Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9604

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
357661/FT-RK 10.190
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing dwangakkoord. Onvoldoende belang nu alle schuldeisers zich in het buitenland bevinden en een Nederlandse dwangregeling niet internationaal wordt erkend.

Zie ook LJ-nummer: BN9606

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummers: 357661/FT-RK 10.190 en 357661/FT-RK 10.190

nummer verklaringen: VOS0150900172 en VOS0150900172

uitspraakdatum: 10 juni 2010

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoeker],

en

[verzoekster],

wonende te [woonadres]

[postcode & woonplaats],

verzoekers,

hebben een verzoekschrift ex artikel 284, 1e lid, van de Faillissementswet ingediend waarin tevens gevraagd wordt om een bevel op de voet van artikel 287a, 1e lid, van de Faillissementswet aan schuldeisers, namelijk Bad Homburger Inkasso, Seghorn Inkasso, Berliner Bank, Burgel, Deutsche Bank, Euler Hermes, Eos Mercator Inkasso, Verwaltungsgericht Frankfurt, Fulleborn, Land Brandenburg, GAB, Schwalm Eder Kreis, UMB, Schimmelpfeng en Stadtwerke Eberswalde, om in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling.

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 29 april 2010. Verzoekers zijn verschenen en gehoord. Voornoemde schuldeisers zijn niet verschenen, hoewel zij hiertoe behoorlijk opgeroepen zijn. De uitspraak is aanvankelijk bepaald op 3 juni 2010 en daarna op 10 juni 2010.

Standpunt verzoekers

Verzoekers stellen dat schuldeisers in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die verzoekers hebben aangeboden. De minnelijke regeling dreigt hierdoor immers te mislukken en de maximaal haalbare aflossingscapaciteit is ingezet om de regeling aan de te kunnen bieden.

Standpunt schuldeisers

Schuldeisers hebben hun weigering van medewerking aan de door verzoekers aangeboden schuldregeling niet mondeling of schriftelijk toegelicht.

Beoordeling

Het gaat in deze zaak om de vraag of de betrokken schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek wordt toegewezen indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoekers dat door de weigering wordt geschaad.

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van haar vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, is het belang van schuldeiseres bij weigering van die regeling een gegeven. Daarnaast is van belang dat een aanzienlijk deel van de schuldeisers, vijftien van de in totaal zesendertig schuldeisers, de aangeboden schuldregeling hebben geweigerd, dat de totale schuldlast fors is (een bedrag van ongeveer € 1.200.000) en dat de weigerachtige schuldeisers een substantiëel gedeelte daarvan, te weten zij 41%, vertegenwoordigen.

Tegenover het belang van schuldeisers neemt de rechtbank het belang van verzoekers in ogenschouw. De weigering van schuldeisers staat aan een mogelijkheid van verzoekers om in drie jaar tijd hun problematische schulden te saneren in de weg en schaadt daarmee een belang van verzoekers. Daarmee is weliswaar het belang van verzoekers bij de instemming met de aangeboden schuldregeling gegeven, maar het belang van verzoekers bij het dwingen van schuldeisers via artikel 287a lid 1 Fw staat daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, niet zondermeer vast. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

De schuldenlast van schuldenaren bestaat volledig uit vorderingen van schuldeisers die in Duitsland zijn gevestigd. Ook de weigerende schuldeisers zijn in Duitsland gevestigd. Het onderliggende verzoek is derhalve in feite uitsluitend gericht tegen Duitse crediteuren en het vonnis op onderliggend verzoek zal in Duitsland ten uitvoer gelegd moeten worden. Dat levert een probleem op, want voor de erkenning in Duitsland van een bevel van de Nederlandse rechter om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling bestaan geen internationale verdragen. Het EEX-verdrag sluit akkoorden uitdrukkelijk uit van het toepassingsgebied van het verdrag in artikel 1 lid 2 onder b. Ook valt het vonnis niet onder de automatische erkenning van artikel 16 van de Insolventieverordening (IVO). Op grond van artikel 16 van de IVO dienen de lidstaten de procedures genoemd in Bijlage A automatisch te erkennen. Voor Nederland staan genoemd: faillissement, surseance van betaling en de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De dwangregeling staat niet genoemd in Bijlage A. Er bestaat daarom geen verplichting tot automatische erkenning door de overige lidstaten op grond van artikel 16 IVO.

Gelet op het voorgaande weegt het belang van verzoekers niet zwaarder dan het belang van schuldeisers. De rechtbank is derhalve van oordeel dat schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek om een bevel af te geven om in te stemmen met een aangeboden schuld wordt afgewezen.

Verzoekers hebben ter terechtzitting laten weten het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven, indien het verzoek ex artikel 287a lid 1 van de Faillissementswet zou worden afgewezen. Ter terechtzitting van 29 april 2010 is reeds aangegeven dat verzoekers hun verzoek nader dienen toe te lichten en bovendien stukken in het geding dienen te brengen. Met die toelichting en stukken dienen verzoekers aannemelijk te maken dat zij te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan van hun schulden én ten aanzien van het onbetaald laten ervan. Uit de stukken dient in ieder geval te blijken wanneer en hoe de schulden zijn ontstaan, wanneer ze problematisch zijn geworden en wat voor acties er zijn ondernomen om de schulden te verminderen, althans niet verder te laten oplopen.

Verder zal de rechtbank, voordat zij een beslissing neemt op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, moeten beoordelen of zij bevoegd is het verzoek in behandeling te nemen. Hiertoe dient te worden beoordeeld of het centrum van voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt (art. 3 lid 1 IVO). Daarvoor dient te worden vastgesteld wat de plaats is waar verzoekers gewoonlijk het beheer voeren over hun belangen en of die plaats daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is (zie Eurofood-arrest). Verzoekers zijn eind 2004 met hun kinderen van Duitsland naar Nederland verhuisd. Zij worden in de gelegenheid gesteld om te aan de hand van stukken aan te tonen dat zij in Nederland het beheer over hun belangen voeren en dat die plaats als zodanig voor derden – en met name voor hun Duitse schuldeisers – kenbaar is en is geweest.

Het toelatingsverzoek zal worden behandeld op de na te noemen datum. Verzoekers dienen de stukken waarop zijn zich willen beroepen uiterlijk 2 weken voor die datum aan de rechtbank te doen toekomen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex art. 287a lid 1 Fw af;

- bepaalt dat het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling verder zal worden behandeld op 7 september 2010 te 10:45 uur;

- roept verzoekers op alsdan te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60, Den Haag, teneinde te worden gehoord.

Gewezen door mr. F.A.M. Veraart, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2010 in tegenwoordigheid van mr. B.H.A. Brauers, griffier.