Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN6364

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
AWB 06/13100, 06/18288
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / contra-expertise / derde deskundige benoemd door rechtbank

De rechtbank stelt vast dat in de door het Bureau Taalanalyse verrichte taalanalyse en de door eiser ingebrachte contra-expertise tot tegengestelde conclusies wordt gekomen omtrent de herkomst van eiser. Deze conflicterende resultaten vormden voor de rechtbank de aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen, teneinde een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst van eiser.

De door de rechtbank ingeschakelde deskundige, prof. Vydrin, heeft bij rapport van 5 januari 2010 zijn bevindingen uitgebracht. Prof. Vydrin is verbonden aan de St. Petersburg State University en een specialist in Mandingo. Hij concludeert in zijn rapport dat eiser met zekerheid afkomstig is uit Sierra Leone. De deskundige onderbouwt deze conclusie door middel van fonologische, lexicale en morfologische argumenten, waarbij hij aan de hand van concrete voorbeelden aangeeft waarop zijn kwalificatie is gebaseerd.

De argumenten die verweerder heeft aangevoerd tegen het door prof. Vydrin uitgebrachte rapport, kunnen niet worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en/of de volledigheid van het rapport. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 06/13100 (beroep) AWB 06/18288 (voorlopige voorziening)

V-nr:

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

verzoeker en eiser [naam], van (gestelde) Sierraleoonse nationaliteit, hierna te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2000 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling van 12 januari 1999 afgewezen. Bij bezwaarschrift van 12 april 2000 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Voorts heeft eiser op 7 maart 2002 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure”. Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaarschrift van 12 april 2000 ongegrond verklaard en ambtshalve besloten eiser niet in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Bij bezwaarschrift van 21 oktober 2004 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit, voor zover dit ziet op de ambtshalve beslissing om hem niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Bij besluit van 8 juni 2005 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

De beslissingen op bezwaar van respectievelijk 20 oktober 2004 en 8 juni 2005 zijn naderhand door verweerder ingetrokken. Bij beroepschrift van 14 maart 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijkgestelde niet (tijdig) nemen van een besluit op de bezwaarschriften van 12 april 2000 en 21 oktober 2004. Bij besluit van 14 maart 2006, verzonden op 15 april 2006, heeft verweerder de bezwaarschriften (wederom) ongegrond verklaard. Het beroepschrift van 14 maart 2006 wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 12 april 2006 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 26 september 2007. Bij beslissing van 25 oktober 2007 is het onderzoek heropend teneinde op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onafhankelijke deskundige te benoemen. Op 5 januari 2010 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige, professor V. Vydrin, advies uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer is op 16 juni 2010, in een gewijzigde samenstelling, hervat. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig L. Jalloh als tolk in de Krio taal.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Asielrelaas

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is afkomstig uit Kila in Sierra Leone en behoort tot de Malinke bevolkingsgroep. Eiser kwam met zijn familie terug van werken op het land toen de rebellen het dorp binnenvielen. Eisers familieleden zijn daarbij vermoord. Eiser heeft weten te vluchten met zijn zus. ’s Nachts is hij haar kwijtgeraakt. Eiser kwam bij de zee aan en is vervolgens in een kano de zee opgegaan. Hij werd opgepikt door een grote boot en is vervolgens in Nederland terecht gekomen.

Feiten

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Omdat bij verweerder twijfel was ontstaan met betrekking tot de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit is ten aanzien van eiser een taalanalyse verricht. In het rapport taalanalyse van 3 januari 2003 wordt geconcludeerd dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone, maar dat hij eenduidig is te plaatsen in Guinee. Eiser heeft bij brief van 11 juli 2003 zijn zienswijze op het rapport taalanalyse gegeven. Bij brief van 5 augustus 2003 heeft het (toenmalig) Bureau Taalanalyse van de IND gereageerd op deze zienswijze.

Bij brief van 7 april 2004 heeft eiser een contra-expertise overgelegd, gedateerd op 1 april 2004 en opgesteld door dr. F. Ngom. In dit rapport wordt geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat eiser afkomstig is uit Sierra Leone. Het Bureau Land en Taal (BLT) van de IND heeft bij brief van 15 april 2004 zijn reactie op de contra-expertise kenbaar gemaakt. Eiser heeft bij brief van 4 mei 2004 een reactie van de Taalstudio van 29 april 2004 overgelegd. Bij schrijven van 16 december 2005 heeft het BLT hierop gereageerd. Bij brief van 20 juli 2006 heeft eiser een reactie van dr. Ngom van 13 juli 2006 overgelegd.

Bij beslissing van 25 oktober 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Op 24 juli 2008 heeft de rechtbank dr. Fashole-Luke benoemd om als deskundige een onderzoek in te stellen. Deze door de rechtbank aangezochte deskundige heeft wegens overlijden geen advies kunnen uitbrengen. Vervolgens is bij beslissing van 6 april 2009 professor V. Vydrin als deskundige benoemd. Bij rapport van 5 januari 2010 heeft deze deskundige de bevindingen van de door hem verrichte taalanalyse kenbaar gemaakt. In dit rapport concludeert prof. Vydrin dat eiser met zekerheid afkomstig is uit Sierra Leone. Het BLT heeft bij schrijven van 10 mei 2010 op dit rapport gereageerd.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Tussen partijen is in geschil of verweerder aan de afwijzing van beide aanvragen ten grondslag heeft kunnen leggen dat eiser zijn gestelde herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de eerder genoemde taalanalyse van het Bureau Taalanalyse van 3 januari 2003.

2. De rechtbank stelt allereerst vast dat in de door het Bureau Taalanalyse verrichte taalanalyse en de door eiser ingebrachte contra-expertise van dr. F. Ngom van 1 april 2004 tot tegengestelde conclusies wordt gekomen omtrent de herkomst van eiser. Deze conflicterende resultaten vormden voor de rechtbank de aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen, teneinde een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst van eiser.

3.1. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige, prof. Vydrin, heeft bij rapport van 5 januari 2010 zijn bevindingen uitgebracht. Prof. Vydrin is verbonden aan de St. Petersburg State University en een specialist in Mandingo. Hij concludeert in zijn rapport dat eiser met zekerheid afkomstig is uit Sierra Leone. De deskundige onderbouwt deze conclusie door middel van fonologische, lexicale en morfologische argumenten, waarbij hij aan de hand van concrete voorbeelden aangeeft waarop zijn kwalificatie is gebaseerd.

3.2. Nu het rapport voldoende inzichtelijk is en ook anderszins niet is gebleken dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen, is aan de orde of, zoals door verweerder gesteld, er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en/of de volledigheid van dit rapport.

3.3. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een door het BLT opgestelde reactie van 10 mei 2010. In deze reactie stelt het BLT dat er geen reden is om de conclusies van de taalanalyse uit 2003 te herzien nu eiser een variant van het Mandingo spreekt die hoofdzakelijk in Guinee wordt gesproken, er onvoldoende onderscheidende kenmerken zijn om eenduidig te kunnen bepalen of het de Guinese of Sierraleoonse variant van het Mandingo betreft, eiser geen Krio spreekt en eiser niet weet te overtuigen met een uitgebreide beschrijving van zijn gestelde woonomgeving.

3.4. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de opmerkingen van het BLT betreffende eisers gebruik van het Mandingo en kennis over zijn herkomstgebied slechts kritische kanttekeningen, die aan de juistheid of de volledigheid van het rapport van prof. Vydrin niet kunnen afdoen. Door het BLT wordt immers niet concreet aangegeven waarom de conclusie van prof. Vydrin niet gedragen zou worden door de door hem gegeven voorbeelden.

Dat eiser geen Krio spreekt en, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, dat eiser zulks ook zelf heeft verklaard - van welke stelling eiser overigens is teruggekomen in de loop van deze procedure - is evenmin een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het rapport van prof. Vydrin. Het rapport van prof. Vydrin plaatst eiser immers reeds op grond van zijn beheersing van het Mandingo met zekerheid in Sierra Leone. Dat over het algemeen een vreemdeling afkomstig uit Sierra Leone ook het Krio zou moeten kunnen spreken kan aan die conclusie niet afdoen, wat er verder ook zij van de beheersing van het Krio door eiser.

3.5. De rechtbank hecht er aan ten overvloede nog het volgende op te merken. In een aan verweerder gerichte brief van 24 juli 2008 heeft de rechtbank verzocht het BLT een bandopname te laten maken op grond waarvan eisers beheersing van de Krio taal zonodig kon worden onderzocht. In deze brief heeft de rechtbank medegedeeld dat dr. Fashole-Luke – tevens Krio-spreker op moedertaalniveau - zou worden benaderd om een taalanalyse te verrichten op grond van deze nieuw te maken bandopname, in combinatie met de reeds bestaande bandopname van 2002. Omdat onderzoek door dr. Fashole-Luke naderhand niet realiseerbaar bleek, heeft de rechtbank besloten om dr. Vydrin - niet tevens Krio-spreker op moedertaalniveau - enkel de reeds bestaande bandopname van 2002 te laten analyseren. In bovengenoemde brief is verweerder uitdrukkelijk verzocht om niet direct met de benoemde deskundige te communiceren en slechts de gemaakte bandopname door te sturen.

De rechtbank stelt vast dat het BLT een taalanalyse heeft verricht van de bandopname van 2008. De rechtbank vermag niet in te zien waarom dit is gebeurd, nu de rechtbank hiertoe geen opdracht heeft gegeven en zij benoeming van een onafhankelijke, door de rechtbank aangezochte deskundige nodig heeft geacht. Het BLT heeft bij het uitvoeren van deze taalanalyse dan ook feitelijk gebruik gemaakt van een opname die daartoe niet was bedoeld. Daarbij komt dat eiser niet op gelijke wijze over dit bewijsmateriaal heeft kunnen beschikken. Ten slotte valt niet in te zien waarom het BLT de uitkomst van de taalanalyse slechts aan één van de partijen, namelijk verweerder, heeft doen toekomen. Een dergelijke handelwijze past een, naar eigen zeggen, onafhankelijk van verweerder opererende deskundige niet.

4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid en/of de volledigheid van het door prof. Vydrin uitgebrachte rapport. De rechtbank ziet zich in deze waardering van het bewijsmateriaal gesteund door de bevindingen van dr. Ngom, die eisers gestelde herkomst in Sierra Leone zeer waarschijnlijk acht. Beide deskundigen komen onafhankelijk van elkaar tot een conclusie die in dezelfde richting wijst. Daarbij valt op dat de concrete voorbeelden die zij geven ter onderbouwing van hun conclusie, met name wat betreft het gebruik van Engelstalige leenwoorden, voor een groot deel overeenkomen.

Nu van de door eiser gestelde herkomst in Sierra Leone dient te worden uitgegaan, heeft verweerder het rapport taalanalyse van 3 januari 2003 dan ook niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.

5.1. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen vier weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Vooralsnog staat niet eenduidig vast welke gevolgen hetgeen hiervoor is overwogen heeft op de inwilligbaarheid van de twee aanvragen van eiser. Verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld zich daarover uit te laten.

6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd en dat hij op grond daarvan voor schadevergoeding in aanmerking dient te komen. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

7. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 3 december 2008 (LJN: BG5910) vereist de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat op een geschil als de onderhavige binnen een redelijke termijn wordt beslist. De Afdeling hanteert hierbij het uitgangspunt dat de bestuurlijke procedure maximaal één jaar mag hebben geduurd, en de procedure bij de rechtbank maximaal twee jaar, derhalve in totaal maximaal drie jaar.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval de redelijke termijn aangevangen op de dag dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit op de aanvraag, derhalve op 12 april 2000. Gerekend vanaf dat tijdstip is tot op heden een periode verstreken van meer dan de hiervoor genoemde maximale periode van drie jaar. De rechtbank stelt vast dat de bestuurlijke procedure bijna zes jaar heeft geduurd, nu de beslissingen op bezwaar is genomen op 14 maart 2006 en dat de rechterlijke fase meer dan 4 jaar heeft geduurd. Hieraan kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke fase als de rechterlijke fase is overschreden.

9. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met – voor zover nodig – overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek op grond van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb te heropenen. Op de voet van artikel 8:26 van de Awb merkt de rechtbank naast de Minister van Justitie, de Staat der Nederlanden aan als partij in die procedure.

10. Eiser heeft tot slot nog verzocht om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten ten behoeve van de in bezwaar opgestelde contra-expertise. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar is het ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb vereist dat dit verzoek dient te zijn gedaan voordat het bestuursorgaan op bezwaar heeft beslist. Nu het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar eerst in beroep is gedaan, ziet de rechtbank aanleiding dit gedeelte van het verzoek af te wijzen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

11. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

12. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1127,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

13. Op grond van artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 282,-- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/13100,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

-bepaalt dat het onderzoek onder twee nieuwe nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/18288,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1127,-- (zegge: elfhonderdzevenentwintig euro), te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 282,-- (zegge: tweehonderdtweeëntachtig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. H.B. van Gijn en Y.E. Schuurmans, rechters, in tegenwoordigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2010.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: LFF

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.