Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN7328

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
17-09-2010
Zaaknummer
AWB 07/25877 en AWB 07/25877
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit 1/80 / standstill bepaling / zoekjaar / afschaffing tussentijdse versoepeling vormt nieuwe beperking

Vaststaat dat eiseres eerst in het bestreden besluit is tegengeworpen dat voor de arbeid die zij wenst te verrichten prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Door eiseres niet in de gelegenheid te stellen op de gewijzigde motivering te reageren, heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal hierna evenwel bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

Eiseres kan geen geslaagd beroep doen op paragraaf B5/3.2.2 van de Vc 2000. De rechtbank is niet gebleken dat deze paragraaf tevens ziet op de vreemdeling die, zoals eiseres, meer dan drie jaar in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning met daarop de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’, maar die niet drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan het prioriteitgenietend aanbod een twv was afgegeven.

Op grond van het beleid neergelegd in paragraaf B1/2.3.1 van de Vc 1994 zou eiseres in aanmerking zijn gekomen voor een vergunning tot verblijf voor het zogeheten zoekjaar. Nu de rechtbank niet is gebleken dat deze beleidsregel al op 1 december 1980 gold is dus sprake van een tussentijdse versoepeling. Het afschaffen van een tussentijdse versoepeling dient als een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80 te worden aangemerkt. Besluit 1/80 is immers gericht op een geleidelijke afschaffing van nationale belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers. Hiermee is niet in overeenstemming dat eerder gewonnen terrein weer wordt prijsgegeven. Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 13 van Besluit 1/80. Om die reden ziet de rechtbank geen ruimte om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Als tweede beperking heeft eiseres de toets aan prioriteitgenietend aanbod genoemd die is ingevoerd met de inwerktreding van de Wet arbeid vreemdelingen op 1 januari 1995. Hoezeer ook om proceseconomische reden gewenst, komt de rechtbank aan een bespreking van deze beroepsgrond niet toe, nu onvoldoende is gebleken op welke wijze verweerder op 1 december 1980 de aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel om hier te lande arbeid in loondienst te verrichten toetste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nrs.: AWB 07/25876 en AWB 07/25877

V-nummer: [xxxx]

Inzake: [eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. W.A. Kleingeld.

I Procesverloop

1 Eiseres is geboren op [datum] 1967 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 11 augustus 2004 heeft zij een aanvraag ingediend tot het verlengen en wijzigen van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij separate besluiten van 13 juni 2005, verzonden op 16 juni 2005, heeft verweerder de aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot 30 maart 2004. Eiseres heeft tegen deze besluiten op 12 juli 2005 bezwaar gemaakt. Bij separate besluiten van 31 mei 2007 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

2 Op 22 juni 2007 heeft eiseres tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep tegen de handhaving van de intrekking van de verblijfsvergunning is geregistreerd met kenmerk AWB 07/25876 en het beroep tegen de handhaving van de afwijzing van de aanvraag is geregistreerd met kenmerk AWB 07/25877. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Ter zitting is verschenen eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

4 Bij brief van 25 juni 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen antwoord te geven op vragen. Bij brief van 21 juli 2008 heeft eiseres deze vragen beantwoord. Verweerder heeft hierop bij brief van 6 augustus 2008 gereageerd.

5 Op 8 oktober 2008 heeft de rechtbank de beroepen verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer.

6 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 20 november 2008. Ter zitting is verschenen eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen S.F. Erod, tolk in de Turkse taal.

7 Bij brief van 26 februari 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in afwachting van het antwoord op de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 11 mei 2006 gestelde prejudiciële vragen (LJN AX2432). Bij brief van 30 december 2009 zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest Sahin van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 september 2009 (LJN BK1871). Eiseres heeft bij brief van 11 januari 2010 gereageerd, verweerder bij brief van 24 februari 2010.

8 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2010. Eiseres en verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 24 april 2001 is aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij partner [naam]' verleend, geldig van 23 februari 2001 tot

23 februari 2002. Bij besluit van 20 februari 2002 is de geldigheidsduur verlengd tot 23 februari 2007. Het huwelijk is op 30 maart 2004 verbroken, waarna verweerder bij besluit van 13 juni 2006 de aan eiseres verleende verblijfsvergunning heeft ingetrokken met terugwerkende kracht tot 30 maart 2004. Bij aanvraag van 11 augustus 2004 heeft eiseres verzocht de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning te wijzigen in ‘arbeid in loondienst’. Na toetsing aan het prioriteitgenietend aanbod heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2 Ter zitting heeft eiseres het standpunt dat haar verblijfvergunning ten onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken laten vallen. Het beroep geregistreerd met kenmerk AWB 07/25876 is derhalve ongegrond.

3.1 Ten aanzien van het beroep gericht tegen de afwijzing van de aanvraag, geregistreerd met kenmerk AWB 07/25877, oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres stelt dat haar eerst in het bestreden besluit is tegengeworpen dat voor de arbeid die zij wenst te verrichten prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Verweerder had eiseres in de gelegenheid moeten stellen hierop te reageren alvorens de beslissing op bezwaar te nemen. Subsidiair stelt eiseres dat zij meer dan drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning op grond waarvan het haar was toegestaan hier te lande arbeid te verrichten. Volgens paragraaf B5/3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is dan geen tewerkstellingsvergunning (twv) vereist en had dus ook de toets aan prioriteitgenietend aanbod achterwege moeten worden gelaten.

3.2 Ingevolge artikel 3.31, eerste lid, van de Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt, met inachtneming van het tweede lid en de artikelen 3.33 en 3.99 tot en met 3.104 van het Vb 2000, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod een twv als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen is afgegeven.

Volgens paragraaf B5/3.2.2 van de Vc 2000 geldt ten aanzien van een vreemdeling die drie jaar de beschikking heeft gehad over een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor de werkgever niet langer de verplichting te beschikken over een TWV. Het is hierbij niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige.

3.3.1 Het betoog van eiseres slaagt. Vaststaat dat eiseres eerst in het bestreden besluit is tegengeworpen dat voor de arbeid die zij wenst te verrichten prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Noch in het primaire besluit, noch tijdens de hoorzitting van 10 mei 2007 is eiseres hierop gewezen. Door eiseres niet in de gelegenheid te stellen op de gewijzigde motivering te reageren, heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal hierna evenwel bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

3.3.2 Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres geen geslaagd beroep doen op paragraaf B5/3.2.2 van de Vc 2000. De Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000 (Stb. 2000/497, p. 116) vermeldt dat dit artikel niet in de weg staat aan vergunningverlening voor de vreemdeling, die drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan het prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een twv was afgegeven, en om die reden vrij is op de arbeidsmarkt, ook indien er met zijn werkzaamheden niet langer een wezenlijk Nederlands belang is gediend. De rechtbank is niet gebleken dat paragraaf B5/3.2.2 van de Vc 2000 tevens ziet op de vreemdeling die, zoals eiseres, meer dan drie jaar in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning met daarop de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’, maar die niet drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan het prioriteitgenietend aanbod een twv was afgegeven.

4.1 Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Besluit 1/80) oordeelt de rechtbank als volgt. Hoewel eiseres eerst in haar aanvullend beroepschrift van 24 juli 2007 een beroep heeft gedaan op voormelde bepaling, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2006 (LJN AV6409) dat geen rechtsregel verbiedt dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van de beslissing op bezwaar zijn aangevoerd en als zodanig niet in bezwaar naar voren zijn gebracht, tenzij de beginselen van een behoorlijke procesorde zich daartegen verzetten. Van dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat het beroep van eiseres op artikel van Besluit 1/80 kan worden betrokken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat die beoordeling dient plaats te vinden naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit.

4.2 Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

4.3 Ter zitting heeft verweerder niet bestreden dat eiseres legaal verblijf heeft in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80, maar hij betwist dat sprake is van nieuwe beperkingen in de zin van die bepaling.

4.4.1 Eiseres stelt dat er sinds 1 december 1980, de datum van inwerkingtreding van Besluit 1/80, twee nieuwe beperkingen als bedoeld in artikel 13 van Besluit 1/80 zijn ingevoerd die haar belemmeren gebruik te maken van het vrije verkeer van werknemers. Een van die beperkingen betreft volgens eiseres de afschaffing van het zogeheten zoekjaar. Eiseres stelt dat de vreemdeling wiens huwelijk was verbroken op grond van oude regelgeving in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning die in hem in staat stelde arbeid te zoeken, indien dat huwelijk ten minste één jaar stand had gehouden.

4.4.2 Hoewel de rechtbank uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2009 (LJN BJ4384) noch anderszins van het bestaan van deze (beleids)regel is gebleken, volgt uit het beleid dat verweerder destijds voerde, neergelegd in paragraaf B1/2.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994, dat een vreemdeling, wiens huwelijk voor de ontbinding of de ontwrichting ervan drie jaar heeft bestaan, waarvan ten minste één jaar direct voorafgaande aan de ontbinding of ontwrichting tijdens hier te lande toegestaan verblijf, in aanmerking kwam voor een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst met een geldigheidsduur van één jaar (het zogenaamde zoekjaar). Indien na het verstrijken van het jaar waarvoor die vergunning tot verblijf geldt niet wordt beschikt over werk voor nog ten minste één jaar, werd de verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning geweigerd. Op grond van dit beleid zou eiseres dus in aanmerking zijn gekomen voor een vergunning tot verblijf voor het zogeheten zoekjaar. Nu de rechtbank niet is gebleken dat deze beleidsregel al op 1 december 1980 gold is dus sprake van een tussentijdse versoepeling. Het afschaffen van een tussentijdse versoepeling dient naar het oordeel van de rechtbank als een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80 te worden aangemerkt. Besluit 1/80 is immers gericht op een geleidelijke afschaffing van nationale belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers. Hiermee is niet in overeenstemming dat eerder gewonnen terrein weer wordt prijsgegeven. Het bestreden besluit is dus in strijd met artikel 13 van Besluit 1/80. Om die reden ziet de rechtbank geen ruimte om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder dient derhalve een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.5.1 Als tweede beperking heeft eiseres de toets aan prioriteitgenietend aanbod genoemd die is ingevoerd met de inwerktreding van de Wet arbeid vreemdelingen op 1 januari 1995. Hoezeer ook om proceseconomische reden gewenst, komt de rechtbank aan een bespreking van deze beroepsgrond niet toe, nu de rechtbank onvoldoende is gebleken op welke wijze verweerder op 1 december 1980 de aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel om hier te lande arbeid in loondienst te verrichten toetste.

2.4 Nu het beroep geregistreerd met kenmerk AWB 07/25877 gegrond wordt verklaard, dient eiseres het in die procedure betaalde griffierecht te worden vergoed. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dat luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 6 maart 2008 en 1 punt voor de twee nadere zittingen, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep geregistreerd met kenmerk AWB 07/25876 ongegrond;

2 verklaart het beroep geregistreerd met kenmerk AWB 07/25877 gegrond;

3 vernietigt het met dat beroep bestreden besluit;

4 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,-;

6 bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. C. Laukens en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier,

De voorzitter,

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 27 augustus 2010.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: