Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0440

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
376266 - KG ZA 10-1170
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3170, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rustenburgerbrug. Partijen verschillen van mening over de vraag of ProRail met de door haar op 1 januari 2010 opgeleverde brug een ‘definitieve ontsluiting’ van de percelen van [A] cs heeft gerealiseerd. Beoordeeld moet worden wat de omvang is van de zakelijke rechten van [A] cs met betrekking tot de toegang tot hun percelen en op welke wijze ProRail [A] cs door een ‘definitieve ontsluiting’ in staat dient te stellen die zakelijke rechten uit te oefenen. Daarbij dient de vraag beantwoord te worden of het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 door [A] cs nog ten uitvoer mag worden gelegd. Naar voorlopig oordeel heeft ProRail voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een definitieve ontsluiting van de percelen van [A] cs heeft gerealiseerd. Dit brengt met zich dat de voorlopige voorzieningen zoals opgelegd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 hun werking hebben verloren, zodat ProRail niet langer gehouden is een pontonbrug te huren en bedieningsgeld te voldoen. [A] cs zijn derhalve niet langer gerechtigd het genoemde vonnis te executeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 376266 / KG ZA 10-1170

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ProRail B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G.C.W. van der Feltz te ’s-Gravenhage,

tegen:

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

handelende onder de naam Fa. [X],

wonende te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

4. [D],

wonende te [woonplaats],

5. a. [E1],

wonende [woonplaats],

b. [E2],

wonende te [woonplaats],

c. [E3 ],

wonende te [woonplaats],

d. [E4],

wonende te [woonplaats],

tezamen handelende onder de naam V.O.F. [Y] en zn.,

gevestigd te [woonplaats],

6. [F],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M. Koudstaal te Haarlem.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ProRail’ en ‘[A] c.s.’.

1. De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 oktober 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Tussen [A] c.s. als eisers en de Nederlandse Spoorwegen N.V., thans ProRail, hierna te noemen ‘NS’, als gedaagde bestaat reeds jaren verschil van mening over de rechten van [A] c.s. met betrekking tot de toegang tot hun percelen, die zij gebruiken voor de bollenteelt. Deze percelen zijn toegankelijk via het water, onder meer via de Leidsevaart. Voorts konden de percelen bereikt worden via een onverharde weg over het land van een zekere [Z] (geen partij in dit kort geding), ‘de Rustenburgerlaan’, die uitkomt op een brug, ‘de Rustenburgerbrug’, die weer leidt naar een overweg over het spoor van ProRail (traject Leiden-Haarlem).

1.2. In 1993 heeft NS de Rustenburgerbrug en de ter plaatse aanwezige spoorwegovergang verwijderd. In een naar aanleiding daarvan gevoerde kort gedingprocedure hebben [A] c.s. en NS op 4 juli 1994 afgesproken dat NS een pontonbrug over de Leidsevaart mogelijk maakt, welke pontonbrug door een op kosten van NS aan te stellen persoon zal worden bediend. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de president van de rechtbank Utrecht, rechtdoende in kort geding, van 9 juli 1997, blijkt dat partijen tijdens die terechtzitting zijn overeengekomen dat NS ervoor zal zorgen dat de pontonbrug, gelegen in en over de Leidsevaart te Hillegom, gehandhaafd blijft totdat een definitieve ontsluiting van de aan [A] c.s. toebehorende percelen zal zijn gerealiseerd, onder de verplichting voor NS om de achterstallige en toekomstige vergoedingen voor de bediening van deze pontonbrug te voldoen.

1.3. [A] c.s. zijn tegen NS een bodemprocedure gestart waarin gevorderd werd wederaanleg van de Rustenburgerlaan in zijn oorspronkelijke vorm, in volgens de eisen van de moderne tijd aangepaste uitvoering met onder andere de mogelijkheid van gebruik door werkverkeer tot een gewicht van 40 ton. Bij vonnis van deze rechtbank van 28 april 1999 is – voor zover thans relevant – het volgende bepaald:

(…)

3.2 De rechtbank is van oordeel dat op grond van hetgeen in de loop van de onderhavige procedure naar voren is gebracht moet worden vastgesteld dat het ter plaatse van de voormalige spoorwegovergang en Rustenburgerbrug gelegen perceel van NS is bezwaard met een erfdienstbaarheid ten behoeve van de aan de westzijde van de spoorlijn gelegen landbouwpercelen die momenteel in gebruik zijn bij [A] c.s., ten minste inhoudende dat [A] c.s. via die voormalige brug en spoorwegovergang hun percelen konden bereiken.(…)

3.3 (…)

Met name is in generlei opzicht gebleken dat de bestaande erfdienstbaarheid zodanig moet worden opgevat dat deze naar zijn inhoud dan wel met inachtneming van plaatselijke gewoonte er toe zou dienen te strekken om landbouwverkeer tot 40 ton mogelijk te maken.

3.4 Het hiervoor onder 3.2 en 3.3 overwogene brengt met zich dat de vordering van [A] c.s. (…) slechts dient te worden toegewezen voor zover strekkend tot het bestaan van een erfdienstbaarheid tot gebruik door [A] c.s. van de (voormalige) Rustenburgerbrug en de daarachter gelegen (voormalige) spoorwegovergang om hun aan de westzijde van de spoorweg gelegen landbouwgronden te bereiken en voor het overige moet worden afgewezen.

(…)”.

1.4. [A] c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen het onder 1.3. genoemde vonnis.

1.5. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 is NS onder meer veroordeeld tot handhaving van de pontonbrug in de Leidsevaart en tot betaling van de vergoeding voor de bediening van deze brug aan [A] c.s., totdat een definitieve ontsluiting van de aan [A] c.s. toebehorende percelen zal zijn gerealiseerd, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag met een maximum van € 250.000,--. Dit vonnis is op 7 januari 2010 aan ProRail betekend.

1.6. In de procedure in hoger beroep tussen [A] c.s. en NS heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 29 december 2005 een tussenarrest gewezen. In dit arrest is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“(…)

20. Mede op grond van de getuigenverhoren deelt het hof genoemd oordeel van de rechtbank. Uit de verhoren komt immers naar voren dat de brug – totdat het berijden daarvan door achterstallig onderhoud te gevaarlijk werd – hooguit en min of meer regelmatig werd gebruikt door betrekkelijk licht vracht- en werkverkeer. Getuige [getuige 1] spreekt onder meer over paarden en wagens (1951/1953) en verderop in zijn verklaring over “lichtere vrachtauto’s met laadvermogen van zo’n drieëneenhalf à vier ton” die hij in de jaren zestig wel eens over de brug en de laan heeft zien rijden. Ook verklaart hij dat hij met zijn eigen tractor van die route gebruik maakte ten behoeve van het zogenaamde verplegingswerk. Getuige [getuige 2] verklaart over een kleine trekker en een holder waarop maximaal tien manden met bollen pasten en waarmee over de laan en de brug werd gereden, waaraan hij toevoegt nooit gezien te hebben dat vrachtwagens van de brug gebruik maakten. Ook de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] verklaren over vervoer over de brug door middel van tractoren met aangekoppelde machines en lichte vrachtwagens. Zij schatten het totale gewicht van die combinaties op 3 à 4 ton, respectievelijk op zeker 3,5 ton. Getuige [getuige 5] is de enige die heeft verklaard over zware vrachtauto’s van 30, 40 en 50 ton, maar hij heeft daarbij uitdrukkelijk vermeld dat daarmee over de Rustenburgerlaan tot aan de brug werd gereden, omdat de brug niet geschikt was voor die vrachtauto’s die 10 ton per as wegen.

21. Gelet op deze getuigenverklaringen, in onderling verband gezien, en onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverweging 15 van het tussenarrest is overwogen ten aanzien van artikel 5:73, eerste lid, BW, kunnen [A] c.s. aan de bestaande erfdienstbaarheid – en evenmin aan enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel – geen aanspraak ontlenen op wederaanleg van de Rustenburgsituatie in een uitvoering die is aangepast aan de eisen van de moderne tijd en geschikt gemaakt voor gebruik door werkverkeer van en naar hun percelen “tot, op dit moment, 40 ton gewicht”, zoals gevorderd. De rechtbank heeft die vordering dan ook terecht afgewezen.(…)”.

1.7. In het eindarrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 november 2007 is – voor zover hier relevant – het volgende overwogen en beslist:

“(…)Dit brengt mee, dat er thans van wordt uitgegaan dat ook de Rustenburgerlaan (het perceel van [Z]) was en is bezwaard met een erfdienstbaarheid ten gunste van [A] c.s. met dezelfde inhoud als door de rechtbank ten aanzien van het perceel van NS omschreven.(…)

3. In het tussenarrest van 29 december 2005 werd reeds overwogen dat grief I in het principaal appel, betreffende de vraag of [A] c.s. aanspraak kunnen maken op het geschikt maken van de Rustenburgsituatie voor het gebruik van de erfdienstbaarheden door werkverkeer tot een gewicht van 40 ton, faalt(…).

(…)

6. De slotsom in het principaal appel is dat het vonnis zal worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarbij in conventie de vordering tot betaling van een schadevergoeding en verwijzing naar een schadestaatprocedure werd afgewezen en voor zover daarbij de reconventionele vordering van NS tot verlegging van de erfdienstbaarheid naar de Frederikslaan-optie werd toegewezen.

(…)

Beslissing

(…)

- vernietigt het bestreden vonnis van 28 april 1999 en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering van [A] c.s. toe voor zover strekkende tot het bestaan van een erfdienstbaarheid tot gebruik door [A] c.s. van de (voormalige) Rustenburgerbrug en de daarachter gelegen (voormalige) spoorwegovergang om hun aan de westzijde van de spoorweg gelegen landbouwgronden te bereiken;

- veroordeelt NS en [Z] tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(…)

- wijst af al het anders of meer door [A] c.s. gevorderde;

(…)”.

1.8. Door middel van een dagvaarding van 19 november 2008 hebben [A] c.s. een schadestaatprocedure tegen ProRail aanhangig gemaakt, waarin zij stellen schade te hebben geleden als gevolg van het weghalen van de Rustenburgerbrug en de spoorwegovergang in 1993 en waarin zij herstel van de brug ex artikel 6:103 van het Burgerlijk Wetboek vorderen. Het vonnis in deze procedure wordt verwacht op 17 november 2010.

1.9. Bij brief van 21 december 2009 – die door partijen niet is overgelegd – hebben [A] c.s. ProRail gesommeerd om de pontonbrug te handhaven en de vergoeding voor de bediening daarvan aan [A] c.s. te blijven betalen totdat ProRail een definitieve ontsluiting van de percelen aan [A] c.s. beschikbaar heeft gesteld.

1.10. ProRail heeft de Rustenburgerbrug heraangelegd en heeft deze op 1 januari 2010 opgeleverd.

1.11. Bij brief van 5 augustus 2010 heeft de advocaat van [A] c.s. aan de advocaat van ProRail meegedeeld dat [A] c.s. hebben geconstateerd dat de huur van de pontonbrug is opgezegd en dat ProRail de vergoeding voor de bediening daarvan sinds 1 januari 2010 niet meer voldoet, terwijl volgens [A] c.s. nog geen sprake is van een definitieve ontsluiting van hun percelen. [A] c.s. maken dan ook aanspraak op verbeurde dwangsommen tot het in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht bepaalde maximum van € 250.000,--.

1.12. Bij exploit van 6 oktober 2010 hebben [A] c.s. de executie van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 aan ProRail aangezegd. Ter zitting hebben [A] c.s. meegedeeld dat zij niet tot executie zullen overgaan voordat in dit kort geding vonnis is gewezen.

2. Het geschil

in conventie

2.1. ProRail vordert – zakelijk weergegeven – na wijziging van eis primair [A] c.s. te verbieden het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 ten uitvoer te leggen; subsidiair de tenuitvoerlegging daarvan te verbieden totdat in een onherroepelijk vonnis in de bodemprocedure is vastgesteld dat ProRail onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan dat vonnis en meer subsidiair – voor zover sprake zou zijn van onvoldoende uitvoering van dat vonnis – de te verbeuren dwangsommen te matigen op de grond dat ProRail naar beste weten uitvoering heeft gegeven aan een redelijke uitleg van de in 2005 en 2007 tussen partijen gewezen arresten, een en ander met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het geding.

2.2. Daartoe stelt ProRail het volgende. Ter uitvoering van het bepaalde in de arresten van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 29 december 2005 en 22 november 2007 heeft ProRail de Rustenburgerbrug en de overweg bij de Rustenburgerbrug teruggebracht in dezelfde staat, met dezelfde afmetingen en hetzelfde draagvermogen, als waarin deze verkeerden in de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot aan de verwijdering in 1993. Zij heeft de nieuwe brug en de nieuwe overweg op 1 januari 2010 opgeleverd, zij heeft de huurovereenkomst met betrekking tot de pontonbrug per deze datum opgezegd en zij heeft de betaling aan [A] c.s. van een vergoeding voor de bediening van die pontonbrug gestaakt. Doordat ProRail heeft voldaan aan het eindarrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 november 2007 is de definitieve ontsluiting van de percelen van [A] c.s. gerealiseerd en is de voorlopige voorziening uit het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 komen te vervallen. Voor zover nog twijfel kan bestaan over de vraag of een definitieve ontsluiting is gerealiseerd, is te verwachten dat daarover in de schadestaatprocedure zal worden geoordeeld. [A] c.s. hebben geen belang bij het betaald krijgen van dwangsommen, het handhaven van de pontonbrug en betaling van het bedieningsgeld.

2.3. [A] c.s. voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

2.4. [A] c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – (I) ProRail een nieuwe dwangsom op te leggen, in die zin dat zij wordt veroordeeld tot betaling aan [A] c.s. van een direct opeisbare boete van € 10.000,--, met ingang van 7 oktober 2010, voor iedere dag dat ProRail niet voldoet aan het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005, onder handhaving van de reeds verbeurde dwangsommen; (II) ProRail te veroordelen om haar verplichtingen voortvloeiende uit de erfdienstbaarheid van overweg voldoende na te komen, in die zin dat zij een brug/overweg bouwt van tenminste 4 meter breed en met een draagvermogen van tenminste 30-45 ton), op straffe van een dwangsom, een en ander met veroordeling van ProRail in de kosten van het geding.

2.5. Daartoe stellen [A] c.s. het volgende. ProRail verkeert ten onrechte in de veronderstelling dat zij een definitieve ontsluiting van de percelen van [A] c.s. heeft gerealiseerd. De in november/december 2009 gerealiseerde brug en overweg zijn daarvoor echter niet voldoende. Voor een erfdienstbaarheid van overweg is ten minste vereist dat de brug een zodanige breedte heeft dat daarover met een auto kan worden gereden. De huidige brug voldoet daar niet aan. Voorts geldt dat de minimumgrens van de erfdienstbaarheid wordt bepaald door het recht van uitweg als bedoeld in artikel 34 van de Spoorwegwet 1875. De huidige spoorwegovergang, grenzend aan de Rustenburgerbrug, is niet beveiligd en kan door [A] c.s. niet op een veilige wijze worden gebruikt. Daarbij is de brug op een verkeerde plaats aangelegd, is deze te smal en zijn de brugleuningen te hoog. Voorts zijn de oprijtaluds zo steil, dat de brug daardoor onbruikbaar is voor [A] c.s., die immers met bloembollen over de brug moeten kunnen rijden. [A] c.s. stellen zich dan ook op het standpunt dat ProRail niet voldoet aan het bepaalde in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005, zodat zij dwangsommen verbeurt en gehouden is haar verplichtingen uit hoofde van de erfdienstbaarheid voldoende na te komen.

2.6. ProRail voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

3.1. De geschillen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zowel in conventie als in reconventie moet immers beoordeeld worden wat de omvang is van de zakelijke rechten van [A] c.s. met betrekking tot de toegang tot hun percelen en op welke wijze ProRail [A] c.s. door een ‘definitieve ontsluiting’ in staat dient te stellen die zakelijke rechten uit te oefenen. Daarbij dient de vraag beantwoord te worden of het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 door [A] c.s. nog ten uitvoer mag worden gelegd.

3.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of ProRail met de door haar op 1 januari 2010 opgeleverde brug een ‘definitieve ontsluiting’ heeft gerealiseerd, zoals ProRail stelt en [A] c.s. hebben bestreden.

3.3. In het vonnis van deze rechtbank van 28 april 1999 is vastgesteld dat het ter plaatse van de voormalige spoorwegovergang en de Rustenburgerbrug gelegen perceel is bezwaard met een erfdienstbaarheid ten behoeve van de percelen van [A] c.s., ten minste inhoudende dat [A] c.s. via die voormalige brug en spoorwegovergang hun percelen konden bereiken. In hoger beroep hebben [A] c.s. tegen deze vaststelling geen grieven gericht. In het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 29 december 2005 is – zoals hiervoor onder 1.6. is weergegeven – overwogen dat [A] c.s. geen aanspraak kunnen maken op de heraanleg van de Rustenburgerbrug in een uitvoering die is aangepast aan de eisen van de moderne tijd en die geschikt is gemaakt voor gebruik door werkverkeer van en naar de percelen van [A] c.s. tot een gewicht van 40 ton. Uit dit oordeel, in samenhang bezien met de omvang van de erfdienstbaarheid zoals deze bij vonnis van deze rechtbank van 28 april 1999 is vastgesteld, dient voorshands te worden afgeleid dat ProRail (slechts) gehouden is de Rustenburgerbrug terug te brengen in de staat waarin deze zich bevond op het moment van afbraak in 1993. Mede gelet op hetgeen blijkt uit de getuigenverklaringen, waarvan in rechtsoverweging 20 van bedoeld arrest een samenvatting is gegeven, dient de nieuwe brug derhalve een draagvermogen van 3 à 4 ton te hebben. [A] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat uit de tekst van het meergenoemde arrest weliswaar volgt dat de brug niet over een draagvermogen van 40 ton behoeft te beschikken, maar dat dit ruimte laat voor het oordeel dat het draagvermogen van de brug 35 of 45 ton moet bedragen. Aan dit standpunt wordt voorbijgegaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen vloeit naar voorlopig oordeel kennelijk uit het arrest voort dat de brug dient te worden teruggebracht in de oorspronkelijke staat, te weten een brug met een draagvermogen van 3 à 4 ton.

3.4. Tussen partijen staat vast dat het draagvermogen van de nieuwe brug 3 à 4 ton bedraagt. Naar voorlopig oordeel heeft ProRail derhalve in zoverre aan het bepaalde in het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 22 november 2007 voldaan.

3.5. Vergelijking van de overgelegde foto’s van de oorspronkelijke situatie en de huidige situatie leidt vooralsnog tot de slotsom dat de huidige situatie nagenoeg niet afwijkt van de oorspronkelijke situatie. [A] c.s. hebben ter zitting aangevoerd dat de oprijtaluds te steil zijn uitgevoerd en dat de brug te smal is. Nu het geschil tussen partijen zich tot op heden heeft toespitst op de vraag over welk draagvermogen de brug dient te beschikken, is de discussie ter zake van de vraag of de oprijtaluds te steil zijn uitgevoerd en of de brug te smal is, niet eerder tussen partijen gevoerd. De advocaat van ProRail heeft ter zitting naar voren gebracht dat ProRail bereid is om in overleg met [A] c.s. te bezien of op deze punten nog aanpassingen mogelijk zijn. In het licht van het voorgaande is het verweer van [A] c.s. dat de brug op deze punten afwijkt van de oorspronkelijke brug dan ook onvoldoende ter rechtvaardiging van het standpunt dat de brug hierdoor niet kan worden aangemerkt als een definitieve ontsluiting. Aan het verweer van [A] c.s. dat de brug op een verkeerde locatie is geplaatst wordt voorbijgegaan, nu de beantwoording van de vraag of dit standpunt juist is het kader van dit kort geding te buiten gaat, terwijl dit voorshands voor de vaststelling of ProRail met de huidige brug een definitieve ontsluiting heeft gerealiseerd ook niet relevant lijkt te zijn. Dat de huidige brug onveilig is, zoals [A] c.s. hebben betoogd, is gelet op de overgelegde foto’s en de betwisting door ProRail naar voorlopig oordeel onvoldoende aannemelijk geworden, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

3.6. Gelet op het voorgaande heeft ProRail naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een definitieve ontsluiting van de percelen van [A] c.s. heeft gerealiseerd. Dit brengt met zich dat de voorlopige voorzieningen zoals opgelegd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 hun werking hebben verloren, zodat ProRail niet langer gehouden is een pontonbrug te huren en bedieningsgeld te voldoen. [A] c.s. zijn derhalve niet langer gerechtigd het genoemde vonnis te executeren. Dit leidt tot de slotsom dat de primaire vordering van ProRail in conventie wordt toegewezen en dat de vorderingen van [A] c.s. in reconventie worden afgewezen.

3.7. [A] c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten in conventie en in reconventie. Gelet op de samenhang tussen de beide procedures, wordt de vergoeding voor het salaris van de advocaat van ProRail in reconventie begroot op de helft van het gebruikelijke bedrag.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- verbiedt [A] c.s. om (te pogen om) het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 januari 2005 ten uitvoer te leggen;

- veroordeelt [A] c.s. in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van ProRail begroot op € 1.152,89, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 263,-- aan griffierecht en € 73,89 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [A] c.s. in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van ProRail begroot op € 408,-- aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010.

mvt