Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5845

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/21540, 09/21541
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring louter gebaseerd op Europees Aanhoudingsbevel

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ongewenstverklaring ten onrechte louter heeft gebaseerd op het EAB. Hoewel verweerder in beginsel mag afgaan op de gegevens van het EAB, heeft verweerder met de enkele verwijzing naar de - summiere - informatie uit het EAB in deze zaak niet kunnen volstaan. De rechtbank wijst in dit verband op de verstrekkende gevolgen van de ongewenstverklaring zodat eens te meer van belang is dat verweerder bij de besluitvorming de benodigde zorgvuldigheid in acht neemt. Nu eiser heeft aangevoerd dat iemand mogelijk ten onrechte gebruik heeft gemaakt van eisers identiteitsgegevens, dient op enigerlei wijze een vergelijking van identificerende gegevens (zoals pasfoto’s en/of vingerafdrukken) plaats te vinden. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder in dat verband activiteiten heeft verricht. Verwezen wordt naar de uitspraak van 1 december 2004 (LJN: AR8703) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/424

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/21540 beroep AWB 09/21541 voorlopige voorziening

V-nr:

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiser en verzoeker [naam], van Turkse nationaliteit, hierna: eiser,

gemachtigde: mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam

en:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: J.N. Mons, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ongewenst verklaard. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 10 juni 2009 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben en dat (verder) verblijf in Nederland strafbaar is op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Op 12 juni 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Voorts is de rechtbank op 12 juni 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig Y [voornaam], de zoon van eiser.

De rechtbank respectievelijk voorzieningenrechter, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover thans van belang, de ongewenstverklaring van eiser gebaseerd op de veroordeling van eiser bij vonnis van 26 juni 2003 van de rechtbank te Milaan. Het betreft een veroordeling tot een gevangenisstraf van 15 jaar vanwege medeplichtigheid bij de invoer van 30 kilo heroïne in juli 1995. Het openbaar ministerie heeft verweerder desgevraagd op 5 november 2007 bericht dat voor het door eiser gepleegde misdrijf in Nederland vermoedelijk zes jaar gevangenisstraf zou worden gevorderd (de zogenoemde strafmaatvergelijking). Volgens verweerder vormt de omstandigheid dat de strafmaatvergelijking is gebaseerd op (enkel) het Europees Aanhoudingsbevel (hierna: het EAB) en er geen vonnis of een strafdossier beschikbaar is, geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de strafvergelijking. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat uit zorgvuldigheid is overgegaan tot strafvergelijking hoewel dat niet nodig was omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft (gehad).

2. Eiser heeft, voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd.

Verweerder baseert de ongewenstverklaring van eiser ten onrechte op een loutere verwijzing naar een veroordeling van de rechtbank te Milaan. Verweerder beschikt niet over een afschrift van het vonnis van de rechtbank te Milaan of over een strafdossier waaruit door middel van foto’s de identiteit van de verdachte zou kunnen blijken. Eiser weet niets van een veroordeling in Italië en kan een en ander niet verifiëren. Op grond van de beschikbare informatie valt niet uit te sluiten dat persoonsverwisseling heeft plaatsgevonden en dat het EAB geen betrekking heeft op eiser.

De rechtbank overweegt als volgt

3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder over voldoende informatie beschikt om eiser ongewenst te verklaren.

3.1 De rechtbank stelt vast dat de ongewenstverklaring is gebaseerd op een fax van 6 april 2007 van de politie Amsterdam-Amstelland (dossierstuk 50) aan de IND met een uitdraai uit een computersysteem (dossierstuk 49) waarin wordt vermeld dat de rechtbank van Milaan [op datum] heeft verzocht om de aanhouding van [naam], geboren in [datum] 1950 te Aksaray Turchia, op grond van een vonnis van 26 juni 2003, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar vanwege medeplichtigheid bij de invoer van 30 kilo heroïne in juli 1995. Uit een handgeschreven notitie op de uitdraai uit het computersysteem blijkt dat het gaat om een EAB.

3.2 De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de ongewenstverklaring van eiser ten onrechte louter heeft gebaseerd op het EAB. Hoewel verweerder in beginsel mag afgaan op de gegevens van het EAB, heeft verweerder met de enkele verwijzing naar de - summiere - informatie uit het EAB in deze zaak niet kunnen volstaan. De rechtbank wijst in dit verband op de verstrekkende gevolgen van de ongewenstverklaring zodat eens te meer van belang is dat verweerder bij de besluitvorming de benodigde zorgvuldigheid in acht neemt. Nu eiser heeft aangevoerd dat iemand mogelijk ten onrechte gebruik heeft gemaakt van eisers identiteitsgegevens, dient op enigerlei wijze een vergelijking van identificerende gegevens (zoals pasfoto’s en/of vingerafdrukken) plaats te vinden. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder in dat verband activiteiten heeft verricht. Verwezen wordt naar de uitspraak van 1 december 2004 (LJN: AR8703) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3.3 De rechtbank verwerpt verweerders argument dat eiser eerder naar voren had moeten brengen dat sprake is van een persoonsverwisseling. Immers, eiser heeft zich reeds in de zienswijze op het standpunt gesteld dat de onder 3.1 weergegeven informatie onvoldoende grondslag vormt voor de ongewenstverklaring. Dat eiser in bezwaar ook andere argumenten (dan persoonsverwisseling) heeft gebruikt om zijn standpunt te onderbouwen, doet daar niet aan af. Verweerder heeft evenmin kunnen volstaan met de verwijzing naar de strafvergelijking door het openbaar ministerie, nog daargelaten dat het openbaar ministerie ook nadrukkelijk heeft gewezen op het ontbreken van - onder meer - een volledig dossier.

4. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de op grond van artikel 3:2 van de Awb in acht te nemen zorgvuldigheid bij de voorbereiding van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

5. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

6. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

7. Op grond van artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/21540,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/21541,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (negenhonderdzesenzestig euro), te betalen aan eiser.

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 300,-- (driehonderd euro), te weten tweemaal € 150,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S.F. Voskens, rechter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2010.

De griffier

De rechter / voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: EW

Coll.: MP

D: C

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.