Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7800

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
21-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/29068
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / vrijstelling / medische noodsituatie / beschikbaarheid mantelzorg / BMA advies niet inzichtelijk

Teneinde te kunnen vaststellen of eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, onder c van de Vw 2000 dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat zij niet kan reizen is meermalen het BMA geraadpleegd. In de BMA-adviezen van 21 juni 2008 en van 14 april 2009 komt de aanwezigheid van mantelzorg expliciet aan de orde. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat deze twee BMA-adviezen op elkaar aansluiten zodat ook hetgeen in het advies van 21 juni 2008 is opgemerkt hierover gelding heeft. In het laatstbedoelde BMA-advies staat vermeld dat “ ten aanzien van verpleeghuiszorg om mantelzorg te vervangen wordt opgemerkt dat deze in zeer beperkte mate met lange wachtlijsten beschikbaar is zodat de kans gering is dat een dergelijke patiënte hier verpleegd of verzorgd kan worden, en dat thuiszorg faciliteiten onvoldoende zijn”. Ook is opgemerkt dat “gezien het feit dat zij voor dagelijkse zorg afhankelijk is van mantelzorg kan ook bij uitblijven hiervan een medische noodsituatie op korte termijn optreden”. Ook in het BMA-advies van 14 april 2009 staat dat bij uitblijven van mantelzorg een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is. De rechtbank legt deze zinsneden zo uit dat de medisch adviseur mantelzorg als adequate vervanging van verpleeghuiszorg dan wel thuiszorg beschouwt. Ook leidt de rechtbank uit de adviezen af dat, indien er geen mantelzorg beschikbaar is, eiseres afhankelijk is van thuiszorg dan wel verpleeghuiszorg maar dat deze niet adequaat is. Naar het oordeel van de rechtbank had de medisch adviseur zich dienen uit te laten over de aard van de kennelijk noodzakelijk geachte mantelzorg en daarmee over de vraag of deze zorg door de in Syrië aanwezige mantelzorgers kan worden geleverd. Het begrip ‘mantelzorger’ is immers een medisch inhoudsloos begrip; het is maar de vraag of een familielid of andere ‘mantelzorger’ voor de specifiek noodzakelijke zorg kan zorgdragen. Door de benodigde zorg niet te specificeren, acht de rechtbank het BMA-advies niet inzichtelijk. Dit klemt te meer nu eiseres een zoon heeft met het syndroom van Down en ook hij zorg nodig heeft. Dit betekent dat verweerder het bestreden besluit niet op de BMA-advisering heeft kunnen baseren. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: 09/29068

Uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2010

inzake:

[...],

geboren in 1922,

van Syrische nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiseres,

gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fuhler, advocaat te Emmen,

tegen:

de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.B. Rijpma, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 5 november 2005 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met als doel “ beperking conform beschikking Minister”.

Bij besluit van 15 november 2005 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd.

Bij besluit van 16 juli 2009 heeft verweerder het tegen dit besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 12 augustus 2009 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. De gronden van het beroep zijn ingediend op 10 september 2009, 30 maart 2010 en op 5 juli 2010. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 juli 2010.

Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

In geschil is de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14, eerste lid, Vw 2000.

Allereerst heeft eiseres aangevoerd dat verweerder het besluit niet op een zorgvuldige wijze heeft genomen. Er is sprake van schending van de hoorplicht. Het horen had eventueel op locatie gekund dan wel er hadden schriftelijke vragen kunnen worden gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt. Niet in geschil is dat eiseres heeft afgezien van het recht om tijdens een hoorzitting gehoord te worden. Ook eerder al, op 31 januari 2008, zijn de door verweerder op schrift gestelde vragen door eiseres beantwoord. Uit het verslag van de op 15 januari 2009 gehouden hoorzitting, waar een familielid van eiseres wel aanwezig was, heeft de voorzitter de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken na de hoorzitting aanvullende informatie omtrent de gezondheidsituatie van eiseres toe te sturen. Van belang is dat de verschillende dossiers samenhang vertonen en dat verweerder tijdens de hoorzitting met dit andere familielid de positie van eiseres aan de orde kon stellen. Kennelijk heeft de gemachtigde van eiseres geen aanleiding gezien na deze hoorzitting nog aanvullende informatie te overleggen.

Dat deze gang van zaken van de zijde van verweerder onzorgvuldig is, volgt de rechtbank niet.

Niet in geding is dat eiseres niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Naar de mening van verweerder komt eiseres niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres betwist dit.

Teneinde te kunnen vaststellen of eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, onder c van de Vw 2000 dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat zij niet kan reizen is meermalen het BMA geraadpleegd.

Uit het laatste advies is gebleken dat eiseres bekend is met boezemfibrilleren en een verdikking van de linker hartkamer met een decompensatiecomponent. Daarnaast heeft zij oogheelkundige problemen waardoor zij bijna blind is en afhankelijk is van mantelzorg door familie. Zij is hardhorend, heeft een vertraagde schildklierwerking en slaapstoornissen. Eiseres wordt behandeld door een cardioloog en een huisarts en heeft diverse medicatie.

De behandeling is blijvend geïndiceerd. Bij uitblijven van medicatie voor de hartaandoening dan wel mantelzorg is een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten. Eiseres is wel in staat te reizen. Er zijn wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens en na de reis noodzakelijk is en een fysieke overdracht aan de toekomstige behandelaars op de plaats van bestemming. Er zijn voldoende therapiemogelijkheden in het land van herkomst. Cardiologische behandeling is mogelijk in alle grote steden van Syrië.

Medicatie is daar verkrijgbaar. De vraag of mantelzorg aanwezig is in het land van herkomst dan wel de plaats waar eiseres naar zal terugkeren is de medisch adviseur onbekend omdat een onderzoek buiten zijn competentie valt.

Volgens vaste jurisprudentie is een aan de afwijzing ten grondslag gelegd advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen.

Eiseres heeft naar voren gebracht dat het rapport van de medisch adviseur niet op een zorgvuldige manier is opgesteld. De BMA-rapporteur verwijst in zijn advies onder 2b naar een zevental medicijnen. Het antwoord van Request Number Sy-1105-2008 geeft slechts informatie over vier medicijnen. Nu Request Number Sy-1105-2008 niet spreekt over de andere drie medicijnen is onduidelijk of deze drie medicijnen überhaupt wel verkrijgbaar zijn in Syrië.

Nu deze informatie ontbreekt, kon de medisch adviseur niet bepalen dat de medicatie of een equivalent beschikbaar is. Het rapport is op een onzorgvuldige wijze opgesteld.

Dit standpunt van eiseres volgt de rechtbank niet. Uit het BMA-advies blijkt dat medicatie of equivalente medicatie aanwezig is in land van herkomst. Dat de medicijnen die in het BMA-advies worden genoemd niet corresponderen met die in het SOS-bericht kan derhalve niet tot de conclusie leiden dat het SOS-bericht niet aan het BMA-advies ten grondslag kon worden gelegd.

Voorts betwist eiseres het op grond van het BMA-advies ingenomen standpunt dat er voldoende mantelzorg in Syrië aanwezig is. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

In de BMA-adviezen van 21 juni 2008 en van 14 april 2009 komt de aanwezigheid van mantelzorg expliciet aan de orde. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat deze twee BMA-adviezen op elkaar aansluiten zodat ook hetgeen in het advies van 21 juni 2008 is opgemerkt hierover gelding heeft.

In het laatstbedoelde BMA-advies staat vermeld dat “ ten aanzien van verpleeghuiszorg om mantelzorg te vervangen wordt opgemerkt dat deze in zeer beperkte mate met lange wachtlijsten beschikbaar is zodat de kans gering is dat een dergelijke patiënte hier verpleegd of verzorgd kan worden, en dat thuiszorg faciliteiten onvoldoende zijn”. Ook is opgemerkt dat “gezien het feit dat zij voor dagelijkse zorg afhankelijk is van mantelzorg kan ook bij uitblijven hiervan een medische noodsituatie op korte termijn optreden”.

Ook in het BMA-advies van 14 april 2009 staat dat bij uitblijven van mantelzorg een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten is.

De rechtbank legt deze zinsneden zo uit dat de medisch adviseur mantelzorg als adequate vervanging van verpleeghuiszorg dan wel thuiszorg beschouwt. Ook leidt de rechtbank uit de adviezen af dat, indien er geen mantelzorg beschikbaar is, eiseres afhankelijk is van thuiszorg dan wel verpleeghuiszorg maar dat deze niet adequaat is. Naar het oordeel van de rechtbank had de medisch adviseur zich dienen uit te laten over de aard van de kennelijk noodzakelijk geachte mantelzorg en daarmee over de vraag of deze zorg door de in Syrië aanwezige mantelzorgers kan worden geleverd. Het begrip ‘mantelzorger’ is immers een medisch inhoudsloos begrip; het is maar de vraag of een familielid of andere ‘mantelzorger’ voor de specifiek noodzakelijke zorg kan zorgdragen. Door de benodigde zorg niet te specificeren, acht de rechtbank het BMA-advies niet inzichtelijk. Dit klemt te meer nu eiseres een zoon heeft met het syndroom van Down en ook hij zorg nodig heeft.

Dit betekent dat verweerder het bestreden besluit niet op de BMA-advisering heeft kunnen baseren. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over mogelijke strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, hoeft in verband met het voorgaande geen bespreking meer.

Voor zover eiseres heeft betoogd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te toetsen aan het ouderenbeleid, overweegt de rechtbank nog dat, nu er in casu niet een daartoe strekkende aanvraag voorligt, deze beroepsgrond faalt. Hetzelfde geldt voor zover eiseres asielgerelateerde gronden naar voren heeft gebracht.

Het beroep is, gelet op het voorgaande, gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding. Deze wordt begroot op € 644,--. Tevens zal verweerder het betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op opnieuw te beslissen op bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad € 150,-- aan eiseres te vergoeden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, bijgestaan door mr. S. Derks, griffier.

mr. S. Derks

mr. K. Wentholt

In het openbaar uitgesproken op 27 juli 2010

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: