Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9272

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
349628 / HA ZA 09-3450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Verzet tegen een dwangbevel van de Gemeente tot incassering van een dwangsom. Vereenzelviging van eenmanszaak en besloten vennootschap. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 349628 / HA ZA 09-3450

Vonnis van 25 augustus 2010

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres,

advocaat mr. H.J.M. Winkelhuijzen te Alphen aan den Rijn,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

DE GEMEENTE ALPHEN AAN DEN RIJN,

zetelend te Alphen aan den Rijn,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 september 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, van 25 november 2009;

- het tussenvonnis van 9 december 2009, waarbij een comparitie is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 29 juni 2010, waarin melding is gemaakt van de brief van 15 juni 2010 (met producties) van de advocaat van [eiseres].

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij besluit van 14 oktober 2008 hebben burgemeester en wethouders van de Gemeente ("B&W") [bedrijf van eiseres] gelast het met het geldende bestemmingsplan [a-straat] strijdige gebruik van het perceel [a-straat] 65b te Alphen aan den Rijn (hierna: het "perceel") ten behoeve van reparatiewerkzaamheden aan (vuil)containers, te beëindigen en beëindigd te houden. B&W hebben daarbij bepaald dat [bedrijf van eiseres], indien niet binnen de gestelde termijn van tien weken na verzenddatum van het besluit, die eindigde per 24 december 2008, zou worden voldaan aan de aanschrijving, een dwangsom van € 5.000,- per week verbeurde tot een maximum van € 50.000,-. De brief van 14 oktober 2008 is gericht aan "[bedrijf van eiseres], t.a.v. [echtgenoot van eiseres] is de echtgenoot van [eiseres]. De gestelde termijn liep tot 24 december 2008.

2.2. In ieder geval tot 18 november 2009 stond [bedrijf van eiseres] ingeschreven in het handelsregister als eenmanszaak met [eiseres] als degene voor wier rekening de onderneming werd gedreven. De bedrijfsomschrijving luidde "Reparatie van containers".

2.3. In ieder geval tot 18 november 2009 stond [eiseres] ook ingeschreven in het handelsregister als enig bestuurder van de besloten vennootschap Fero Fashion B.V., die, in ieder geval tot voormelde datum, op haar beurt stond ingeschreven als enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [bedrijf van eiseres] B.V. [echtgenoot van eiseres] stond in ieder geval tot voormelde datum ingeschreven als bestuurder van Fero Fashion B.V.

2.4. In het bestemmingsplan [a-straat] zoals dat in ieder geval in oktober 2008 gold, heeft het perceel de bestemming "Hoveniersbedrijf, met bijbehorende erven".

2.5. Tegen het besluit van 14 oktober 2008 heeft [bedrijf van eiseres] B.V. op 6 november 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 december 2008 heeft [bedrijf van eiseres] B.V. de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om, hangende de bezwaarprocedure, de begunstigingstermijn van tien weken te verlengen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen bij uitspraak van 22 december 2008. Bij besluit van 29 januari 2009 hebben B&W het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar is geen beroep ingesteld. Daarmee is het besluit van 14 oktober 2008 onherroepelijk geworden.

2.6. Op het perceel staat een loods. Eigenaar van de loods is [A.]. [A.] en [eiseres] hebben beiden een brief gedateerd 22 december 2008 ondertekend waarin het volgende staat vermeld:

"Geachte [eiseres]

Hierbij zijn we overeengekomen dat we per direct het huurcontract van de [a-straat] 65 C hebben beeindigd.

Aldus opgemaakt en ondertekend

Plaats 22-12 '08 ,Datum Plaats 22-12-'08 ,Datum

(handtekening verhuurder) (Handtekening Huurder)"

[A.] heeft aan diverse personen in Alphen aan den Rijn een aangetekende brief, gedateerd 22 december 2008, gestuurd met de volgende mededeling:

"Hierbij willen wij u doorgeven dat wij het huurcontract met [bedrijf van eiseres] per direct hebben beëindigt."

2.7. [A.] en de besloten vennootschap ACE Service B.V. (hierna: "ACE B.V.") hebben een huurovereenkomst getekend waarin is vastgelegd dat ACE B.V. vanaf 23 december 2008 de bedrijfsruimte aan de [a-straat] 65C te Alphen aan den Rijn van [A.] huurt. [echtgenoot van eiseres] stond in ieder geval tot 18 november 2009 ingeschreven als bestuurder van ACE B.V.

2.8. In de periode van december 2008 tot en met maart 2009 heeft de Gemeente, Unit Inspectie Afdeling Stadsbeheer, op het perceel meerdere controles uitgevoerd om te kunnen vaststellen of de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf van eiseres], dat wil zeggen het repareren van vuilcontainers, beëindigd waren. Van deze controles is steeds een verslag gemaakt. In deze verslagen is onder meer geconstateerd dat op het perceel werd gewerkt aan containers, en dat hydraulische systemen bij containers werden aangebracht.

2.9. Bij brief van 16 januari 2009 hebben B&W aan [bedrijf van eiseres] meegedeeld dat dwangsommen waren verbeurd omdat de werkzaamheden aan (vuil)containers op het perceel niet waren beëindigd. Na deze datum heeft de Gemeente meerdere brieven van gelijke strekking aan [bedrijf van eiseres] gestuurd.

2.10. Bij brief gedateerd 11 mei 2009 heeft [bedrijf van eiseres] B.V. aan de Gemeente het volgende geschreven:

"In navolging van uw brief met kenmerk 2009-12729 wil ik nog eens benadrukken dat wij niet (meer) de huurder zijn van het bedrijfspand gelegen aan de [a-straat] 65b.

Zie onze brief met opzegging aan u gestuurd 23 December j.l.[noot rechtbank: bedoeld wordt 22 december 2008]

Wel zijn wij huurder van het pand aan de [a-straat] 67 waar we uw brief hebben mogen ontvangen.

Wij kunnen dan ook geen enkele reden bedenken waarom ons bedrijf een dergelijke dwangsom zouden moeten betalen."

2.11. Op 13 juli 2009 hebben B&W een dwangbevel uitgevaardigd tegen [bedrijf van eiseres]. In dit besluit is het volgende opgenomen:

"Burgemeester en wethouders van de Gemeente vaardigen tegen:

[bedrijf van eiseres], [adres]

dit dwangbevel uit, aangezien deze, ondanks de gezonden aanmaningen, in gebreke is gebleven het hieronder genoemde bedrag wegens verbeurde dwangsommen tijdig te voldoen en ten gevolge hiervan een achterstand als volgt:

(...)

Totaalbedrag verbeurde dwangsommen: € 50.000,-

(...)"

2.12. Het dwangbevel is op 27 juli 2009 betekend aan "(...) [eiseres], (...) handelend onder de naam [bedrijf van eiseres]".

2.13. Op 11 augustus 2009 heeft [bedrijf van eiseres] een brief met min of meer dezelfde tekst als de onder 2.10 vermelde brief van 11 mei 2009 aan de Gemeente gestuurd.

2.14. [eiseres] heeft bij de onder 1.1 genoemde dagvaarding van 7 september 2009, waarmee deze procedure is ingeleid, verzet ingesteld tegen het dwangbevel.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank het verzet gegrond verklaart en het dwangbevel van 13 juli 2009 buiten effect stelt, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering primair ten grondslag dat zij geen dwangsommen heeft verbeurd omdat aan haar geen dwangsommen zijn opgelegd. De last onder dwangsom is immers gericht tot "[bedrijf van eiseres] t.a.v. de heer [echtgenoot van eiseres]". Subsidiair stelt zij dat [bedrijf van eiseres] tijdig aan de last onder dwangsom heeft voldaan door op 22 december 2008 het huurcontract voor de bedrijfsruimte op het perceel per direct te beëindigen en vanaf dat moment geen gebruik meer te maken van deze bedrijfsruimte. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het uitbrengen van het dwangbevel stelt [eiseres] dat zij deze kosten niet verschuldigd is en voorts dat het gevorderde bedrag niet in verhouding staat tot de verrichte handelingen.

3.3. De Gemeente voert verweer. Zij stelt - samengevat - primair dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar verweer omdat het dwangbevel niet aan haar in persoon is uitgevaardigd en zij derhalve geen belang heeft bij het verzet. Subsidiair stelt de Gemeente dat [bedrijf van eiseres] de dwangsommen wel degelijk heeft verbeurd, omdat uit controles is gebleken dat op het perceel na 24 december 2008 dezelfde activiteiten plaatsvonden als vóór 24 december 2008, terwijl de last onder dwangsom juist als doel had deze activiteiten stop te zetten vanwege de schending van het geldende bestemmingsplan. De Gemeente acht het onvoldoende aannemelijk dat de huurovereenkomst van [bedrijf van eiseres] voor (de bedrijfsruimte op) het perceel is geëindigd of dat ACE B.V. de nieuwe huurder is van deze bedrijfsruimte. Meer subsidiair stelt de Gemeente dat, voor zover ACE B.V. wel de nieuwe huurder is, alle feiten en omstandigheden erop wijzen dat [eiseres] en [echtgenoot van eiseres], samen met [A.], uitsluitend met het oog op voorkoming van verbeurte van de dwangsommen door [bedrijf van eiseres], op ontoelaatbare wijze hebben getracht de feitelijke situatie aldus weer te geven alsof ACE B.V. de huurder zou zijn van de bedrijfsruimte op het perceel.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel is gesteld noch gebleken. [eiseres] kan in zoverre dus in haar verzet worden ontvangen.

4.2. De Gemeente heeft haar beroep op de niet ontvankelijkheid van [eiseres] tijdens de comparitie ingetrokken, zodat de rechtbank aan dit primaire verweer van de Gemeente voorbijgaat.

4.3. In deze procedure staat vast dat B&W bij onherroepelijk besluit van 14 oktober 2008 aan [bedrijf van eiseres] een last onder dwangsom hebben opgelegd en dat [bedrijf van eiseres] een eenmanszaak is van [eiseres]. De rechtbank acht het niet van belang dat de brief van 14 oktober 2008 met het dwangsombesluit was geadresseerd aan "[bedrijf van eiseres] t.a.v. de heer [echtgenoot van eiseres]". Hiermee werd [echtgenoot van eiseres] niet degene tot wie het besluit was gericht. Hij is kennelijk - en niet onbegrijpelijk - gezien als vertegenwoordiger van [eiseres], de eigenares van de onderneming met de naam [bedrijf van eiseres]. Het primaire verweer van [eiseres] faalt dus. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat [eiseres] niet heeft gesteld dat door deze tenaamstelling bij haar verwarring of onduidelijkheid is ontstaan over het feit dat de last onder dwangsom aan [bedrijf van eiseres] en dus aan haar onderneming was opgelegd.

4.4. In deze verzetprocedure is de vraag aan de orde of [eiseres] de dwangsommen heeft verbeurd doordat haar onderneming, [bedrijf van eiseres], na afloop van de begunstigingstermijn heeft gehandeld in strijd met de gegeven last.

4.5 Tijdens de comparitie heeft [eiseres] gesteld dat zij al in 2006 haar eenmanszaak met de naam [bedrijf van eiseres] heeft ingebracht in [bedrijf van eiseres] B.V. Dit roept de vraag op of [eiseres] (als privépersoon) wel dwangsommen kan hebben verbeurd. Hierbij verdient de aandacht dat, zoals onder 2.5 is vermeld, [bedrijf van eiseres] B.V. - en niet [eiseres] als degene tot wie het dwangsombesluit rechtens was gericht - bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit en dienaangaande een voorlopige voorziening heeft gevraagd. Dit was overigens ook het geval geweest bij een eerder dwangsombesluit, dat B&W op 27 september 2006 hadden uitgevaardigd tegen [bedrijf van eiseres]. In de daarop gevolgde procedure, die is geëindigd met de door de Gemeente als productie 2 overgelegde uitspraak van 15 juli 2009 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is steeds [bedrijf van eiseres] B.V. (en niet "[bedrijf van eiseres]" of [eiseres]) als procespartij opgetreden (en wel naast [echtgenoot van eiseres]). Gelet op deze proceshouding van [bedrijf van eiseres] B.V. zelf, gevoegd bij het feit dat [eiseres] enig aandeelhouder is van de besloten vennootschap, Fero Fashion B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder is van [bedrijf van eiseres] B.V., concludeert de rechtbank dat de eenmanszaak [bedrijf van eiseres] en de besloten vennootschap [bedrijf van eiseres] B.V. in dit opzicht met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Dit betekent dat moet worden onderzocht of door (één van) deze twee (rechts)personen is gehandeld in strijd met de last van 14 oktober 2008.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel na 24 december 2008 de activiteiten hebben plaatsgevonden die zijn omschreven in de rapporten van de Unit Inspectie Afdeling Stadsbeheer van de Gemeente. [eiseres] erkent op zichzelf de juistheid van de waarnemingen van de Gemeente na afloop van de begunstigingstermijn. Geschil bestaat over de vraag of [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. deze activiteiten hebben ondernomen of dat zij deze met ingang van 22 december 2008 hebben gestaakt, en daarmee hebben voldaan aan de last onder dwangsom.

4.7. De rechtbank stelt op dit punt voorop dat de dwangsommen op basis van de last onder dwangsom van 14 oktober 2008 zijn verbeurd indien komt vast te staan dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan [a-straat] hebben overtreden. Als overtreder is in het algemeen slechts aan te merken degene die het te handhaven voorschrift werkelijk schendt. Belangrijk criterium hierbij is de vraag of betrokkene de activiteiten die de overtreding vormen feitelijk uitvoert of een (eind)verantwoordelijkheid heeft voor of zeggenschap heeft over deze activiteiten. De bewijslast ter zake rust op de Gemeente als de partij die de dwangsommen wil innen.

Beëindiging huurovereenkomst

4.8. Op basis van de door [eiseres] overgelegde en in zoverre niet voldoende gemotiveerd betwiste stukken, waaronder de onder 2.4 aangehaalde verklaring van 22 december 2008 en de huurovereenkomst met ACE B.V., is de rechtbank van oordeel dat de huurovereenkomst voor (de bedrijfsruimte op) het perceel met [bedrijf van eiseres] is geëindigd en dat een nieuwe huurovereenkomst is gesloten met ACE B.V. De omstandigheid dat in de bedoelde verklaring is opgenomen dat de opzegging [a-straat] 65c betreft en dat de huurovereenkomst [a-straat] 65c betreft, acht de rechtbank niet relevant, gegeven de onweersproken gebleven verklaring van [eiseres] dat (i) de lokale aanduidingen [a-straat] 65b en [a-straat] 65c hetzelfde perceel betreffen en (ii) het officiële huisnummer van dit perceel 65b is, maar met [a-straat] 65c ook wel de loods wordt bedoeld die achter op het terrein staat en die (gedeeltelijk) werd gehuurd.

[bedrijf van eiseres] toch overtreder

4.9. De rechtbank begrijp het verweer van de Gemeente aldus dat de Gemeente stelt dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V., ondanks de formele beëindiging van de huurovereenkomst, hun activiteiten op het perceel aan de [a-straat] 65b niet hebben beëindigd dan wel dat zij verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de door ACE B.V. verrichte activiteiten op het perceel en daardoor als overtreder kunnen worden aangemerkt en de dwangsommen hebben verbeurd.

Activiteiten niet beëindigd

4.10. Ter toelichting op haar betoog dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. zelf de activiteiten hebben voortgezet heeft de Gemeente onder meer gesteld dat (i) de activiteiten waarvoor de last onder dwangsom is opgelegd, na afloop van de begunstigingstermijn op het perceel zijn voortgezet, (ii) in de loods nog steeds activa aanwezig zijn die er ook al waren in de periode dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. de loods huurden, (iii) de auto van [echtgenoot van eiseres], alsmede bedrijfswagens van [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. geregeld op het perceel zijn gesignaleerd en (iv) de bedrijfsleider van [bedrijf van eiseres] B.V. werkzaam is (geweest) op het terrein. Deze omstandigheden zijn waargenomen door (vertegenwoordigers van) de Gemeente en vastgelegd in de rapporten van de Unit Inspectie Afdeling Stadsbeheer van de Gemeente. [eiseres] erkent, zoals vermeld, de juistheid van deze waarnemingen, maar voert als verweer aan dat [bedrijf van eiseres] B.V. het perceel [a-straat] 67 huurt en dat daarom bedrijfswagens van haar, van tijd tot tijd, op of in de nabijheid van het perceel aanwezig kunnen zijn, en dat [bedrijf van eiseres] B.V. activa heeft overgedragen aan ACE B.V. en haar bedrijfsleider uitleent aan ACE B.V. Dit verweer heeft [eiseres] niet met documenten toegelicht.

4.11. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat de hierboven omschreven, door [eiseres] erkende, omstandigheden voorshands de conclusie rechtvaardigen dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. hun activiteiten op het perceel niet hebben beëindigd. Op basis van deze conclusie is [eiseres] de dwangsommen verschuldigd, nu zij geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de Gemeente dat de op het perceel uitgevoerde activiteiten op zichzelf van gelijk(soortig)e aard zijn als die waarop de last onder dwangsom zag. Indien echter [eiseres] kan bewijzen dat niet [bedrijf van eiseres] of [bedrijf van eiseres] B.V. de hier bedoelde activiteiten heeft verricht maar ACE B.V., zoals zij stelt, moet de conclusie zijn dat [eiseres] geen dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank zal Van der [eiseres] overeenkomstig haar aanbod in de gelegenheid stellen dit bewijs te leveren.

Verantwoordelijk voor activiteiten op het perceel

4.12. Indien [eiseres] slaagt in haar bewijs, waardoor komt vast te staan dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. de activiteiten na 24 december 2008 op het perceel hebben beëindigd, zal de rechtbank het verzet gegrond verklaren. Zij zal dan voorbijgaan aan de stelling van de Gemeente dat alle feiten en omstandigheden erop wijzen dat [eiseres] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de activiteiten op het perceel uitgevoerd na 24 december 2008 en daardoor als overtreder kan worden aangemerkt. De Gemeente voert hiertoe onder meer aan (i) dat [echtgenoot van eiseres], alleen, bevoegd is om ACE B.V. te vertegenwoordigen, (ii) dat hij tevens feitelijk [bedrijf van eiseres] runt, (iii) dat [echtgenoot van eiseres] en [eiseres] ook nog een bedrijf hebben dat [bedrijf van eiseres] B.V. heet, (iv) dat Fero Fashion B.V. enig aandeelhouder is van [bedrijf van eiseres] B.V. en (v) dat [echtgenoot van eiseres] bestuurder is van Fero Fashion B.V.

4.13. De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente hiermee onvoldoende heeft gesteld waaruit kan volgen dat [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. op enige wijze verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de activiteiten die ACE B.V. verricht of dat [bedrijf van eiseres] over deze activiteiten enige zeggenschap heeft. De omstandigheid dat ACE B.V. een zusterbedrijf is van [bedrijf van eiseres] B.V. en dat beide bedrijven (indirect) dezelfde bestuurder hebben, is daarvoor niet voldoende. Het handelen van [echtgenoot van eiseres] als bestuurder van ACE B.V. kan, zonder nadere toelichting die de Gemeente niet heeft gegeven, niet aan [bedrijf van eiseres] en/of [bedrijf van eiseres] B.V. worden toegerekend, ook al is [echtgenoot van eiseres] als bestuurder van Fero Fashion indirect ook bestuurder van [bedrijf van eiseres] B.V., die kennelijk de activiteiten van [bedrijf van eiseres] heeft overgenomen.

4.14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. laat [eiseres] toe het in onderdeel 4.11 bedoelde bewijs te leveren;

5.2. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. H.F.M. Hofhuis in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage op 12 oktober 2010 om 14.30 uur;

5.3. bepaalt dat, voor zover [eiseres] het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van schriftelijke stukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen vier weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel recht - en aan de wederpartij moet opgeven;

5.4. bepaalt dat [eiseres], indien en voor zover zij bewijs wil leveren door overlegging van schriftelijke stukken, afschriften hiervan binnen vier weken na de datum van dit vonnis aan de voormelde griffie en aan de wederpartij dient toe te zenden;

5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.