Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5846

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
AWB 10/27897
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat in 2010 door de Algerijnse autoriteiten nog geen enkele laissez-passer is afgegeven. Over het jaar 2009 bedroeg het aantal afgegeven laissez-passers 15. Het tijdsverloop tussen aanvraag en afgifte bedroeg in die gevallen gemiddeld 66 dagen. Enige verklaring voor het verschil in afgegeven laissez-passers tussen 2009 en 2010 heeft verweerder niet kunnen geven. In aanmerking genomen dat eiser reeds op 18 augustus 2009 bij de Algerijnse autoriteiten is gepresenteerd, kan met deze wetenschap thans niet worden staande gehouden dat nog zicht op uitzetting van eiser naar Algerije bestaat. Bewaring wordt opgeheven. Schadevergoeding met ingang van datum beroepschrift.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/425

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/27897

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2010

inzake

{eiser],

geboren op [datum],

nationaliteit Libanese,

verblijvende te Alphen aan den Rijn in de penitentiaire inrichting,

eiser,

gemachtigde mr. A.C. Bosch,

tegen

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Op 5 juni 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 20 juli 2009, 10 november 2009, 26 januari 2010, 23 maart 2010 en 13 juli 2010, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 9 augustus 2010 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 11 augustus 2010 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 12 augustus 2010.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 augustus 2010, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Anders dan de gemachtigde van eiser ziet de rechtbank, gelet op de voortgangsrapportage van verweerder, geen aanleiding eiser te horen.

2. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat onvoldoende voortvarend aan de uitzetting wordt gewerkt en dat, nu eiser langer dan veertien maanden in bewaring verblijft, de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Naar aanleiding van ter zitting door verweerder verstrekte informatie heeft is namens eiser voorts betoogd dat geen onvoldoende zicht op uitzetting bestaat.

3. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat in 2010 door de Algerijnse autoriteiten nog geen enkele laissez passer is afgegeven. Over het jaar 2009 bedroeg het aantal afgegeven laissez passers 15. Het tijdsverloop tussen aanvraag en afgifte bedroeg in die gevallen gemiddeld 66 dagen. Enige verklaring voor het verschil in afgegeven laissez-passers tussen 2009 en 2010 heeft verweerder niet kunnen geven. In aanmerking genomen dat eiser reeds op 18 augustus 2009 bij de Algerijnse autoriteiten is gepresenteerd, kan met deze wetenschap thans niet worden staande gehouden dat nog zicht op uitzetting van eiser naar Algerije bestaat.

4. Mede gelet op haar uitspraak van 20 juli 2009 houdt de rechtbank het ervoor dat de bewaring vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting met ingang van 1 augustus 2010 onrechtmatig moet worden geacht. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Echter, voor de beantwoording van de vraag vanaf welke datum verweerder eventueel schade dient te vergoeden is voorts van belang dat gemachtigde van eiser schadebeperkend had kunnen optreden door eerder een beroepschrift in te dienen. De rechtbank acht daarom gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen vanaf 9 augustus 2010, de datum van het beroepschrift.

5. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 80,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 25 augustus 2010, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat de vreemdeling in beginsel een schadevergoeding toekomt voor 16 dagen dat zij in een huis van bewaring heeft verbleven. In totaal bedraagt de schadevergoeding derhalve € 1.280,00.

6. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

7. Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

8. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 25 augustus 2010;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 1.280,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.280,00 (ZEGGE: DUIZEND TWEEHONDERDENTACHTIG EURO)

Aldus gedaan op 25 augustus 2010 door mr. W.C.E. Winfield.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschrift verzonden: