Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5950

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/21685 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd / verblijf bij echtgenote / verstrekken onjuiste gegevens / polygamie

Eiser is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote A per 28 april 2003. Deze vergunning is ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met de datum waarop zij is verleend wegens het verstrekken van onjuiste gegevens over zijn huwelijk met mevrouw A. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van zijn huwelijksvoltrekking met A op 26 augustus 2002 te Marokko nog met zijn eerste echtgenote B naar Marokkaans recht was gehuwd. Nog daargelaten de vraag of de eerste echtgenote van eiser al dan niet is ingelicht over zijn intentie om een tweede vrouw te trouwen, is gesteld nog gebleken dat hij toestemming van de rechter had om een polygaam huwelijk aan te gaan, hetgeen verplicht is op grond van artikel 30 van het Marokkaanse wetboek van familie- en erfrecht. Dit is uit verificatie onderzoek in Marokko naar het huwelijk tussen eiser en A gebleken. Reeds hierom is rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt omtrent de rechtsgeldigheid van zijn huwelijk met A. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser wist, althans had moeten weten, dat hij gehouden was deze gegevens te verstrekken. In dit verband is niet relevant of eiser opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt. Er is geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM. Ook het beroep van eiser op het IVRK kan hem niet baten. Beroep ongegrond. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 28 april 2003 heeft kunnen intrekken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 09/21685 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1970], van Marokkaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. C. Brand.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 10 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 4 november 2008 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [A]” ingetrokken tot en met de datum waarop zij is verleend. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Het bestreden besluit gaat over de vraag of eiser al dan niet onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn huwelijk met mevrouw [A] (hierna: [A]) dan wel gegevens heeft achtergehouden, welke gegevens van zodanig belang zijn dat naar aanleiding hiervan dient te worden geconcludeerd dat zijn verblijfsrecht met terugwerkende kracht dient te worden ingetrokken.

2.2 Niet in geschil is dat eiser ten tijde van de huwelijksvoltrekking met [A] op [2002] te Marokko nog met zijn eerste echtgenote [B] (hierna: [B]) naar Marokkaans recht was gehuwd.

2.3 Eiser stelt zich primair op het standpunt dat zijn huwelijk met [A] naar Marokkaans recht rechtsgeldig is. In dat kader is met name van belang dat [B] kennis had van en ingestemd heeft met het door hem gesloten tweede huwelijk, aldus eiser.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt, zodat de verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf bij echtgenote [A]” op juiste gronden is ingetrokken.

2.5 Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.6 Op grond van paragraaf B1/5.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt, indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd.

2.7 De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting van de ambtelijke commissie op [2009] heeft verklaard dat hij in 1994 is gescheiden van zijn eerste echtgenote [B] en dat hij op [1997] met haar is hertrouwd omdat zij zwanger was. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. In 2001 zijn zij uit elkaar gegaan. Eiser is vervolgens de echtscheiding in Marokko gaan regelen. Uiteindelijk is het huwelijk, gesloten op [1997] te Marokko, ontbonden op [2006]. Op [2002] is eiser in Marokko in het huwelijk getreden met [A]. Met ingang van 28 april 2003 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [A]”.

2.8 Naar aanleiding van informatie die [B] heeft verstrekt omtrent haar huwelijk met eiser en het tweede huwelijk van eiser met [A] heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, afdeling Documentenverkeer en Fraudebestrijding, in opdracht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), een verificatieonderzoek in Marokko uitgevoerd met betrekking tot het huwelijk tussen eiser en [A].

2.9 Uit dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een brief gedateerd 22 april 2008, is gebleken dat:

“[…] het tweede huwelijk dat bij de notariële sector van Tanger door betrokkene is opgesteld op [2002] als ongeldig moet worden beschouwd omdat het document dat daarvoor gebruikt werd de akte van scheiding voor consommatie van het huwelijk van [1994] van betrokkene was, terwijl de echtgenoot eerder al door de huwelijksakte die in 1997 is opgesteld aan mevrouw [B] was gebonden. In het Marokkaanse familierecht is bigamie toegestaan maar onder bepaalde voorwaarden, waaraan niet is voldaan. In dit geval had de echtgenoot geen toestemming van zijn echtgenote, mevrouw [B], noch van de rechter, om een nieuw huwelijk aan te gaan, waardoor dit huwelijk in de categorie valt van huwelijksbeletsels genoemd in artikel 30 […]”.

2.10 Ter onderbouwing van eisers stelling dat zijn huwelijk met [A] rechtsgeldig is, heeft eiser op 17 oktober 2008 een afschrift overgelegd van de echtscheidingsakte. Niet in geschil is dat uit deze akte blijkt dat het huwelijk met [B], dat was gesloten op [1997], op [2006] is ontbonden.

2.11 Nog daargelaten de vraag of de eerste echtgenote van eiser al dan niet is ingelicht over zijn intentie om een tweede vrouw te huwen, is gesteld noch gebleken dat hij toestemming van de rechter had om een polygaam huwelijk aan te gaan, hetgeen verplicht is op grond van artikel 30 van het Marokkaanse wetboek van familie- en erfrecht. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt omtrent de rechtsgeldigheid van zijn huwelijk met [A]. De stelling van eiser dat zijn huwelijk met [A] staat geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en dat dit voor de uitvoering van het Nederlandse immigratiebeleid leidend is, doet daar niet aan af, aangezien deze informatie gebaseerd is op dezelfde onjuiste gegevens.

2.12 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiser bij het verstrekken van de juiste gegevens in het bezit zou zijn gesteld van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking”verblijf bij echtgenote [A]”. Daarbij dient de rechtbank de door eiser opgeworpen vraag te beantwoorden of hij wist althans kon weten dat hij deze informatie moest verstrekken.

2.13 Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser - nu hij een aanvraag voor een vergunning voor verblijf bij echtgenote heeft ingediend - wist, althans had moeten weten, dat hij gehouden was deze gegevens te verstrekken. In dit verband is niet relevant of eiser opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt over de rechtsgeldigheid van zijn huwelijk met [A]. De rechtbank verwijst in dit kader naar de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Vw (Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 199-2000, 26732, nr. 7, p. 25-26), waarin wordt benadrukt dat met de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij verlening onjuiste gegevens zijn verstrekt, slechts beoogd wordt de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Om die reden is het niet vereist dat de vreemdeling die onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van die verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist. Het gaat er bij de intrekking uitsluitend om dat de situatie wordt hersteld naar de situatie zoals die had behoren te zijn. In het verlengde hiervan is het ook op grond van het beleid van verweerder, zoals dat is neergelegd in paragraaf B1/ 5.3.3 van de Vc, niet van belang of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. Het gaat er volgens het beleid om dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd.

2.14 De rechtbank is van oordeel dat bij bekendheid met de juiste gegevens de ingetrokken vergunning - gelet op de beperking “verblijf bij echtgenote” - niet zou zijn verleend.

2.15 Gelet op het vorenstaande was verweerder in beginsel bevoegd de verblijfsvergunning van eiser in te trekken.

2.16 Eiser heeft vervolgens in beroep aangevoerd dat de intrekking van de vergunning vijf jaar na het verlenen van het verblijfsrecht plaatsvindt en ten tijde van de daadwerkelijke echtscheiding van zijn eerste echtgenote. Gedurende dit huwelijk is op [2004] geboren de minderjarige [minderjarige 1] van Nederlandse nationaliteit en is in [2009] [minderjarige 2] geboren. Voorts is er sprake van een kind uit een eerdere relatie van [A], [minderjarige 3], geboren op [1998], van Nederlandse nationaliteit, die eiser als haar vader beschouwt. In de visie van eiser wordt op dit moment geen inbreuk gemaakt op de openbare orde. Eiser heeft immers altijd arbeid verricht in loondienst waarvoor premies en belastingen zijn afgedragen. Daarnaast moet zijn gezinsleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) feitelijk worden beoordeeld, hetgeen niet is geschied in het bestreden besluit. Er heeft geen op de zaak toegespitste afweging van de belangen plaatsgevonden, zoals door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vereist is bij beantwoording van de vraag of inbreuk mag worden gemaakt op het gezinsleven van eiser. De destijds mogelijk gegeven onjuiste informatie zal volgens eiser thans niet langer aan verblijfsaanvaarding of voortgezet verblijf van hem in de weg staan.

2.17 Niet in geschil is dat tussen eiser, [A], [minderjarige 3], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake is van "family life" in de zin van artikel 8 van het EVRM.

2.18 Door de intrekking van de verblijfsvergunning is de rechtens juiste situatie met terugwerkende kracht hersteld, zodat de vreemdeling geacht moet worden nimmer in het bezit te zijn geweest van een verblijfstitel. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat onder die omstandigheden geen sprake is van inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Ook indien geen sprake is van inmenging dient echter een volledige belangenafweging plaats te vinden tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel.

2.19 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het door de overheid te behartigen algemeen belang mogen stellen boven het belang van eiser. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het feit dat er door eiser geen beroep wordt gedaan op de algemene middelen op zichzelf geen reden vormt om eiser verblijf hier te lande toe te staan. Voorts is van belang dat er geen sprake is van een objectieve belemmering het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Zowel eiser als zijn echtgenote hebben de Marokkaanse nationaliteit, spreken de Marokkaanse taal en zijn bekend met de Marokkaanse cultuur. Beiden zijn geboren in Marokko. De kinderen [minderjarige 3], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Gelet op hun jeugdige leeftijd kan van hen worden gevergd eiser te volgen naar Marokko. Ook [minderjarige 3], die schoolgaand is, is jong genoeg om geacht te kunnen worden zich aan te passen aan de Marokkaanse cultuur. Uit het enkele feit dat [A] (eveneens) en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, vloeit niet voort dat de gezinsleden enkel en alleen in Nederland hun familie- of gezinsleven zouden kunnen uitoefenen. Voor zover de situatie in Marokko minder gunstig is dan in Nederland is dat geen reden om in afwijking van het beleid verblijf toe te staan. Bovendien volgt uit jurisprudentie van het EHRM niet dat artikel 8 van het EVRM zo ver strekt dat de Nederlandse overheid verplicht is om de domiciliekeuze van eiser en [A] te respecteren.

2.20 Voorts acht de rechtbank bij de belangenafweging van belang dat eiser zich zelf in deze positie heeft gebracht, aangezien hij ten tijde van de aanvraag in 2003 onjuiste gegevens heeft verstrekt en vervolgens hier te lande gezinsleven heeft opgebouwd, hetgeen voor zijn risico komt.

2.21 Voor zover eiser een beroep doet op opgebouwd privéleven hier te lande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet nader heeft onderbouwd wat zijn situatie nu juist zo bijzonder maakt. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.22 De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

2.23 Eiser voert voorts aan dat hij zich afvraagt waarom in een geval als het onderhavige, waarin aannemelijk is dat een breuk met de Nederlandse samenleving en het weghalen van de kinderen uit hun sociale omgeving, niet eveneens de belangen van de kinderen worden betrokken zoals verlangd door artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Ook heeft eiser een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de EG (HvJ) van 27 juni 2006 (C-540/03) en het Verslag van de commissie aan de raad en het Europees parlement betreffende de toepassing van de richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (Brussel, 8 oktober 2008, kenmerk COM (2008)216). Eiser heeft voorts verwezen naar de nota van toelichting bij de ratificatiewet van het IVRK (kamerstuk 22855, nr. 3, p. 15), de uitspraak van het HvJ van 27 juni 2006, C540/03, JV 2006/313. Artikel 3, eerste lid, van het IVRK dringt via jurisprudentie van het EHRM door tot de Nederlandse rechtsorde, zoals via de uitspraak in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer (31 januari 2006, LJN: AV3568). Verder heeft eiser verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 augustus 2003 (LJN: AM3133). Volgens het Ministerie van Justitie (TK 1992/1993, 22855, nr. 3, p. 9) komt aan diverse bepalingen van het IVRK rechtstreekse werking, dan wel mogelijke rechtstreekse werking toe. Wanneer uitgegaan moet worden van de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK, rust op verweerder een verhoogde motiveringsplicht, indien beslissingen worden genomen in strijd met belangen van de minderjarige. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 10 mei 2004, Awb 02/15300 en nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 juni 2003, JV 2003/421. Niet alleen het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM maar ook als bedoeld in artikel 9 van het IVRK is van belang. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, heeft in haar uitspraak van 15 maart 2007 (Awb 07/7950 en Awb 07/77946), overwogen dat aan artikel 9 van het IVRK rechtstreekse werking toekomt.

2.24 Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel met de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen, nu geen sprake is van een gelijk geval. In die zaak werd de minderjarige opgevoed door de ouder wiens verblijf in Nederland ter beoordeling voorlag en de grootouders. Verder was in die zaak door de rechtsprekende instanties, in navolging van de Raad voor de Kinderbescherming, bepaald dat het in het belang van de minderjarige was dat zij in Nederland zou blijven, als gevolg waarvan zij haar moeder niet zou kunnen volgen naar haar land van herkomst. Haar vader, die het gezag over de minderjarige had, zou hiervoor ook geen toestemming geven. In de onderhavige zaak worden de minderjarigen echter (ook) opgevoed door de rechtmatig in Nederland verblijvende ouder, die tevens het gezag over de minderjarige heeft. Verder is geen sprake van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit volgt dat de minderjarigen Nederland niet zouden mogen of kunnen verlaten. Reeds daarom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

2.25 Ook het beroep van eiser op het IVRK kan hem niet baten. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat aan het IVRK geen rechten van verblijfsrechtelijke aard worden ontleend die verder gaan dan uit hoofde van artikel 8 van het EVRM mogelijk is (zie bijvoorbeeld: ABRvS, 29 februari 2008, 200701721/1, LJN: BC6604 en ABRvS, 7 mei 2009, 200805089/1/V2, JV 2009/266). Derhalve wordt verwezen naar wat hiervoor met betrekking tot artikel 8 van het EVRM is overwogen.

2.26 Voorts heeft eiser ter zitting verwezen naar twee rapporten, te weten “Het belang van het kind in het Nederlands recht, voorwaarden voor ontwikkeling vanuit een pedagogisch perspectief” en “Kinderen uit asielzoekersgezinnen en het recht op ontwikkeling, het belang van het kind in het vreemdelingenrecht” uit april 2006 van de onderzoekers dr. mr. M.E. Kalverboer en drs. A.R. Zijlstra. De onderzoekers pleiten voor een recht op een verblijfsvergunning in Nederland na in ieder geval een verblijf van vijf jaren. Eiser verzoekt verweerder uitdrukkelijk om het standpunt dat geen sprake zou zijn van inworteling nader te onderbouwen en een deskundigenonderzoek te laten verrichten naar de gevolgen voor de kinderen van een (indirect) gedwongen vertrek uit Nederland.

2.27 Ten aanzien van deze rapporten is de rechtbank met verweerder van oordeel dat deze rapporten weliswaar een rol spelen in de belangenafweging die verweerder dient te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM, maar dat deze rapporten niet zo absoluut kunnen worden toegepast als eiser zou wensen. Voorts is er geen sprake van uitzettingsdreiging van de kinderen, nu zij de Nederlandse nationaliteit bezitten. Het is de keuze van eiser om het familie- en gezinsleven in Marokko voort te zetten. De door eiser genoemde rapporten zien op de positie van kinderen die onrechtmatig, dan wel in afwachting van een verblijfsvergunning, in Nederland verblijven. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangen van de kinderen in voldoende mate heeft meegewogen.

2.28 Eiser bestrijdt ten slotte dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken tot het tijdstip waarop de onderhavige vergunning is verleend en betoogt dat de vergunning in ieder geval verleend had dienen te worden met ingang [2006], de datum waarop het huwelijk tussen eiser en [B] is ontbonden.

2.29 De rechtbank overweegt dat de ABRvS in haar uitspraak van 26 maart 2007 (JV 2007/255) heeft overwogen dat het niet in strijd is met het stelsel van de Vw als de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf bij [A], aangezien het feit dat er een echtscheiding heeft plaatsvonden met [B] nog niet wil zeggen dat daarmee de twijfel over de rechtmatigheid van het huwelijk tussen eiser en [A] is weggenomen.

2.30 De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in redelijkheid de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 28 april 2003 heeft kunnen intrekken.

2.31 Ook wat verder is aangevoerd, kan niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

2.32 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra, als voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. M. Stapels-Wolfrat, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2010.

De griffier:

A.H.J. Hofman

De voorzitter:

mr. K.J. Veenstra

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.