Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0354

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
AWB 10/7579 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR2021, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / juistheid ambtsbericht / bericht HRW / wikileaks /artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bericht van HRW waarin wordt verwezen naar de documenten op www.wikileaks.org, verweerder niet langer zonder meer van de juistheid van de informatie opgenomen in het ambtsbericht van juli 2010, en ook in dat van maart 2009, kan uitgaan, met name daar waar het gaat over de aantallen geweldsincidenten en burgerslachtoffers. Gelet op het stuk van HRW is de rechtbank er niet langer van overtuigd dat het feitencomplex waarop de ambtsberichten zijn gebaseerd voor juist moet worden gehouden en heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat er in Afghanistan, meer in het bijzonder in Kandahar, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Daaraan wordt niet afgedaan door verweerders stelling dat uit het stuk van HRW niet zou volgen dat het aantal burgerslachtoffers over de gehele linie en gedurende het gehele tijdsbestek tot en met december 2009 hoger is dan verondersteld. De rechtbank is, gelet op de op de site “wikileaks” gepubliceerde documenten en het stuk van HRW daarover, van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op voldoende zorgvuldig onderzoek en een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 augustus 2010 (LJN BN5485). Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 10/7579 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] geboren op [geboortedatum] 1983, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 2 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 11 juli 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 16 september 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt vast dat eiser eerder op 21 februari 2007 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. De afwijzing van deze aanvraag op 28 februari 2007 is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 april 2007 (zaak nr: 200702210/1) in rechte vast komen te staan. Vervolgens heeft eiser een tweede aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op 7 juni 2007. De afwijzing van deze aanvraag bij besluit van 13 juni 2007 is met de uitspraak van de ABRvS van 25 juli 2007 (zaak nr. 200704928/1) in rechte vast komen te staan. Gelet hierop is de derde aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die eiser op 11 juli 2008 heeft ingediend aan te merken als een herhaalde aanvraag.

2.2 Uit de jurisprudentie van de ABRvS (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.3 De rechtbank dient dus te beoordelen of eiser aan zijn aanvraag van 11 juli 2008 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Daaronder moeten onder meer worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen ná de eerdere afwijzing van de asielaanvraag van eiser van 13 juni 2007 of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is echter geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de eerdere besluiten van 28 februari 2007 en 13 juni 2007 en de overwegingen waarop die besluiten rusten. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, LJN AG8817) voordoen.

2.4 Eiser heeft in het kader van de onderhavige aanvraag wederom verwezen naar de eerdere problemen in zijn land van herkomst. Nu de verklaringen van eiser hierover een herhaling zijn van hetgeen eiser tijdens zijn eerdere aanvragen naar voren heeft gebracht en deze problemen bij de eerste asielaanvraag al zijn beoordeeld kunnen deze verklaringen niet leiden tot heroverweging van het thans bestreden besluit.

2.5 Ten aanzien van de gestelde telefonische bedreigingen van hem en zijn familie in Nederland is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de verklaringen van eiser hierover als onvoldoende concreet moeten worden aangemerkt. Bovendien heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor op 13 oktober 2009 verklaard dat hij sinds hij bij zijn moeder is gaan wonen in Zeist hij geen problemen meer heeft ondervonden. Gelet hierop kunnen ook de door eiser naar voren gebrachte telefonische bedreigingen niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt.

2.6 Met betrekking tot het door eiser overgelegde origineel van zijn paspoort en het origineel van een vertaling van zijn Taskara overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat verweerder in de eerdere procedures de identiteit en nationaliteit van eiser niet heeft betwist. Dit betekent dat op voorhand is uitgesloten dat deze documenten kunnen afdoen aan de eerdere besluiten tot afwijzing van de eerdere asielaanvragen. Deze documenten kunnen dan ook niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten in de hiervoor bedoelde zin. Ook de verklaring van het consulaat generaal van Afghanistan in Nederland kan niet als nieuw feit worden aangemerkt nu het stuk dateert van 11 mei 2004 en eiser dit stuk dus ook eerder had kunnen en derhalve behoren te overleggen.

2.7 Eiser heeft aan zijn herhaalde aanvraag voorts ten grondslag gelegd dat als hij moet terugkeren naar Afghanistan hij een reëel risico loopt op ernstige schade, als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Richtlijn). Ook stelt eiser dat voor Afghanistan een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd zou moeten worden. Eiser heeft in dit verband gewezen op de verslechterde situatie in Afghanistan en ter onderbouwing daarvan, reeds in de bestuurlijke fase, in de zienswijze van 14 juli 2008 gewezen op een groot aantal stukken. Meer recent heeft eiser in zijn zienswijze van 21 december 2009 nog gewezen op de navolgende stukken:

- het algemene ambtsbericht over Afghanistan van maart 2009 van de minister van Buitenlandse Zaken;

- UNHCR Eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Afghanistan van 1 juli 2009.

2.8 Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat uit de onder punt 2.7 genoemde documenten blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan ten opzichte van het eerdere besluit van 13 juni 2007 is verslechterd zodat niet op voorhand is uit te sluiten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan de eerdere besluiten voor zover die zien op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Er is kortom sprake van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, zodat de rechtbank het bestreden besluit kan toetsen voor zover dat ziet op de weigering eiser op deze gronden een verblijfsvergunning te verlenen.

2.9 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat in Afghanistan, meer in het bijzonder in Kandahar, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn bij schrijven van 27 augustus 2010 nog een beroep gedaan op de volgende stukken:

- het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van juli 2010;

- een stuk van CSIS “The Afghan War: A Campaign Overview’ van 7 juni 2010;

- een VN-rapport ‘Report of the Secretary-General pursuant to paragraph 40 of resolution 1917 (2010)’, van juni 2010;

- een stuk van de United Nations Assistance Mission in Afghanistan (UNAMA) ‘Afghanistan-Mid Year report 2010 on Protection of Civilians in Armed Conflict’ van augustus 2010;

- een stuk van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) ‘Afghanistan: Update, Die aktuelle Sicherheidslage’ van 11 augustus 2010.

2.10 Vervolgens heeft eiser bij brief van 3 september 2010 nog gewezen op een rapport van Human Rights Watch (hierna: HRW) van 26 juli 2010, ‘Afghanistan: Investigate Any Nemly Disclosed Casualty Incidents’ en een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 27 augustus 2010.

2.11 De rechtbank zal deze stukken met toepassing van artikel 83 van de Vw betrekken bij de beoordeling van het beroep. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn.

2.12 Partijen verschillen van mening over de vraag of zich in Afghanistan, meer in het bijzonder in Kandahar, een uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

2.13 Zoals de ABRvS heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 25 mei 2009, LJN BI4791) kan uit punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, thans het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 17 februari 2009 (LJN BH3646) inzake Elgafaji gelezen in samenhang met de punten 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden bestreken en laatstgenoemde bepaling– gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 (NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, LJN BF0248) ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn.

2.14 Uit jurisprudentie van de ABRvS (onder meer de uitspraak van 15 januari 2010, LJN BL9431) volgt dat de desbetreffende vreemdeling aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn aanspraak op bescherming kan ontlenen, indien hij erin slaagt aannemelijk te maken dat de mate van willekeurig geweld in het kader van het door hem gestelde gewapend conflict in zijn land van herkomst ten tijde van de totstandkoming van het besluit dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld.

2.15 Uit het ambtsbericht van juli 2010 waarnaar door eiser is verwezen, volgt dat gedurende de verslagperiode van dat ambtsbericht (april 2009 tot juni 2010) de veiligheidssituatie in Afghanistan, en ook in Kandahar, is verslechterd (zie p. 37 en p. 45 van het ambtsbericht ). In Kabul en de provinciehoofdsteden kwamen gedurende de verslagperiode een aantal bomaanslagen en zelfmoorden voor, waarbij veel burgerslachtoffers vielen (p. 37). Inwoners van de hoofdstad lopen het risico slachtoffer te worden van ontvoeringen en zelfmoordaanslagen die veelal gericht zijn tegen Afghaanse veiligheidsdiensten, Afghaanse overheidsinstellingen en ambtenaren, politici, buitenlandse militairen en civiele buitenlanders (p. 45). Het aantal burgerslachtoffers lag hoger dan in de vorige verslagperiode. De meeste burgerslachtoffers vielen bij zelfmoordaanslagen en bermbommen in het zuiden, zuidoosten en oosten van Afghanistan (p. 39). Volgens UNAMA vielen 2412 burgerslachtoffers in 2009, een stijging van 14 procent ten opzichte van 2008. In 2009 nam het aantal veiligheidsincidenten toe ten opzichte van het jaar daarvoor. Volgens rapportages van de VN kende het begin van de verslagperiode een stijging van 43 procent in het aantal maandelijkse geweldsincidenten ten opzichte van dezelfde periode in 2008. In het derde kwartaal van 2009 vonden gemiddeld 1244 geweldsincidenten per maand plaats, hetgeen een stijging van 65 procent inhield ten opzichte van dezelfde periode het jaar daarvoor. Januari 2010 telde 50 procent meer veiligheidsincidenten dan dezelfde maand in 2009 (p. 41). De grootste toename van het aantal veiligheidsincidenten had betrekking op het zuiden en het oosten van Afghanistan, met respectievelijk 50 procent en 100 procent meer veiligheidsincidenten dan in 2008 (p. 41-42). Ook in de provincie Kandahar vonden veel geweldsincidenten plaats (p. 43).

2.16 Uit de overige stukken waar eiser in de brief van 27 augustus 2010 naar heeft verwezen, blijkt ook dat er sprake is van een toename van het aantal veiligheidsincidenten en het aantal burgerslachtoffers. In het ‘Report of the Secretary-General pursuant to paragraph 40 of resolution 1917 (2010)’, van juni 2010 staat dat: ‘Overall, the number of security incidents increased significantly, compared to previous years and contrary tot seasonal trends (...). The military focus remained on the southern region, with operations in central Helmand and Kandahar’. ‘The rise in incidents involving improvised explosive devices constitutes an alarming trend, with the first four months of 2010 recording a 94 per cent increase compared to the same period in 2009. Suicide attacks occur at a rate of about three per week, half of which occur in the southern region’. Ook uit het stuk van UNAMA, ‘Afghanistan-Mid Year report 2010 on Protection of Civilians in Armed conflict’ van augustus 2010’ volgt dat ‘(…) the number of civilians assassinated and executed bij AGE’s rose dramatically and second, the AGE’s used a greater number of lager and more sophisticated improvised explosive devices (IEDs) throughout the country. Between 01 January and 30 june 2010, UNAMA HR documented 3,268 civilian casualties including 1,271 deaths and 1,997 injuries’. Een toename van 21 procent ten opzichte van het eerste half jaar in 2009, aldus UNAMA. ‘More than half of the civilian assasinations and executions occured in southern Afghanistan, where more than one hundred such incidents were noted’. Civilian deaths in the south increased by 43 per cent and in the southeast bij 24 per cent (…)’. Ook het door eiser overgelegde stuk van de SFH bevestigt dit beeld.

2.17 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat de veiligheidssituatie in de verslagperiode van het ambtsbericht van juli 2010 (en ook in de verslagperiode van het ambtsbericht van maart 2009) in Afghanistan weer verder is verslechterd. Verweerder stelt echter dat op grond van de voorhanden zijnde informatie niet kan worden gesteld dat er in Afghanistan, meer in het bijzonder in Kandahar, sprake is of was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn.

2.18 Eiser heeft in aanvulling op voormelde stukken nog gewezen op een stuk van HRW van 26 juli 2010. Hierin staat dat volgens een voorlopige analyse van HRW van (een deel van) 91.000 interne documenten van het Amerikaanse leger die op de site www.wikileaks.org zijn gepubliceerd en die zien op de oorlog in Afghanistan in de periode 2004 tot en met december 2009, blijkt dat het aantal incidenten waarbij burgerdoden en - gewonden zijn gevallen als gevolg van gevechtshandelingen door de NAVO-troepen, de Taliban en andere groeperingen, groter is dan tot nu toe werd aangenomen.

2.19 De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bericht van HRW waarin wordt verwezen naar de documenten op www.wikileaks.org, verweerder niet langer zonder meer van de juistheid van de informatie opgenomen in het ambtsbericht van juli 2010, en ook in dat van maart 2009, kan uitgaan, met name daar waar het gaat over de aantallen geweldsincidenten en burgerslachtoffers. Gelet op het stuk van HRW is de rechtbank er niet langer van overtuigd dat het feitencomplex waarop de ambtsberichten zijn gebaseerd voor juist moet worden gehouden en heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat er in Afghanistan, meer in het bijzonder in Kandahar, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Daaraan wordt niet afgedaan door verweerders stelling dat uit het stuk van HRW niet zou volgen dat het aantal burgerslachtoffers over de gehele linie en gedurende het gehele tijdsbestek tot en met december 2009 hoger is dan verondersteld. De rechtbank is, gelet op de op de site “wikileaks” gepubliceerde documenten en het stuk van HRW daarover, van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op voldoende zorgvuldig onderzoek en een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 augustus 2010 (LJN BN5485). Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking op grond van de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.20 Gelet op het voorgaande is het beroep dan ook gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Nu nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht en het op de weg ligt van verweerder om in dat kader informatie in te winnen bij de minister van Buitenlandse Zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.

2.21 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 2 februari 2010;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 437, te betalen aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. P.K. Nihot, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2010.

De griffier:

mr. N.R. Hoogenberk

De rechter

mr. P.K. Nihot

de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen