Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9300

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
325081 - HA ZA 08-3903
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure tussen eiser en de Staat over een geluidsscherm langs de snelweg. Bij overeenkomst betreffende de ruiling van registergoederen ten behoeve van de verbreding van de rijksweg A16 zijn partijen onder meer overeengekomen dat de Staat verplicht is het geluidsscherm, zoals bedoeld in het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid, aan te brengen. Over de uitvoering van het geluidsscherm is tussen partijen een geschil gerezen. Voor zover de vorderingen zijn gegrond op de stelling dat de Staat is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de Staat dat het Tracébesluit en de voor de bouw van het geluidsscherm verleende bouwvergunning(en) formele rechtskracht hebben. Deze formele rechtskracht doet immers niet af aan het feit dat partijen de hiervoor genoemde overeenkomst hebben gesloten. De rechtbank legt de tussen partijen gesloten overeenkomst uit en is van oordeel dat de Staat niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst. De stelling dat de Staat een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens eiser door het geluidsscherm te bouwen zoals hij heeft gedaan, stuit af op de formele rechtskracht van het Tracébesluit en de ten behoeve van de bouw van het geluidsscherm verleende bouwvergunning(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 325081 / HA ZA 08-3903

Vonnis van 25 augustus 2010

in de zaak van

1. [eiser 1]

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2]

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. B.F.M. Huijskens te Breda,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.C.M. Prasing-Remmé te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. (mannelijk enkelvoud) en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 november 2008;

- de conclusie van antwoord van 8 april 2009;

- het tussenvonnis van 13 mei 2009, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 november 2009 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie houdende eisvermeerdering van 24 februari 2010;

- de conclusie van antwoord na eisvermeerdering van 21 april 2010.

1.2 Ten slotte hebben partijen op 23 juni 2010 vonnis gevraagd, waarna vonnis is bepaald aanvankelijk op 4 augustus 2010 en uiteindelijk op heden.

2. De feiten

2.1. Op 14 december 2000 hebben partijen (met anderen) een overeenkomst ondertekend betreffende een ruiling van registergoederen ten behoeve van de verbreding van de rijksweg A16 (hierna: de overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst heeft de Staat aan [eiser] c.s. een perceel tuin in eigendom overgedragen in ruil voor een ander, door [eiser] c.s. aan de Staat in eigendom over te dragen, perceel tuin. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de Staat aan [eiser] c.s. een bedrag van fl. 186.467,- betaalt. In artikel 14 van de overeenkomst is het volgende bepaald:

'Artikel 14 (bijzondere bedingen)

Bijzondere bepalingen:

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden, onder welke de koop en verkoop plaats heeft, komen partijen, voorzover van toepassing in afwijking van het vorenstaande, overeen:

(...)

l. De Staat is verplicht het geluidsscherm, zoals bedoeld in het tracébesluit, aan te brengen.

(...)'

2.2. In de notariële akte van 25 januari 2001 betreffende de ruiling van de registergoederen tussen partijen (en anderen) is de onder 2.1 geciteerde bijzondere voorwaarde opgenomen in artikel 9 aanhef en onder j.

2.3. Op 15 april 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

'(...)

Het Tracébesluit HSL-Zuid bestaat uit de volgende onderdelen:

(...)

* Het op de tracékaarten aangegeven verloop en de geografische omvang van het project;

(...)

8. Maatregelen voor het milieu

Geluidshinder

(...)

Voor de werken aan de A16 zijn soortgelijke - maar dan op de Wet geluidhinder en op het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen gebaseerde - berekeningen uitgevoerd en maatregelen bepaald. Dat geldt evenzeer daar waar de aanleg van de HSL-Zuid leidt tot het aanleggen van een nieuwe weg of de reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder. Bij deze berekeningen zijn reeds vastgestelde saneringswaarden in acht genomen.

De op grond van het bovenstaande te treffen <Geluidswerende maatregelen> zijn op de tracékaarten met een lijnsymbool aangegeven. (...)

(...)

Voor de in acht te nemen grenswaarden vanwege de werken aan de nieuw aan te leggen A16 geldt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Voor de werken aan de te reconstrueren delen van de A16 gelden de in het Tracébesluit vastgestelde waarden.

(...)

9. Maatregelen met betrekking tot kruisende infrastructuur

Kruisende verbindingen

De aanleg van de HSL-Zuid en de werken aan de A16 leidt tot het doorsnijden van bestaande infrastructuur. Het ontwerpen van maatregelen om deze verbindingen te herstellen, is geschied op basis van de volgende uitgangspunten:

* Bestaande verbindingen blijven zoveel mogelijk gehandhaafd; als dit niet mogelijk is dan blijft de omweg voor fietsers en voetgangers beperkt;

* De maatregelen zijn zowel verkeersveilig als door hun vormgeving sociaal veilig;

(...)

10. Overige bepalingen

(...)

Afwijkingen van het weergegeven ontwerp

Het ontwerp van de aan te leggen hogesnelheidslijn en van de werken aan en rond de A16, is op de tracékaarten binnen de desbetreffende zones aangegeven. Gelet op de mate van nauwkeurigheid waarmee het ontwerp is uitgewerkt, kan het definitieve ontwerp hiervan met de volgende marges afwijken: 0,5 m omhoog, 1,5 m omlaag en 2 m naar weerszijden. Voor de hoogtemaat van de aangegeven geluidsafschermende maatregelen geldt een marge van 1 m naar boven en beneden.

Voorts geldt dat, indien de verdere technische uitwerking dat vereist of het beschikbaar komen van innovatieve uitvoeringswijzen en/of kostenbesparende bouwmethodes dat wenselijk maakt, het weergegeven ontwerp - zolang het binnen de desbetreffende zones blijft - kan worden gewijzigd. Uitgangspunt daarbij is dat uit dergelijke wijzigingen geen negatieve gevolgen voortvloeien voor de omgeving.

Gelet hierop gelden, indien van het weergegeven ontwerp wordt afgeweken, in het bijzonder de volgende randvoorwaarden: de effecten op het gebied van de geluidshinder van het aangepaste ontwerp mogen niet het gevolg hebben dat de vastgestelde grenswaarden voor de geluidbelasting worden overschreden (...)

(...)'

Op het bij het Tracébesluit behorende kaartblad 105d is in het geluidsscherm geen opening ter hoogte van de bushalte te zien. Een dergelijke opening (hierna ook: opening 1) is, zoals hierna wordt vermeld, later wel aangebracht. Ter hoogte van het op kaartblad 105d weergegeven fietspad is wel een opening in het geluidsscherm aangegeven (hierna ook: opening 2).

2.4. Het Tracébesluit is vervolgens bij verschillende besluiten aangevuld, waaronder het Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid Aanvulling V (hierna: Aanvulling V). Aanvulling V is op 21 mei 2003 vastgesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en betreft onder meer een inkorting van het geluidsscherm ten opzichte van het in het Tracébesluit opgenomen geluidsscherm. Bij brief van 23 mei 2003 van mr. E.C. de Jong (hierna: mr. De Jong), de toenmalige gemachtigde van [eiser] c.s., aan de Staat zijn namens [eiser] c.s. bedenkingen geuit tegen het Ontwerpbesluit Aanvulling V. In deze brief is onder meer het volgende gesteld:

'(...)

Het belang van cliënt met betrekking tot de overeengekomen lengte van het geluidsscherm is gelegen in vermindering van geluidsoverlast in en om de woning, maar met name ook aan het onttrekken uit het zicht. De kwaliteit van wonen, werken en recreëren is in het geding. Dit geldt natuurlijk ook voor de overige bewoners en bezoekers van de omgeving.

(...)'

2.5. Tegen Aanvulling V heeft [eiser], met anderen, beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Bij uitspraak van 8 september 2004 heeft de Afdeling het beroep van [eiser] en anderen, voor zover gericht tegen het onderdeel van Aanvulling V dat voorziet in een inkorting van de geluidsschermen langs de noordzijde van de A58, gegrond verklaard en het besluit in zoverre vernietigd. De Afdeling heeft voor zover relevant het volgende overwogen, waarmee met appellant [eiser] wordt bedoeld en met verweerder de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer:

'(...) Volgens appellant is de situering en de lengte van het geluidsscherm in de overeenkomst vastgelegd door de verwijzing naar het tracébesluit. De Afdeling volgt het standpunt van appellant. (...)

Dat de nakoming van de overeenkomst tussen appellant en de Staat een privaatrechtelijke aangelegenheid is en dat de overeenkomst primair ziet op de grondruil, zoals verweerder stelt, doet er niet aan af dat deze overeenkomst een rol had behoren te spelen in de belangenafweging die ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit. Dat het perceel van appellant op 230 meter van het in geding zijnde gedeelte van het geluidsscherm is gelegen maakt dit niet anders.

(...)

Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat ingevolge de meergenoemde overeenkomst [te weten: die welke is vastgelegd in de onder 2.2 vermelde notariële akte, toevoeging rechtbank] door of namens verweerder bij appellant zodanige gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat verweerder deze in beginsel diende te honoreren in het kader van de vaststelling van het voorliggende tracébesluit. Dit houdt in dat appellant er op mocht vertrouwen dat een geluidsscherm met een lengte zoals opgenomen in het tracébesluit HSL-Zuid zou worden gerealiseerd. De nadien door verweerder aangevoerde redenen voor inkorting van het desbetreffende geluidsscherm, te weten beperking van het ruimtebeslag, kostenbesparing en de afwezigheid van geluidsgevoelige objecten, acht de Afdeling onvoldoende grond voor het niet honoreren van deze verwachtingen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de belangen van appellant bij afwegingen ten aanzien van de voorgenomen inkorting een rol hebben gespeeld.

Verweerder heeft dan ook door het vaststellen van het tracébesluit HSL V, voor zover dat in een inkorting van het bedoelde geluidsscherm voorziet, in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

(...)'

2.6. Bij brief van 1 juni 2005 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan mr. De Jong het volgende bericht:

'(...) Zowel in diverse brieven c.q. verweerschriften als tijdens de zitting op 6 mei 2004 heeft de heer [eiser] naast het geluidsaspect uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de visueel afschermende werking van het door hem beoogde langere geluidsscherm. Tevens is uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de kwaliteit van de directe leefomgeving en de recreatiemogelijkheden.

Extra visuele afscherming alsmede verbeteringsmaatregelen op het vlak van de kwaliteit van de woonomgeving, behoeven niet in te houden dat de enig mogelijke maatregel, aanvullend op de thans gerealiseerde situatie, een zelfde type c.q. hoogte van een geluidsscherm is.

Gelet op het bovenstaande stel ik voor in overleg met de heer [eiser] te treden en om ter plaatste te bezien en te bespreken op welke wijze vormgegeven kan worden aan de verdere visuele afscherming tussen de A58 en het weggedeelte van de Oude Liesboslaan tot en met de Huisdreef. Wat mij betreft zou daarbij het streven moeten zijn de bestaande bosrand te sparen. (...)'

2.7. Bij brief van 7 september 2005 heeft mr. De Jong aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat het volgende bericht:

'(...) Hiermee bevestig ik ons gesprek op maandag 22 augustus jl. (...)

Cliënt heeft laten weten dat hij bij zijn standpunt blijft en aldus een geluidsscherm wenst met een lengte conform de gesloten overeenkomst. (...) U vroeg echter of een andere uitvoering van het geluidsscherm bespreekbaar is. Dit aangezien op deze manier kosten bespaard kunnen worden. Cliënt liet weten dat een andere uitvoering bespreekbaar is, maar dat de functie van geluidsscherm behouden moet blijven. (...)'

2.8. Op enig moment heeft de Staat aan [eiser] c.s. een tekening overgelegd met als titel 'Praatprent Voorstel geluidsscherm noordzijde A58', gedateerd op 31 augustus 2005 (hierna: de Praatprent). Op deze Praatprent zijn opening 1 en opening 2 ingetekend. Partijen hebben op 23 september 2005 over de Praatprent gesproken.

2.9. Bij brief van 23 november 2005 heeft mr. De Jong aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat het volgende bericht:

'(...) Hiermee (...) bevestig ik het gesprek dat u op 23 september jl. heeft gehad met cliënt (...)

U liet weten dat een alternatief scherm niet tot de mogelijkheden behoorde. Dit aangezien de gemeente Breda, de welstandscommissie en andere belanghebbenden een wezenlijke afwijking van hetgeen er al gebouwd is niet toe zouden staan. U gaf vervolgens aan dat er gebouwd gaat worden overeenkomstig het oorspronkelijke Tracébesluit en dat er aldus schanskorven zullen worden geplaatst en wel overeenkomstig de door u aan cliënt overhandigde tekening "Voorstel geluidsscherm noordzijde A58" d.d. 31 augustus 2005.

U bevestigde verder dat na onderzoek/navraag door u is gebleken dat een schanskorf net zoveel geluid tegenhoudt als een glazenscherm. (...)

Uit de tekening valt op te maken dat er een geluidsscherm in de vorm van schanskorven zal worden gerealiseerd tot aan het punt 73.625 en dat ter plaatse van de fietstunnel een doorzichtig scherm zal worden geplaatst. Kunt u bevestigen dat dit juist is? (...)'

2.10. Bij brief van 14 december 2005 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan mr. De Jong het volgende bericht:

'(...) Naar aanleiding van het overleg met uw cliënt op 23 september 2005 en uw brief van 23 november 2005 is het onze intentie om, overeenkomstig het Tracébesluit HSL-Zuid van 15 april 1998, het geluidsscherm langs de noordzijde van de A58 te plaatsen.(...)

Het is correct dat op de tekening ter plaatse van de fietstunnel een transparant geluidsscherm is geprojecteerd. De overige delen zijn vormgegeven als schanskorf. Dit vloeit voort uit de vormgevingseisen van het project Hogesnelheidslijn-Zuid. (...)'

2.11. Bij brief van 29 maart 2006 heeft mr. De Jong aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat het volgende bericht:

'(...) Op maandag 6 februari jl. heeft u telefonisch contact gehad met cliënt. U liet weten dat er enige tegenslag was en dat cliënt er rekening mee moest houden dat de werkzaamheden eerst eind van dit jaar zullen plaatsvinden. Cliënt was onaangenaam verrast door deze vertraging. (...)'

2.12. Bij brief van 17 november 2006 heeft mr. De Jong aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat onder meer het volgende bericht:

'(...) Tijdens ons eerste overleg heeft u aangegeven wat de realisatie van het scherm ongeveer zou gaan kosten en heeft u gevraagd of cliënt op andere wijze gecompenseerd zou kunnen worden. Cliënt heeft hierop direct laten weten dat "het genot" van het scherm niet in geld is uit te drukken. Vervolgens heeft u gevraagd of cliënt bereid was mee te denken over goedkopere alternatieven. Hiertoe heeft cliënt zich bereid verklaard, zolang de "audio-visuele belangen" geen geweld zouden worden aangedaan. Dit was vanzelfsprekend. Mogelijke alternatieven zouden slechts zien op de uitvoering van de schermen en niet in het weglaten van een deel van het scherm. Dit was allemaal duidelijk. Cliënt heeft zich vervolgens met betrekking tot een eventuele goedkopere uitvoering van het scherm coöperatief opgesteld.

Tijdens een informeel gesprek begin 2006 heeft u aan cliënt een tekening laten zien. Gesproken is over de lengte en de uitvoering (materiaal) van het scherm. U gaf aan dat u met betrekking tot de uitvoering gebonden was aan het materiaal gelijk aan het bestaande scherm. U heeft niet gewezen op een opening in het scherm. Dit is cliënt (als bouwkundige leek) ook niet opgevallen. Aangezien het weglaten van een deel van het scherm een afwijking van de overeenkomst betreft, rustte op u de plicht hier expliciet op te wijzen althans cliënt uitdrukkelijk toestemming te vragen om af te wijken van de overeenkomst. Dit is niet gebeurd.

Gezien uw (contractuele) plicht en de herhaalde toezeggingen dat er gebouwd ging worden conform het Tracébesluit 1998, heeft cliënt hierop vertrouwd. Dit vertrouwen is thans ten tweeden male beschaamd. (...)'

2.13. In 2006 is het geluidsscherm geplaatst, nadat op enig moment bouwvergunning(en) hiervoor zijn verleend. Het geluidsscherm is ter hoogte van de bushalte over een lengte van ongeveer 30 meter opengelaten (opening 1). Achter die opening (vanuit de hierna te noemen woning van [eiser] c.s. gezien en dus dichter bij de A58 gelegen) is een ander geluidsscherm geplaatst. Ter hoogte van het fietspad is een opening in het geluidsscherm van ongeveer zeven meter breed (opening 2). Opening 2 is smaller dan op kaartblad 105d behorend bij het Tracébesluit is voorzien. Ter hoogte van het fietspad is het geluidsscherm voorts over een lengte van ongeveer 42 meter van doorzichtig materiaal gemaakt.

2.14. [eiser] c.s. woont aan [adres]. De Oude Liesboslaan komt ter hoogte van de bushalte uit bij de A58 en gaat vervolgens over in het fietspad dat door opening 2 loopt. [eiser] c.s. heeft vanuit zijn woonhuis geen zicht op de snelweg. Wanneer hij voor zijn woning staat op of bij de Oude Liesboslaan heeft hij door opening 1 zicht op het scherm dat ter hoogte van de bushalte direct langs de snelweg is geplaatst. Vanuit zijn huis of vanaf de straat voor zijn woning heeft [eiser] c.s. geen zicht op opening 2 bij het fietspad.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert - samengevat en na vermeerdering van eis - de veroordeling van de Staat tot:

a. nakoming van de overeenkomst conform hetgeen is bepaald in het Tracébesluit, namelijk primair door middel van het doortrekken van het geluidsscherm zodat opening 1 verdwenen is en subsidiair door verkleining van opening 1 tot een grootte welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

b. nakoming van de overeenkomst conform hetgeen is bepaald in het Tracébesluit, namelijk primair door middel van het doortrekken van het geluidsscherm zodat opening 2 verdwenen is en subsidiair door verkleining van opening 2 tot een grootte welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

c. nakoming van de overeenkomst conform hetgeen bepaald is in het Tracébesluit, door de doorzichtige opening, althans de opening die is gerealiseerd met gebruik van doorzichtig materiaal, ter hoogte van het fietstunneltje te vervangen door zogenaamde schanskorven, althans door materiaal dat niet doorzichtig is en ook voor wat betreft de visuele alsmede akoestische aspecten gelijkwaardig is aan schanskorven, althans materiaal welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

d. betaling aan [eiser] c.s. van schadevergoeding nader op te maken bij Staat, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [eiser] c.s. voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Partijen zijn de aanleg van een geluidsscherm conform het Tracébesluit overeengekomen. De Staat is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst door bij de bushalte een opening in het geluidsscherm aan te leggen (opening 1) en door over een lengte van circa 42 meter een scherm van doorzichtig materiaal aan te brengen. Partijen waren een dergelijke opening en het doorzichtige materiaal niet overeengekomen en bovendien is het geluidsscherm niet van de beloofde kwaliteit. Door bij het fietspad een opening van zeven meter breed in het geluidsscherm aan te leggen (opening 2), heeft de Staat onrechtmatig gehandeld. In de tekening behorend bij het Tracébesluit is opening 2 wel zichtbaar, maar de Staat heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door [eiser] c.s. niet te wijzen op deze opening. In welke mate [eiser] c.s. hinder ondervindt als gevolg van het geluidsscherm is van ondergeschikt belang, althans dat doet niets af aan het feit dat de Staat zijn verplichtingen uit de overeenkomst dient na te komen. Bovendien heeft [eiser] c.s. vanaf de start van het Tracébesluit het belang van de woonomgeving vooropgezet.

Nu aan de rechtsverhouding tussen [eiser] c.s. en de Staat een privaatrechtelijke overeenkomst ten grondslag ligt, kan niet met recht gesteld worden dat [eiser] c.s. de bestuursrechtelijke procesgang had moeten volgen. Voorts heeft [eiser] c.s. niet de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW geschonden. [eiser] c.s. stelt niet geïnformeerd te zijn over de huidige uitvoering van het geluidsscherm, zodat hem pas bij de uitvoering van de werkzaamheden bleek dat er aanzienlijke openingen zouden blijven bestaan en er niet enkel transparant materiaal boven de tunnel werd aangebracht maar over een veel grotere afstand. Op dat moment heeft hij direct geklaagd. Nu [eiser] c.s. tot aan de Afdeling heeft geprocedeerd om het geluidsscherm in overeenstemming te brengen met het Tracébesluit, heeft de Staat er niet op mogen vertrouwen dat hij, [eiser] c.s., alsnog akkoord zou zijn gegaan met een geluidsscherm dat in belangrijke mate afwijkt van het Tracébesluit.

3.3. De Staat voert verweer.

3.4. Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voor zover [eiser] c.s. zijn vorderingen baseert op het 'Toekomstpanorama van de HSL-Zuid en de A16 bij Breda' van 1999 (door partijen ook wel de 'artist impression' genoemd, hierna: het toekomstpanorama), gaat de rechtbank hieraan voorbij. Uit de in de legenda opgenomen tekst blijkt immers dat het een schets betreft, waarin nog niet alles is uitgewerkt. Vermeld is dat uitwerking zal plaatsvinden in samenspraak tussen gemeente, de omgeving en het projectbureau, waarna de schets wordt aangepast. Bovendien is opgemerkt dat aan het kaartbeeld geen afzonderlijke rechten kunnen worden ontleend. Onder die omstandigheden kan [eiser] c.s. dan ook niet met succes een beroep doen op het toekomstpanorama.

4.2. Voor zover [eiser] c.s. zijn vorderingen grondt op de stelling dat de Staat is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, zal de rechtbank voorbijgaan aan de stelling van de Staat dat het Tracébesluit en de voor de bouw van het geluidsscherm verleende bouwvergunning(en) formele rechtskracht hebben. Deze formele rechtskracht doet immers niet af aan het feit dat partijen een overeenkomst hebben gesloten over een ruiling van registergoederen, waarbij als bijzondere voorwaarde is overeengekomen dat de Staat verplicht is het geluidsscherm, zoals bedoeld in het Tracébesluit, aan te brengen. Beoordeeld moet worden (i) of de Staat is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit deze overeenkomst en, zo ja, (ii) of de Staat de daardoor door [eiser] c.s. geleden schade dient te vergoeden.

4.3. Beoordeling van deze vragen vergt uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Bij uitleg van de overeenkomst komt het niet slechts aan op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen daarvan, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

Opening 1 bij bushalte

4.4. De rechtbank stelt vast dat de Staat op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 14 december 2000 (zie 2.1) verplicht is het geluidsscherm, zoals bedoeld in het Tracébesluit, aan te brengen. Onderdeel van het Tracébesluit zijn de tracékaarten. Op kaartblad 105d behorende bij het Tracébesluit is de later gerealiseerde opening in het geluidsscherm ter hoogte van de bushalte niet opgenomen. Partijen zijn derhalve op 14 december 2000 niet een dergelijke opening in het geluidsscherm overeengekomen.

4.5. Na de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2004 zijn partijen echter opnieuw met elkaar in overleg getreden over de uitvoering van het geluidsscherm, onder meer aan de hand van de Praatprent, die is gedateerd op 31 augustus 2005. Op de Praatprent is de opening in het geluidscherm ten behoeve van de bushalte getekend, met achter de opening een tweede geluidsscherm. Niet in geschil is dat de Praatprent door de Staat aan [eiser] c.s. is verstrekt, dat partijen hierover op 23 september 2005 met elkaar hebben gesproken, waarbij [eiser] c.s. werd bijgestaan door een juridisch raadsman, en dat [eiser] c.s. ook na dat gesprek de beschikking had over de Praatprent. Na het gesprek op 23 september 2005 hebben partijen bovendien nog schriftelijk met elkaar gecorrespondeerd over de uitvoering van het geluidsscherm. Daarbij heeft [eiser] c.s. nooit opmerkingen gemaakt over de opening in het geluidsscherm ter hoogte van de bushalte. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat partijen op of omstreeks 23 september 2005 een nadere invulling hebben gegeven aan de op 14 december 2000 gesloten overeenkomst, onder meer inhoudende de realisatie van een opening in het geluidsscherm ten behoeve van de bushalte.

4.6. Dat de Staat [eiser] c.s. niet zou hebben gewezen op genoemde opening in het geluidsscherm op de Praatprent - wat hier overigens ook van zij - kan [eiser] c.s. niet baten. De opening is duidelijk zichtbaar op de Praatprent en [eiser] c.s. heeft ruim de gelegenheid gehad om de Praatprent te bestuderen en eventueel deskundigen hiernaar te laten kijken. Onder deze omstandigheden kan [eiser] c.s. niet met succes aan de Staat tegenwerpen dat hij, de Staat, niet expliciet zou hebben gewezen op genoemde opening.

4.7. Nu niet is gesteld of gebleken dat opening 1 niet conform de Praatprent is gerealiseerd, is niet komen vast te staan dat de Staat in zoverre is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de tussen partijen geldende overeenkomst.

Opening 2 bij fietspad

4.8. De rechtbank constateert dat de opening in het geluidsscherm ten behoeve van het fietspad, is vermeld op kaartblad 105d behorende bij het Tracébesluit. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.4. is overwogen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat partijen een opening in het geluidsscherm op genoemde plaats zijn overeengekomen. Nu de Staat onweersproken heeft gesteld dat deze opening op het kaartblad 105d zelfs groter is dan de uiteindelijk gerealiseerde opening (omdat hier aanvankelijk een weg in plaats van een fietspad zou lopen), is de Staat niet tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst met [eiser] c.s.

4.9. [eiser] c.s. stelt dat de realisatie van opening 2 in het geluidsscherm moet worden aangemerkt als een door de de Staat gepleegde onrechtmatige daad jegens [eiser] c.s. Volgens [eiser] c.s. heeft de Staat, mede gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen bij de uitspraak van 8 september 2004, het vertrouwensbeginsel geschonden door (i) een opening te creëren waarvan de Staat wist of had moeten weten dat deze niet in het belang van [eiser] c.s. was en bovendien (ii) [eiser] c.s. nooit te wijzen op genoemde opening in het kaartblad 105d. De rechtbank volgt [eiser] c.s. hierin niet en overweegt daartoe als volgt.

4.10. De rechtbank stelt voorop dat moet worden uitgegaan van de geldigheid van een besluit van een bestuursorgaan indien daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en deze rechtsgang hetzij niet is gebruikt, hetzij niet tot vernietiging van het besluit heeft gelegd (het beginsel van formele rechtskracht); aldus onder meer HR 2 juni 1995, NJ 1997, 164. Als regel geldt dat een besluit met formele rechtskracht zowel wat zijn wijze van totstandkoming als wat zijn inhoud betreft, voor rechtmatig moet worden gehouden. Deze regel kan slechts in zeer klemmende gevallen uitzondering lijden. Bij het aanvaarden van zulke uitzonderingen moet terughoudendheid worden betracht, gezien de zwaarwegende belangen die door het genoemde beginsel worden gediend.

4.11. Het Tracébesluit en de ten behoeve van de bouw van het geluidsscherm verleende bouwvergunning(en) hebben formele rechtskracht gekregen. In het Tracébesluit is voorzien in opening 2. De rechtbank heeft geen kennis van de bouwvergunning(en). Nu niet is gesteld of gebleken dat bij de bouwvergunning(en) is afgeweken van het Tracébesluit in deze zin dat opening 2 hierin niet zou zijn opgenomen, gaat de rechtbank ervan uit dat ook de bouwvergunning(en) voorziet (respectievelijk voorzien) in realisatie van opening 2. Aangezien genoemde besluiten voor wat betreft hun inhoud als regel voor rechtmatig moeten worden gehouden, is uitgangspunt dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door opening 2 te realiseren.

4.12. Hetgeen [eiser] c.s. heeft gesteld is onvoldoende voor het maken van een uitzondering op de regel dat de hier bedoelde besluiten voor rechtmatig moeten worden gehouden. De overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 8 september 2004 zijn hierbij niet relevant. Genoemde uitspraak ziet op de situatie dat de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, door middel van een aanvullend besluit was afgeweken van het Tracébesluit. Opening 2 is echter conform het Tracébesluit gerealiseerd, althans er is een kleinere opening aangebracht dan aanvankelijk was voorzien. De rechtbank volgt [eiser] c.s. niet in zijn stelling dat de Staat het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door niet expliciet te wijzen op opening 2, nog daargelaten de vraag of de Staat hier inderdaad niet op heeft gewezen. Op kaartblad 105d is opening 2 duidelijk zichtbaar, terwijl niet is gesteld of gebleken dat [eiser] c.s. onvoldoende tijd had om, eventueel met deskundigen, deze kaart te bestuderen.

Doorzichtige delen van geluidsscherm

4.13. De rechtbank stelt met partijen vast dat in de overeenkomst tussen partijen en in het Tracébesluit (en meer in het bijzonder op kaartblad 105d) niets is opgenomen over de te gebruiken materialen voor het geluidsscherm. Wel hebben partijen tijdens het gesprek van 23 september 2005 kennelijk gesproken over de materiaalkeuze, aangezien in de brief van 23 november 2005 van mr. De Jong hieraan wordt gerefereerd. Bij brief van 14 december 2005 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat bovendien desgevraagd aan [eiser] c.s. bevestigd dat op de tekening ter plaatse van de fietstunnel een transparant geluidsscherm is geprojecteerd. Daargelaten de vraag of kan worden gesteld dat partijen hiermee zijn overeengekomen dat ter hoogte van de fietstunnel een transparant geluidsscherm zou worden gerealiseerd, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] c.s. in ieder geval zijn recht heeft verwerkt om hiertegen op te komen. Vast staat immers dat hij in ieder geval omstreeks 14 december 2005 van de plannen voor een transparant geluidsscherm op de hoogte was, terwijl niet is gebleken dat hij vóór deze procedure hiertegen acties jegens de Staat heeft ondernomen. Dat het doorzichtige deel van het geluidsscherm groter is dan [eiser] c.s. had behoeven te verwachten, is de rechtbank niet gebleken.

Slotsom

4.14. Gelet op het voorgaande is de Staat niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en heeft de Staat ook niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] c.s. door realisatie van het geluidsscherm met daarin opening 1 en 2 en de doorzichtige delen. [eiser] c.s. heeft geen recht op een door de Staat te betalen schadevergoeding. De vorderingen van [eiser] c.s. zullen worden afgewezen.

4.15. [eiser] c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat tot dusverre begroot op € 1.384,-, waarvan € 254,- aan griffierecht en € 1.130,- aan salaris advocaat (21/2 punt à € 452,-, volgens tarief II).

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.384,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.