Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9691

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
07-10-2010
Zaaknummer
AWB 10/26841 & 10/26847
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA-procedure / alleenstaande minderjarige vreemdelingen / AC Schiphol / rust en voorbereidingstijd van minimaal zes dagen / zorgvuldigheid

Naar het oordeel van de rechtbank moet het er, gelet op verweerders brief van 18 juni 2010, voor worden gehouden dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.109, zevende lid, Vb jo 3.49, eerste lid, Vb, voor minderjarige asielzoekers ook op het aanmeldcentrum Schiphol een rust- en voorbereidingstijd dient te gelden van minimaal zes dagen en met een richttijd van drie weken. (...). Reeds nu aan eisers geen rust- en voorbereidingstijd is gegund alvorens hun aanvragen door verweerder op het AC Schiphol in behandeling zijn genomen, waarvan verweerder het belang in zijn brief van 18 juni 2010 duidelijk heeft omschreven, heeft verweerder de aanvragen van eisers niet zonder schending van normen van zorgvuldigheid kunnen afwijzen in de AA-procedure. Daarnaast heeft verweerder, gelet op de brief van 18 juni 2010, in het onderhavige geval niet inzichtelijk gemaakt waarom de aanvragen van eisers niet in behandeling zijn genomen vanuit het behandelkantoor in Den Bosch.

Beroepen gegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.49
Vreemdelingenbesluit 2000 3.109
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10 / 26841 (eiser 1) AWB 10 / 26847 (eiser 2)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 oktober 2010

in de zaak van:

[eiser1] (eiser 1),

geboren op [geboortedatum] (toegekende geboortedatum),

en

[eiser2] (eiser 2),

geboren op [geboortedatum] (toegekende geboortedatum),

beiden van Soedanese nationaliteit,

eisers,

gemachtigde: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht,

tegen:

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eisers hebben op 22 juli 2010 aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen bij besluiten van 29 juli 2010 afgewezen. Verweerder heeft in de besluiten tevens geweigerd ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). Eisers hebben tegen de besluiten op 29 juli 2010 beroep ingesteld.

1.2 Eisers hebben op 29 juli 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 12 augustus 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het verzoek in die zin toegewezen dat verweerder wordt verboden eisers uit te zetten tot dat de rechtbank op de beroepen heeft beslist (AWB 10/26842 en 10/26848).

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 9 september 2010. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 juni 2010 (KST 27 062, nr. 65). Verweerder heeft bij brief 7 september 2010, verzonden op 9 september 2010, gereageerd. Eisers hebben bij brief van 23 september 2010 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek, met toestemming van partijen, op 28 september 2010 gesloten.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank de bestreden besluiten aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 De aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn afgewezen in het kader van de zogenoemde algemene asielprocedure (AA-procedure).

2.3 erweerder heeft zich, kort samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Eisers hebben toerekenbaar geen documenten ter staving van hun nationaliteit, identiteit en reisroute overgelegd, zodat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan hen wordt tegengeworpen. Het asielrelaas van eisers ontbeert positieve overtuigingskracht. Niet geloofwaardig is dat eisers de door hen gestelde Soedanese nationaliteit, identiteit of herkomst bezitten, nu zij onvoldoende informatie hebben kunnen verstrekken over hun land van herkomst. Eisers komen daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw. Hoewel niet aan de leeftijd van eisers wordt getwijfeld, komen eisers niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel “amv”, nu eisers dusdanig ongeloofwaardige en vage verklaringen hebben afgelegd dat zij het onderzoek naar hun identiteit, herkomst, nationaliteit en adequate opvang hebben gefrustreerd.

Verweerder heeft zich in de brief van 7 september 2010 op het volgende standpunt gesteld. De brief van 18 juni 2010 betreft een beleidsvoornemen dat controversieel is verklaard en waar het demissionair kabinet geen uitvoering aan kan geven. Weliswaar staat in de brief dat het voor amv’s in het bijzonder van belang is om tot rust te komen voordat de asielprocedure van start gaat, maar onder hetzelfde kopje van de brief is opgenomen dat na aankomst op het aanmeldcentrum (AC) Schiphol de meeste aanvragen van amv’s door de IND in behandeling worden genomen vanuit het behandelkantoor in Den Bosch. Hiermee sluit de brief derhalve niet uit dat aanvragen van amv’s aan wie de toegang is geweigerd nog wel steeds op AC Schiphol in behandeling kunnen worden genomen. Het gegeven dat de rust- en voorbereidingstijd op het AC Schiphol (thans nog) niet is ingevoerd, betekent naar de mening van verweerder niet dat eisers asielprocedure onzorgvuldig is geweest.

2.4 Eisers hebben hiertegen, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de minderjarigheid van eisers en het feit dat zij afhankelijk waren van hun reisagent. Thans staat vast met welke vlucht eisers in Nederland zijn gearriveerd. Eisers hebben afdoende verklaringen gegeven voor het feit dat zij slechts de Arabische taal beheersen. Tot slot dient hetgeen in de zienswijzen naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Ter zitting bij de voorzieningenrechter op 10 augustus 2010 heeft de gemachtigde van eisers de gronden van de verzoeken aangevuld met de stelling dat eisers ten onrechte niet de rust- en voorbereidingstermijn hebben gekregen waarop zij op grond van de nieuwe asielprocedure, die sinds 1 juli 2010 in werking is getreden, recht hebben. Gemachtigde heeft in dit verband verwezen naar een brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 juni 2010 (KST 27 062, nr. 65) waaruit blijkt dat het voor minderjarige asielzoekers van bijzonder belang is om tot rust te komen voor de behandeling van hun asielverzoek plaatsvindt. Daarbij noemt verweerder in deze brief een periode van drie weken als richttijd na aankomst op AC Schiphol. Voorts blijkt uit de brief dat eisers naar AC Den Bosch hadden moeten worden doorgezonden. Eisers hebben echter geen enkel moment van rust gehad, nu zij rechtstreeks van de luchthaven naar de wachtruimte op het AC Schiphol zijn gebracht en na een dag de asielprocedure is aangevangen. Nu de asielprocedure derhalve niet zorgvuldig is geweest, komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de aanvragen van eisers zonder schending van normen van zorgvuldigheid binnen de zogeheten AA-procedure konden worden behandeld. In dat verband wordt het volgende overwogen.

2.6 In artikel 3.109, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) staat dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, door de vreemdeling niet eerder wordt ingediend dan zes dagen nadat hij overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen. Ingevolge het zevende lid van dit artikel kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn niet van toepassing is indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum Schiphol.

2.7 Ingevolge artikel 3.49, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) is de in artikel 3.109, eerste lid, Vb bedoelde termijn niet van toepassing indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum op de Luchthaven Schiphol.

2.8 In voornoemde brief van verweerder van 18 juni 2010 staat, voor zover hier van belang, het volgende weergegeven.

Op 11 december 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie uw Kamer geïnformeerd (Tweede Kamer 2009-2010, 27062, nr. 64) over de herijking van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). In verband met de demissionaire status van dit kabinet is de beleidsnotitie herijking controversieel verklaard.

Met deze brief vraag ik uw aandacht voor recente ontwikkelingen inzake het amv-beleid die aanleiding geven tot het nemen van maatregelen

(…)

De verbeterde asielprocedure beoogt sneller en zorgvuldiger tot een beslissing op asielverzoeken te komen. Het uitgangspunt hierbij is dat asielzoekers baat hebben bij snelle duidelijkheid over hun toekomstperspectief, mits deze snelheid niet ten koste gaat van de zorgvuldigheid. Er is dan ook geen aanleiding om de asielaanvraag van een amv niet in de algemene asielprocedure te behandelen. Tegelijkertijd geldt ook voor amv’s dat doorzending naar de verlengde asielprocedure aan de orde is zodra er in de algemene asielprocedure geen zorgvuldige beslissing kan worden genomen. Voor amv’s in het bijzonder is het van het belang om tot rust te komen voordat de asielprocedure van start gaat. In deze fase krijgen amv’s in de regel met veel verschillende organisaties te maken. Om die reden geef ik de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), in afstemming met de voogdij-instelling Nidos, de mogelijkheid de rust- en voorbereidingstermijn voor evident minderjarigen te laten doorlopen, waarbij als richttijd een periode van ongeveer drie weken geldt. Waar nodig wordt het leeftijdsonderzoek ingezet om zoveel mogelijk te voorkomen dat meerderjarigen in de opvang voor minderjarigen terechtkomen. Na aankomst op het Aanmeldcentrum (AC) Schiphol wordt de asielaanvraag van de meeste amv’s door de IND in behandeling genomen vanuit het behandelkantoor in Den Bosch. Het COA zet zich in om de opvang van amv’s in de toekomst goed te laten aansluiten op het proces rond de verbeterde asielprocedure. Ter vervanging van de huidige AC-kwg’s (kleinschalige woongroepen) worden er voor de doelgroep minderjarigen vanaf 13 jaar procesopvanglocaties ingericht op acceptabele reisafstand van het behandelkantoor in Den Bosch. De procesopvanglocatie is een vorm van gespecialiseerde opvang op een regulier AZC met intensieve begeleiding. De amv’s verblijven hier in ieder geval tijdens de rust- en voorbereidingstermijn en de algemene asielprocedure. Daarbij wordt aan de hand van competenties van de amv geïndiceerd welke vorm van vervolgopvang het meest geschikt is.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de hiervoor weergegeven brief van 18 juni 2010 controversieel zou zijn verklaard door de Tweede Kamer en dat het kabinet daar derhalve geen uitvoering aan kan geven. De brief van 18 juni 2010 is immers juist een reactie van verweerder op het controversieel verklaren van de beleidsnotitie herijking amv’s van 11 december 2009. Niet gebleken is dan ook dat de brief van 18 juni 2010 en hetgeen daarin is verwoord controversieel zou zijn verklaard. De rechtbank zal de brief van 18 juni 2010 dan ook beschouwen als een weergave van verweerders standpunt ten aanzien van het amv-beleid en zal deze brief bij de beoordeling van onderhavige beroepen betrekken.

2.10 Verweerders stelling dat de brief van 18 juni 2010 niet specifiek ziet op de behandeling van aanvragen van amv’s aan wie de toegang is geweigerd, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat die brief ook ziet op amv’s aan wie de toegang is geweigerd. Verweerders stelling dat met de invoering van de nieuwe asielprocedure de termijnen zijn verruimd, zodat los van de rust- en voorbereidingstijd gesproken kan worden van een zorgvuldige procedure, volgt de rechtbank niet. Afgezien van de verruiming van de termijnen zijn met de invoering van de nieuwe asielprocedure een aantal andere zaken gewijzigd aan de asielprocedure, waaronder het invoeren van de rust- en voorbereidingstijd, teneinde tot een sneller en zorgvuldiger beslissing op asielverzoeken te komen. Bij het achterwege laten van de rust- en voorbereidingstijd kan verweerder zich derhalve niet zonder meer onder verwijzing naar de verruiming van de termijnen op het standpunt stellen dat sprake is van een zorgvuldige besluitvorming.

2.11 Op grond van artikel 3.109, zevende lid, Vb jo artikel 3.49, eerste lid, VV bestaat voor de indiening van de aanvragen op het AC Schiphol in beginsel geen verplichting voor een zogeheten rust- en voorbereidingstijd van zes dagen als bepaald in artikel 3.109, eerste lid, Vb. In afwijking hiervan heeft verweerder in voormelde brief van 18 juni 2010 aan de Tweede Kamer bericht dat het bij minderjarige asielzoekers in het bijzonder van belang is om tot rust te komen voordat de asielprocedure van start gaat. In de brief wordt uitgelegd dat hierbij als richttijd aan een periode van drie weken wordt gedacht. In de brief staat niet dat dit niet zou gelden voor amv’s die zich hebben aangemeld op Aanmeldcentrum Schiphol. Vervolgens wordt de te volgen procedure voor afdoening van aanvragen van amv’s in de AA-procedure op AC Schiphol toegelicht. Zo worden, na aankomst op AC Schiphol, de asielaanvragen van de meeste amv’s in behandeling genomen vanuit het behandelkantoor IND Den Bosch. Volgens verweerder bestaat er echter geen aanleiding om de asielaanvraag van een amv in zijn algemeenheid niet in de AA-procedure te behandelen, maar is doorzending naar de verlengde asielprocedure aan de orde zodra er in de AA-procedure geen zorgvuldige beslissing kan worden genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het er, gelet op verweerders brief van 18 juni 2010, voor worden gehouden dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.109, zevende lid, Vb jo 3.49, eerste lid, Vb, voor minderjarige asielzoekers ook op het aanmeldcentrum Schiphol een rust- en voorbereidingstijd dient te gelden van minimaal zes dagen en met een richttijd van drie weken. Indien verweerder dit feitelijk niet kan bewerkstelligen omdat, zoals uit de nota van toelichting bij artikel 3.109 Vb blijkt, het justitiecomplex op Schiphol nog moet worden gerealiseerd en er derhalve geen locatie voorhanden is om de asielzoekers gedurende deze periode op te vangen, zal reeds daarom geen zorgvuldige beslissing kunnen worden genomen op AC Schiphol en zal verweerder de aanvraag naar een ander AC moeten doorsturen voor de AA-procedure of naar de verlengde asielprocedure moeten doorsturen. Reeds nu aan eisers geen rust- en voorbereidingstijd is gegund alvorens hun aanvragen door verweerder op het AC Schiphol in behandeling zijn genomen, waarvan verweerder het belang in zijn brief van 18 juni 2010 duidelijk heeft omschreven, heeft verweerder de aanvragen van eisers niet zonder schending van normen van zorgvuldigheid kunnen afwijzen in de AA-procedure. Daarnaast heeft verweerder, gelet op de brief van 18 juni 2010, in het onderhavige geval niet inzichtelijk gemaakt waarom de aanvragen van eisers niet in behandeling zijn genomen vanuit het behandelkantoor in Den Bosch.

2.12 De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren. De bestreden besluiten zijn in strijd met 3:2 Awb. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

2.13 De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.

2.14 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (vanwege de samenhang van de zaken 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2010.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.