Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7667

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/8220 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering Hoofdstuk IV; datum fictieve opzegging; doorstart.

samenvatting:

Van een curator in een faillissement mag worden verlangd dat hij er alles aan doet om een beroep op hoofdstuk IV van de WW zoveel mogelijk te beperken. Daartoe hoort een rechtsgeldige opzegging tegen een zo vroeg mogelijke datum. Een mogelijke doorstart is geen reden voor de curator om zijn beslissing over het ontslag van de werknemers aan te houden. Ook bij effectuering van een doorstart zal ontslag wenselijk, zo niet noodzakelijk zijn, omdat anders de nieuwe werkgever aansprakelijk is voor de (loon)verplichtingen van de failliete werkgever. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2010/90

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/8220 WW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats],

gemachtigde: mr. [A], werkzaam bij DAS rechtsbijstand,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft verweerder aan eiser een uitkering krachtens hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) toegekend en daarbij vastgesteld dat de opzegtermijn loopt tot 31 mei 2009.

Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 november 2009, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 20 mei 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [B], kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C].

II OVERWEGINGEN

Artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:

1° de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;

2° de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;

3° de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of

4° de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

Artikel 64, tweede lid, van de WW bepaalt dat ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs had moeten worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is beëindigd of opgezegd.

Eiser is laatstelijk werkzaam geweest bij Architas B.V. Op 28 april 2009 is Architas B.V. in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Architas B.V. per 11 mei 2009 opgezegd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de fictieve opzegdatum van eiser vastgesteld dient te worden op 28 april 2009. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat van een curator in een faillissement mag worden verwacht dat hij een beroep op Hoofdstuk IV van de WW zoveel mogelijk dient te beperken. Hierbij hoort een rechtsgeldige opzegging tegen een zo vroeg mogelijke datum. Opzeggen dient te geschieden binnen één week na de datum van faillissement. Bij opzegging langer dan één week wordt de datum van het faillissement als datum van opzegging gehanteerd, tenzij de curator goede redenen had om later op te zeggen. Daar is naar de mening van verweerder niet van gebleken. De curator heeft desgevraagd verklaard dat er een onderzoek gaande was naar verlenging van tijdelijke exploitatie en een eventuele doorstart. Deze omstandigheden hadden naar de mening van verweerder de ontslagaanzegging niet de weg hoeven staan. Gelet op de opzegdatum van 28 april 2009 is de voor eiser geldende opzegtermijn vastgesteld op de periode van 28 april 2009 tot en met 31 mei 2009.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de datum van 28 april 2009 als datum van opzegging heeft gehanteerd en dat 11 mei 2009 als de datum van opzegging moet gelden. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat het verrichten van een onderzoek naar een eventuele doorstart van de gefailleerde onderneming wel in de weg kan staan om op een eerder moment tot opzegging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Indien een eventuele doorstart mogelijk was geweest zou opzegging namelijk niet nodig zijn. Bovendien heeft verweerder naar de mening van eiser haar standpunt dat een doorstart de opzegging niet in de weg zou staan niet gemotiveerd.

Ook is eiser van mening dat de periode van onderzoek naar een eventuele doorstart niet kan worden aangemerkt als onredelijk lang. Eiser heeft daarbij opgemerkt dat, ook al zou de curator voortvarender te werk zijn gegaan door de mogelijkheden van een eventuele doorstart te onderzoeken, de kans zeer groot zou zijn geweest dat, ook al zou er binnen 1 week zijn opgezegd, de opzegging pas in mei 2009 zou hebben plaatsgevonden.

Tot slot heeft eiser gesteld dat verweerder actiever onderzoek had kunnen verrichten naar de beweegredenen van de curator om de arbeidsovereenkomst per 11 mei 2009 op te zeggen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit artikel 64, tweede lid, van de WW volgt dat het verweerder eerst dan bevoegd is een dag vast te stellen waarop de dienstbetrekking naar zijn oordeel redelijkerwijs had moeten worden opgezegd, indien naar objectieve maatstaven moet worden aangenomen dat een dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is opgezegd.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is eerst dan sprake van een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment als bedoeld in artikel 64, tweede lid, van de WW, indien en zodra gesteld moet worden dat de bij de opzegging van een dienstbetrekking betrokken partijen niet adequaat hebben gereageerd op een voorhanden situatie. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien, na het ontstaan van een situatie als bedoeld in artikel 61 van de WW, door de werkgever, bewindvoerder of curator onnodig lang wordt getalmd met het effectueren van een ontslag.

Eveneens naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep mag van een curator in een faillissement worden verlangd dat hij er alles aan doet om een beroep op hoofdstuk IV van de WW zoveel mogelijk te beperken. Daartoe behoort een -rechtsgeldige- opzegging tegen een zo vroeg mogelijke datum. In de regel hoeft een onderzoek naar de noodzaak van opzegging van de arbeidsovereenkomst ook niet lang te duren. Immers, alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan er voor de curator aanleiding zijn om niet met onmiddellijke ingang na het faillissement de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer op te zeggen. Zo'n situatie zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan indien de werknemers voor langere tijd door de curator nodig zijn voor de afwikkeling van de boedel. Bijna altijd gaat het dan om zeer omvangrijke faillissementen, zoals het faillissement van Fokker of de DSB-bank. Een mogelijke doorstart is géén reden voor de curator om zijn beslissing over het ontslag van de werknemers aan te houden. Immers, ook bij effectuering van een doorstart zal ontslag wenselijk, zo niet noodzakelijk zijn, omdat anders de nieuwe werkgever aansprakelijk is voor de (loon)verplichtingen van de failliete werkgever.

Dat in het onderhavige faillissement zodanig speciale omstandigheden speelden dat een nader onderzoek naar het al dan niet ontslaan van werknemers door de curator gerechtvaardigd was, is niet aannemelijk geworden. Verweerder heeft dan ook terecht conform haar beleid, welk beleid de rechtbank niet onredelijk acht, de opzegtermijn fictief kunnen laten aanvangen op de dag van het faillissement.

De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beweegredenen van de curator om de arbeidsovereenkomst per 11 mei 2009 op te zeggen volgt de rechtbank niet. Gebleken is dat verweerder telefonisch heeft nagevraagd bij de curator naar de reden van de late opzegging van het dienstverband. De door de curator verstrekte informatie is weliswaar summier, maar bevatte niettemin voldoende informatie voor verweerder om een beslissing omtrent de aanvraag te kunnen nemen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de opzegtermijn vastgesteld over de periode 28 april 2009 tot en met 31 mei 2009.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. de Valk, in tegenwoordigheid van de griffier W.M. Colpa.

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.