Somalië en naar relevante rechtspraak, gemotiveerd uiteengezet dat en waarom in Centraal-Somalië sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld.

16. Naar het oordeel van de rechtbank schiet verweerders weerlegging van deze uiteenzetting in het bestreden besluit, mede gelet op de slechte veiligheidssituatie in geheel Zuid- en Centraal-Somalië ten tijde van belang, tekort. Verweerder stelt weliswaar dat het gestelde in het ambtsbericht van 2009 is meegewogen in de besluitvorming, maar maakt in het bestreden besluit op geen enkele wijze inzichtelijk dat en waarom naar de mening van verweerder geen sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld. De verwijzingen in het bestreden besluit naar het voornemen kunnen verweerder niet baten, omdat in het voornemen niet is ingegaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

17. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het besluit in zoverre moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

18. Met betrekking tot de vraag of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8;72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, overweegt de rechtbank als volgt.

19. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift van 3 juni 2010 (onder 3.5) en in de brief van 14 september 2010 gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom eiser niet op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven bescherming. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de mate van willekeurig geweld in Somalië in het algemeen en in het gebied waaruit eiser afkomstig is in het bijzonder niet zodanig hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, ten tijde hier van belang een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven ernstige schade. In hetgeen eiser hiertegen ingebracht heeft (waaronder de door hem in de besluitvormingsfase en beroepsfase overgelegde stukken) ziet de rechtbank, mede gezien de uitspraken van de Afdeling van

9 september 2010, LJN: BN6722, LJN: BN6714 en LJN: BN6705, onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. De door eiser overgelegde stukken geven informatie over de algemene veiligheidssituatie in Somalië, maar zien niet specifiek op het gebied waaruit hij afkomstig is, de provincie Galgadud. Voor een aanhouding van de zaak om eiser in de gelegenheid te stellen deze stukken alsnog over te leggen, zoals door hem is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat eiser daartoe reeds voldoende gelegenheid heeft gehad.

20. In zoverre komt eiser evenmin op voet van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

21. Het voorgaande laat onverlet dat uit vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2002, LJN: AH9548, de rechter de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel dient te toetsen in het licht van het mede daaraan ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw verbonden rechtsgevolg dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

22. Ter zitting van 17 september 2010 heeft verweerder in reactie op het betoog van eiser dat hij – kort gezegd – vanwege de onveilige situatie in Somalië niet kan worden uitgezet, verklaard dat uitzetting van eiser per vliegtuig naar het vliegveld van Mogadishu zal plaatsvinden en van daaruit per vliegtuig verder naar Galgadud. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van zowel maart 2009 als oktober 2009 komt naar voren dat de veiligheidssituatie in Mogadishu slecht is, dat in Mogadishu geregeld (in vaak lukrake aanvallen) zware wapens als artillerie, mortieren en bermbommen werden gebruikt, waarbij veel burgerslachtoffers vielen, dat sprake is van willekeurig geweld en ernstige verspreide schendingen van mensenrechten en dat het niet mogelijk is een duidelijk onderscheid te maken in de veiligheidssituaties in diverse wijken in Mogadishu. Voorts heeft de Afdeling in de uitspraken van 26 januari 2010 en 9 september 2010, LJN: BL1483 en LJN: BN6728, geoordeeld dat – kort gezegd –, gelet op de aard en intensiteit van het geweld als gevolg van het conflict en de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking van Mogadishu, verweerder met de enkele stelling, dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, ontoereikend heeft gemotiveerd dat de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van belang in Mogadishu een zodanige situatie voordeed. Verweerder heeft niet gesteld dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu ten opzichte van toen thans wezenlijk is verbeterd. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de veiligheidssituatie van eiser bij uitzetting via het vliegveld van Mogadishu wezenlijk verschilt van vreemdelingen afkomstig uit Mogadishu, ten aanzien waarvan verweerder volgens laatstgenoemde uitspraken van de Afdeling ontoereikend heeft gemotiveerd dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zich in Mogadishu een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn voordoet.

23. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank geen termen aanwezig de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

24. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij in het bezit had dienen te worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, aangezien het door verweerder gevoerde categoriale beschermingsbeleid voor Somalië nog niet was afgeschaft ten tijde van zijn asielaanvraag, overweegt de rechtbank voorts nog als volgt. Ten tijde van het bestreden besluit (16 november 2009) was immers Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2009/16 van kracht (in werking getreden op 29 juli 2009), waarin verweerder heeft aangegeven dat hij heeft besloten het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië te beëindigen. In dit WBV is daarnaast bepaald dat de beleidswijziging terugwerkt tot 19 mei 2009. Aangezien de aanvraag van eiser dateert van ná die datum (te weten: 9 juni 2009), is de beleidswijziging ook op deze aanvraag van toepassing. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010, LJN: BN6722. Het betoog van eiser faalt derhalve. Voor zover eiser heeft gesteld dat het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië ten onrechte is beëindigd, is de rechtbank – in navolging van de Afdeling in haar uitspraken van 9 september 2010, LJN: BN6714 en LJN: BN6705 – van oordeel dat verweerder, in redelijkheid tot beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië heeft kunnen besluiten. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd maakt dit niet anders, mede nu aan verweerder ter zake van de vraag of aanleiding bestaat voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een ruime beoordelingsvrijheid toekomt.

25. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Als eiser niet wil berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat hij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als hij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgronden.

26. Nu het beroep gegrond wordt verklaard acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.311,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 2 punten voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

27. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

28. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2009;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.311,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzitter en mr. J. van Berchum en mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: