Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7666

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
10/895
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belasting zware motorrijtuigen. Eiseres ontvangt in korte tijd 74 naheffingsaanslagen BZM van 8 euro met telkens een verzuimboete van 136 euro. De omstandigheid dat de naheffingsaanslagen telkens ongeveer drie maanden na de constatering van het verzuim zijn opgelegd levert geen avas op. De BZM is een belasting die eiseres op eigen initiatief dient aan te geven en te betalen. Eiseres is dus zelf verantwoordelijk voor de betaling van de BZM. Die verantwoordelijkheid vervalt niet door de omstandigheid dat verweerder eiseres pas na enige tijd, in de vorm van naheffingsaanslagen, op de hoogte stelt van de geconstateerde betalingsverzuimen.

Bij de vraag of de boetes passend en geboden neemt de rechtbank enerzijds in aanmerking dat de relatief hoege boete is gerechtvaardigd om nakoming van de betalingsverplichting af te dwingen en dat eiseres door niet-betaling een ongeoorloofd concurrentievoordeel behaalt. Daar staat tegenover de aard en ernst van de verzuimen, het grote aantal en het totale bedrag van de boetes (10.064 euro), de omstandigheid dat eiseres is overgegaan naar een betaling van BZM per dag mede vanwege de economische crisis, als gevolg waarvan een aanzienlijk deel van eiseres' wagenpark voor kortere of langere tijd buiten gebruik was en het feit dat eiseres naar aanleiding van de onderhavige 74 naheffingsaanslagen en boetes besloten voor alle vrachtwagens het volledige tarief per maand (voor de resterende maanden in 2009) respectievelijk per jaar (voor 2010) te betalen. Dit alles tegen elkaar afwegend acht de rechtbank een totale boete van € 7.400, dat is € 100 per verzuim, passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2405
FutD 2010-2189
V-N 2010/59.11

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummers: AWB 10/895 t/m 10/897, 10/899 t/m 10/910, 10/912 t/m 10/930, 10/932 t/m 10/938, 10/940 t/m 10/947, 10/1800, 10/2176, 10/2215, 10/2220 t/m 10/2224, 10/2227, 10/2228, 10/2230, 10/2232 t/m 10/2235, 10/2238, 10/2240, 10/2242 t/m 10/2244, 10/2247 t/m 10/2251 BZM

Uitspraakdatum: 19 augustus 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 8, 19, 21 en 25 januari 2010 en van 5, 18 en 23 maart 2010 op de bezwaren van eiseres tegen 74 verzuimboetes welke aan haar zijn opgelegd bij het opleggen van even zovele naheffingsaanslagen in de belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2010. Namens eiseres is daar verschenen haar directeur [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

II BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de verzuimboetes elk tot € 100;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 595 aan haar vergoedt.

III OVERWEGINGEN

III.1. Zoals ter zitting is vastgesteld, zijn uitsluitend de aan eiseres opgelegde verzuimboetes in geschil en niet de nageheven BZM.

III.2. De door eiseres tegen de verzuimboetes aangevoerde klachten kunnen als volgt worden samengevat. Tussen de tijdstippen waarop werd geconstateerd dat met de vrachtwagens gebruik werd gemaakt van de autosnelweg zonder dat op dat moment BZM was betaald en het opleggen van de naheffingsaanslagen ligt telkens een periode van ongeveer drie maanden. Als gevolg van dit tijdsverloop raakte eiseres (althans haar directeur) er pas na drie maanden van op de hoogte dat zij geen c.q. te weinig BZM betaalde en kon zij (intern) geen maatregelen meer treffen om ervoor te zorgen dat de verschuldigde BZM steeds tijdig op aangifte werd betaald. Als verweerder eiseres hier eerder op had geattendeerd, had eiseres eerder maatregelen kunnen treffen en zou zij minder boetes hebben ontvangen. Bovendien wordt eiseres door dit tijdsverloop en de herhaalde naheffingsaanslagen meerdere malen bestraft voor dezelfde overtreding.

III.3. Bij de beoordeling van deze klachten gaat de rechtbank uit van de volgende feiten:

i) de in geschil zijnde boetes hebben betrekking op het gebruik van de autosnelweg door in totaal 13 vrachtwagens in de periode van 26 augustus 2009 tot en met 28 oktober 2009. De naheffingsaanslagen zijn telkens opgelegd over een tijdvak van één dag (de dag waarop het belastbare feit is geconstateerd) en de boetes bedragen steeds € 136. Per dag is per vrachtwagen niet meer dan één naheffingsaanslag en één boete opgelegd;

ii) eiseres is bekend met het systeem van heffing van BZM. Zij heeft in het verleden regelmatig eurovignetten gekocht, zowel voor tijdvakken van een dag als voor langere tijdvakken;

iii) de reden dat voor de ritten waarop de boetes betrekking hebben geen BZM is voldaan, is dat de afdeling Planning van eiseres' bedrijf heeft verzuimd vóór het vertrek van de betreffende vrachtwagen de verschuldigde BZM aan te geven;

iv) in 2009 zijn aan eiseres in de periode vóór 26 augustus eveneens een aantal naheffingsaanslagen BZM met boete opgelegd.

III.4. De in geschil zijnde boetes zijn opgelegd op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet belasting zware motorvoertuigen (hierna: de Wet), welke bepaling voor het jaar 2009 - voor zover hier van belang - als volgt luidde:

"Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting niet, niet tijdig of niet geheel is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur (...) een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4537 kan opleggen (...).",

in samenhang met paragraaf 36, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, welke bepaling als volgt luidt:

"Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting inzake de Wet BZM niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 3 procent van het wettelijk maximum van artikel 13 van de Wet BZM."

III.5. Zoals volgt uit deze bepalingen is voor het opleggen van de hier aan de orde zijnde boetes niet vereist dat sprake is van schuld of opzet bij eiseres. De enkele constatering van het verzuim om de verschuldigde BZM te betalen is voldoende. Dat is slechts anders indien sprake is van afwezigheid van alle schuld bij eiseres. Daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden gesproken. Vaststaat immers dat eiseres bekend was met het systeem van heffing van BZM en dat (personeel van) eiseres heeft verzuimd de verschuldigde BZM aan te geven en te betalen. Eiseres heeft geen gegronde redenen aangevoerd waarom dit verzuim haar niet kan worden toegerekend. Als zodanig kan niet gelden de omstandigheid dat de naheffingsaanslagen telkens ongeveer drie maanden na de constatering van het verzuim zijn opgelegd. De BZM is een belasting die eiseres op eigen initiatief dient aan te geven en te betalen. Eiseres is dus zelf verantwoordelijk voor de betaling van de BZM. Die verantwoordelijkheid vervalt niet door de omstandigheid dat verweerder eiseres pas na enige tijd, in de vorm van naheffingsaanslagen, op de hoogte stelt van de geconstateerde betalingsverzuimen. Daar komt bij dat eiseres voorafgaand aan de onderhavige 74 naheffingsaanslagen en boetes al eerder naheffingsaanslagen BZM met verzuimboetes heeft ontvangen. Zij wist dus wat de gevolgen zijn van het niet betalen van BZM.

III.6. Anders dan eiseres meent, is geen sprake van één overtreding. Artikel 4 van de Wet bepaalt dat de BZM wordt geheven met betrekking tot elk motorrijtuig afzonderlijk. In artikel 9 van de Wet is als tijdvak waarover de BZM moet worden betaald aangewezen een dag, een week, een maand of een jaar. Eiseres is vrij om te kiezen of zij per dag, week, maand of jaar BZM betaalt. Uit de door eiseres ter zitting gegeven toelichting begrijpt de rechtbank dat eiseres, in elk geval in de maanden augustus tot en met oktober 2009, ervoor heeft gekozen om de BZM per dag te betalen. Dit betekent dat elke dag een apart tijdvak vormt waarvoor afzonderlijk BZM moet worden betaald en dat iedere keer dat voor een vrachtwagen de over een dag verschuldigde belasting niet is betaald, een afzonderlijk verzuim oplevert waarvoor een verzuimboete kan worden opgelegd.

III.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder terecht 74 verzuimboetes heeft opgelegd. Bij de vervolgens te beantwoorden vraag of de boetes passend en geboden zijn dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. De rechtbank neemt in dat verband het volgende in aanmerking. De hier aan de orde zijnde verzuimboetes hebben ten doel de nakoming af te dwingen van de verplichting tot het tijdig en op eigen initiatief betalen van de verschuldigde BZM. Gezien het geringe tarief per dag en de mogelijkheid om per dag te betalen, is een relatief hoge boete gerechtvaardigd om die nakoming af te dwingen. Voorts behaalt eiseres door het niet betalen van de verschuldigde BZM op ongeoorloofde grond een concurrentievoordeel ten opzichte van collega-ondernemers die de verschuldigde BZM wel betalen. Bovendien was eiseres, althans het voor de betaling van de BZM verantwoordelijke personeel, zich ervan bewust dat BZM was verschuldigd maar niet werd betaald. Daar staat tegenover dat eiseres in korte tijd een groot aantal boetes heeft gekregen waarvan het totale beloop (€ 10.064) naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding staat tot de ernst van de gepleegde overtredingen. De rechtbank begrijpt uit de door eiseres ter zitting gegeven toelichting dat eiseres destijds is overgegaan naar een betaling van BZM per dag mede vanwege de economische crisis, als gevolg waarvan een aanzienlijk deel van eiseres' wagenpark voor kortere of langere tijd buiten gebruik was. Verder heeft eiseres, zoals haar directeur ter zitting onweersproken heeft verklaard, naar aanleiding van de onderhavige 74 naheffingsaanslagen en boetes

besloten voor alle vrachtwagens het volledige tarief per maand (voor de resterende maanden in 2009) respectievelijk per jaar (voor 2010) te betalen. Dit alles tegen elkaar afwegend acht de rechtbank een totale boete van € 7.400, dat is € 100 per overtreding, voor het onderhavige geval een sanctie die passend en geboden is.

III.8. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.