Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN6036

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/29704
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder hecht geen geloof aan de door eiser gestelde herkomst en baseert dit op de taalanalyse en het weerwoord op de contra-expertise van het BLT. De rechtbank overweegt dat de standpunten van de taalanalist van het BLT en de contra-expertise van de Taalstudio voor wat betreft eisers kennis van zijn gestelde herkomstgebied (het eerste aspect), de vraag of alle burgers in Mosul die een minderheidstaal als moedertaal spreken het Arabisch als tweede taal spreken en zeer goed beheersen (het tweede aspect) en eisers beheersing van de Arabische taal (het derde aspect) van elkaar verschillen. Nu in het weerwoord van BLT ten aanzien van het eerste en tweede aspect niet op het standpunt van de contra-expert is gereageerd, is de rechtbank van oordeel dat twijfel bestaat aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse van het BLT. Voor wat betreft het tweede aspect wordt daaraan toegevoegd dat de rechtbank mede van belang acht dat de taalanalist van het BLT zijn standpunt heeft gebaseerd op zijn eigen ervaringen in Mosul, waarbij het onduidelijk is hoe lang en wanneer hij daar heeft verbleven. Voorts is de rechtbank, ondanks dat het BLT in het weerwoord op het derde aspect is ingegaan, mede gezien de inhoud van de reactie van de Taalstudio op dit weerwoord van oordeel dat het feit dat twee deskundigen op dit punt dermate van mening verschillen, eveneens leidt tot de conclusie dat sprake is van een aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse van het BLT. De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 09/29704

Datum uitspraak: 12 augustus 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser]

geboren op [geboortedatum]

v-nummer [nummer]

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. J.A.H. Schoofs,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 4 maart 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 17 augustus 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 juni 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Janssen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft eiser, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Eiser is Koerdisch en afkomstig uit Mosul. Eiser heeft op 7 december 2007 bij het openen van zijn winkel een dreigbrief van de Ansar al-Sunna groepering gevonden. Eiser werd in deze brief opgedragen informatie te geven over ‘de nationale garde die samenwerkt met de Amerikanen’, omdat eiser bekend is met de wijk. Als eiser geen gehoor zou geven aan de brief, dan zou hij drie deftar moeten betalen en zijn winkel moeten sluiten. Als eiser ook dàt niet zou doen, dan zou hij vermoord worden. Eiser heeft daarop zijn winkel gesloten. Zijn oom heeft de dreigbrief naar de politie gebracht en heeft aangifte gedaan. De politie zou eiser overdag kunnen beschermen, maar ’s avonds niet. Op advies van zijn oom heeft eiser het land verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan, kort samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag, omdat eiser toerekenbaar geen reis- of identiteitsdocumenten en documenten ter staving van zijn asielrelaas heeft overgelegd en evenmin in staat is gebleken voldoende gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen over de reisroute af te leggen. Voorts heeft het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht, nu geen geloof wordt gehecht aan de door eiser gestelde herkomst. Daartoe is van belang dat uit de taalanalyse van 6 juni 2008 blijkt dat eiser eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Noord-Irak. In de contra-expertise van 26 februari 2009 ziet verweerder geen aanleiding het eerdere oordeel te herzien. Op grond van de ongeloofwaardigheid van zijn asielrelaas komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt, kort samengevat en voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd. Ten onrechte heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser tegengeworpen. Voorts merkt eiser ten aanzien van het rapport taalanalyse op dat niet zonder meer kan worden gevolgd dat iedere inwoner van Mosul die daar geboren is, vloeiend Arabisch zou moeten spreken. Ook verwijst eiser naar de contra-expertise van 26 februari 2009 waaruit blijkt dat substantiële aanwijzingen bestaan dat eiser afkomstig is uit Mosul. Eiser komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d van de Vw 2000.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde omstandigheden betrokken.

7. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het eiser is toe te rekenen dat hij geen identiteitskaart kan overleggen, nu hij deze in Nederland in een vrachtwagen achter heeft gelaten. Dat eiser door de vrachtwagenchauffeur niet in de gelegenheid is gesteld zijn koffer (met daarin zijn documenten) uit de vrachtwagen te halen, heeft verweerder niet als verschoonbare reden voor het ontbreken van deze documenten hoeven aan te merken. Verweerder heeft aldus, reeds vanwege het toerekenbaar ontbreken van identiteitsdocumenten, in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen.

9. Als zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, dient volgens vaste rechtspraak en blijkens het gestelde in paragraaf C14/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals dat gold ten tijde van belang, van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uit te gaan.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk heeft beoordeeld, omdat geen geloof wordt gehecht aan eisers stelling dat hij afkomstig is uit Mosul. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door eiser gestelde afkomst dat twijfel is gerezen naar aanleiding van het eerste gehoor, waarin eiser volgens verweerder slechts vage en summiere informatie heeft verstrekt over Mosul, waar eiser stelt geboren en opgegroeid te zijn. Vervolgens staat in het rapport taalanalyse van 6 juni 2008 van het BLT dat eiser eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Noord-Irak. De conclusie van de taalanalist luidt als volgt: ‘De vreemdeling is op grond van zijn Koerdische spraak eenduidig herleidbaar tot de grotere regio Mosul-Duhok (Centraal-Irak/Noord-Irak). Op grond van de zeer beperkte beheersing van Arabisch die de vreemdeling aan de dag legt is aan te nemen dat hij het overgrote deel van zijn leven heeft doorgebracht in het Noord-Irakese deel van het aangegeven taalgebied, aangezien aldaar het Arabisch niet algemeen gangbaar is als taal in het dagelijks leven.’

11. Door eiser is een rapport contra-expertise van 26 februari 2009 van de Taalstudio overgelegd. Op grond van de opname van het ten behoeve van de taalanalyse gevoerde gesprek wordt daarin de volgende conclusie getrokken: ‘The applicant definitely originates from the Bahdini-Kurdish areas in Iraq, north of Arbil. The fact that the applicant is fairly fluent in Arabic and that some features of his Arabic are typical of the Mosul Arabic dialect supports his claim to have originated from Mosul. This is further supported by his ability to answer all questions about his home town of Mosul to the satisfaction of the interviewing immigration officer.’

12. De rechtbank stelt vast dat de deskundigen van het BLT en van de Taalstudio het standpunt delen dat eisers moedertaal het Bahdini-Koerdisch is. Over eisers kennis over zijn directe woonomgeving, de vraag of alle burgers in Mosul die een minderheidstaal als moedertaal spreken het Arabisch als tweede taal spreken en als moedertaal beheersen en eisers beheersing van de Arabische taal bestaat echter verschil van mening.

13. Ten aanzien van het eerste aspect, de kennis van zijn gestelde herkomstgebied, concludeert de taalanalist dat de informatie die eiser hierover verstrekt algemeen bekend is en weinig gedetailleerd.

In het rapport contra-expertise van 26 februari 2009 wordt, naast een korte weergave van hetgeen eiser heeft kunnen verklaren over zijn herkomstgebied, het volgende opgemerkt: ‘The level of detail and extent to the which the informant is or is not in the wider public domain is irrelevant, since the applicant is responding to questions put to him by a government official in a tightly regulated formal interview situation. The relevant point is that the applicant is able to respond in full detail to all of the official’s questions, to the satisfaction of the government official and without displaying any gaps or inaccuracies.’ Ook wordt in de contra-expertise opgemerkt dat veel van hetgeen eiser heeft gezegd niet is vertaald door de tolk. De tolk heeft een algemene samenvatting van eisers antwoorden gegeven, waardoor vragen ook werden herhaald.

14. Ten aanzien van het tweede aspect, de vraag of Koerdische burgers in Mosul het Arabisch goed beheersen, stelt de taalanalist van het BLT het volgende: ‘In de ervaring van de taalanalist, die zelf langdurig in Mosul heeft verbleven, zijn Koerden die opgroeien in Mosul tweetalig in het Arabisch en hebben zij een goede beheersing van deze taal. Hun kennis van Arabisch verwerven zij zich spontaan in de dagelijkse sociale omgang. Er is in Mosul dan ook geen verband tussen het al dan niet hebben van een schoolopleiding en het al dan niet kunnen spreken van Arabisch.’

In het rapport dossieranalyse van de Taalstudio is in reactie hierop de kritische kanttekening geplaatst dat de taalanalist zijn vooronderstelling niet onderbouwt met (openbare) bronnen. Ook wordt uit het rapport niet duidelijk wanneer en hoe lang de taalanalist in Mosul heeft verbleven. In de contra-expertise wordt opgemerkt: ‘Arabic is the official language and the principal language of services, commerce and public domain interaction especially in urban districts. It is also the principal language of education and media in the Kurdish regions of Iraq that remained under Iraqi government control after the 1990 Gulf war (this includes Mosul). Kurds from these regions also receive the independent Kurdish broadcasts and usually prefer to follow those. Through immersion with Arabs, Kurds may learn the Iraqi general colloquial, which is the lingua franca of urban centres in Iraq. Only more intimate immersion is likely to result in acquisition of the local Arabic dialects, which are normally spoken as in-group varieties among local Arabs, primarily by the older generation. Competence in Arabic varies among Kurds, depending on education, mobility, and frequency and type of interaction with Arabs.’

15. Ten aanzien van het derde aspect, eisers beheersing van de Arabische taal, stelt de taalanalist van het BLT dat de beheersing van het Arabisch van eiser zeer beperkt is. Volgens de taalanalist spreekt eiser Arabisch in grammaticaal onwelgevormde zinnen, maakt eiser fouten op een zeer basaal niveau en is hij duidelijk niet in staat om zich in het Arabisch vrijelijk uit te drukken. De taalanalist geeft daarbij een viertal voorbeelden van grammaticale onjuistheden. Daarnaast stelt de taalanalist dat in de Arabische spraak van eiser consistent de kenmerken van het Arabisch, zoals dat in Mosul wordt gesproken, ontbreken en dat eisers Arabische spraak overeenkomt met het ‘Bagdad-Arabisch’ zoals dat (in beperkte mate) in Noord-Irak door Koerden wordt aangeleerd als tweede taal.

Samenvattend stelt de contra-expert in de contra-expertise dat eiser veel Arabische woorden gebruikt als hij Koerdisch spreekt, waarbij het gaat om woorden die niet specifiek worden gebruikt in Koerdische dialecten die gesproken worden ten noorden van Mosul, zoals in Zakho en Duhok. Naar de mening van de contra-expert is het Arabisch de dominante taal in het publieke leven in het gebied waar eiser is opgegroeid. Daarnaast stelt de contra-expert dat het Arabisch van eiser kenmerken vertoont van het Iraqi colloquial. Eiser is in staat om zonder teveel moeite in het Arabisch te converseren en is aan te merken als een spreker van vloeiend Arabisch voor alle praktische communicatiedoeleinden, zelfs indien zijn Arabisch niet gelijk is aan de beheersing van zijn moedertaal en niet grammaticaal perfect: ‘The applicant appears to be able to understand Arabic and to make himself understood in Arabic in a way that does not limit his communication.’ Daarnaast vertoont het Arabisch van eiser kenmerken die typisch zijn voor het Arabische dialect van Mosul. De contra-expert wijst er ook op dat de taalanalist een verkeerde transcriptie geeft van de wijze waarop eiser ‘Mosul’ uitspreekt, dat de taalanalist voorbeelden van het Koerdisch en Arabisch door elkaar haalt en ook eenmaal een onjuiste vertaling geeft. Verder stelt de contra-expert vast dat de taalanalist geen melding maakt van het specifieke Mosul dialect dat door eiser wordt gebruikt. Tot slot stelt de contra-expert dat ondanks het feit dat eiser niet altijd consistent is in het gebruik van de grammaticale regels en de morfologie, enkele voorbeelden die de taalanalist als fouten aanmerkt enkel stijlvarianten betreffen.

16. Naar aanleiding van het rapport contra-expertise heeft het BLT op 6 mei 2009 een weerwoord gegeven. Het BLT stelt van oordeel te blijven dat eiser er niet in is geslaagd om door middel van deelname aan een taalanalyse de twijfel weg te nemen omtrent de door hem gestelde herkomst. Het BLT ziet in het rapport van de contra-expertise geen aanleiding om het eerder gegeven oordeel te herzien. Het BLT gaat enkel in op het derde aspect ‘de beheersing van het Arabisch van eiser’. Volgens het BLT rechtvaardigen de door de contra-expert geciteerde spraakvoorbeelden geenszins de conclusie dat eiser ‘vloeiend’ Arabisch zou spreken. In dat kader wordt het volgende opgemerkt: ‘Van de twaalf spraakvoorbeelden die bestaan uit meer dan één los woord, bevinden zich slechts drie voorbeelden die bestaan uit meer dan twee woorden. Eén van deze voorbeelden wordt tweemaal geciteerd. Bovendien is de transcriptie waarin de contra-expert deze voorbeelden geeft geflatteerd. De contra-expert heeft hier en daar elementen aangevuld die niet te horen zijn op de opname, zodat het Arabisch van betrokkene op papier in het rapport van de contra-expertise welgevormder lijkt dan het in werkelijkheid is. Bovendien verzuimt de contra-expert de onwelgevormde elementen die wel in zijn transcriptie te zien zijn te vermelden (…).’ De contra-expert vermeldt verder dat ‘sommige kenmerken van het Arabisch van betrokkene typisch zijn voor het Arabische dialect van Mosul. In concreto gaat het om twee woorden (…). De contra-expert verzuimt te vermelden dat verreweg de meeste kenmerken van alle uitspraakkenmerken, van het Maslawi-Arabisch in de spraak van betrokkene ontbreken.’

17. In reactie op het weerwoord van BLT heeft de Taalstudio bij brief van 17 mei 2010 enkele kritische opmerkingen gemaakt over de deskundigheid van de betrokken deskundigen van BLT. Voorts wordt opgemerkt dat de conclusie van de contra-expert, dat eisers stelling dat hij uit Mosul afkomstig is wordt ondersteund door het feit dat sommige kenmerken van eisers Arabisch typisch zijn voor het Arabische dialect van Mosul, moet worden gezien als een conclusie die haaks staat op de conclusie van het BLT en derhalve reden geeft om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de taalanalyse van het BLT. Er wordt op gewezen dat het BLT niet ingaat op de stellingen van de contra-expert dat het fragment waarin het Arabisch van eisers wordt besproken slechts een ruime minuut omvat, dat eiser slecht te verstaan is en dat de tolk alleen Koerdisch en geen Arabisch sprak. Bovendien zijn enkele stellingen van het BLT met betrekking tot de analyse van de contra-expert in het weerwoord ongefundeerd en suggestief, aldus de Taalstudio. In deze context wordt onder meer de ononderbouwde stelling van het BLT genoemd dat de contra-expert elementen heeft aangevuld die niet zijn te horen op de opnames. Ook wordt gesteld dat het BLT ten onrechte heeft aangegeven dat van de spraakvoorbeelden er slechts drie uit meer dan twee woorden bestaan, nu er zeven voorbeelden zijn gegeven en het volgens de contra-expert bovendien niet gaat om de kwantiteit maar om wat deze voorbeelden illustreren.

18. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.

19. De rechtbank stelt allereerst onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2005 (JV 2005, 426) vast dat de enkele omstandigheid dat de contra-expert geen ‘native speaker’ is, onvoldoende is om deze niet-deskundig te achten, gelet op zijn aangevoerde en op zichzelf niet weersproken kennis en achtergrond. Derhalve merkt de rechtbank de in deze zaak verrichte contra-expertise aan als een deskundigenrapport.

20. Ten aanzien van het eerste aspect, de kennis van zijn gestelde herkomstgebied, overweegt de rechtbank dat gelet op hetgeen de contra-expert heeft opgemerkt over de beantwoording van vragen door eiser tijdens het ten behoeve van de taalanalyse gevoerde gesprek, het door het BLT gestelde ten aanzien van eisers kennis van zijn herkomstgebied onvoldoende is om te concluderen dat eiser niet afkomstig zou zijn uit Mosul. In het weerwoord van BLT is immers, ten aanzien van dit aspect, niet gereageerd op het standpunt van de contra-expert.

21. Ten aanzien van het tweede aspect, de vraag of alle burgers in Mosul die een minderheidstaal als moedertaal spreken het Arabisch als tweede taal spreken en zeer goed beheersen, stelt de rechtbank vast dat de standpunten van de taalanalist van het BLT en de contra-expert van de Taalstudio tegengesteld zijn. Terwijl volgens de taalanalist van het BLT alle inwoners uit Mosul het Arabisch goed zouden moeten beheersen, is dit volgens de contra-expert afhankelijk van sociaal-maatschappelijke omstandigheden. Nu het BLT dit standpunt in het weerwoord niet heeft weerlegd en de taalanalist van het BLT zijn standpunt heeft gebaseerd op zijn eigen ervaringen in Mosul, waarbij het onduidelijk is hoe lang en wanneer hij daar heeft verbleven, is de rechtbank van oordeel dat ook daarom aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid en de volledigheid van de taalanalyse van het BLT.

22. Ten aanzien van het derde aspect, eisers beheersing van de Arabische taal, stelt de rechtbank vast dat de standpunten van de taalanalist en de contra-expert lijnrecht tegenover elkaar staan. Terwijl de taalanalist van het BLT meent dat eiser de Arabische taal zeer beperkt beheerst en duidelijk niet in staat is om zich in het Arabisch vrijelijk uit te drukken, stelt de contra-expert dat eiser zonder veel moeite in het Arabisch kan converseren en aan te merken is als een spreker van vloeiend Arabisch voor alle praktische communicatiedoeleinden. Ondanks dat het BLT in het weerwoord op dit aspect is ingegaan, is de rechtbank mede gezien de inhoud van de reactie van de Taalstudio op dit weerwoord van oordeel dat het feit dat twee deskundigen op dit punt dermate van mening verschillen, leidt tot de conclusie dat sprake is van een aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse van het BLT.

23. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in de contra-expertise voldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de inhoud van de taalanalyse van het BLT, zodat die taalanalyse niet als een voldoende draagkrachtige onderbouwing van het besluit kan gelden.

24. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens schending van het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

25. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

I verklaart het beroep gegrond;

II vernietigt het besluit van 21 juli 2009; en

III veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).