Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
09/925058-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor stalking van zijn ex-vrouw en zijn dochters terwijl hij in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling wegens onder andere belaging en waarbij hem een contactverbod is opgelegd. Verdachte is veroordeeld voor 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De door de officier van justitie gevorderde proeftijd van een langere duur dan 2 jaren is ingevolge de wettelijke regeling niet mogelijk. Gedeeltelijk toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijk straf, te weten 8 maanden gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 509o
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/18

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/925058-10 en 09/925984-07 (TUL)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 juli 2010 en 10 augustus 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.A.M. Eijgenraam en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. K.P. Mandos, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 oktober

2009 tot en met 21 april 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij (A)] en/of [benadeelde partij (B)] en/of [benadeelde partij (C)], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde partij (A)] en/of

[benadeelde partij (B)] en/of [benadeelde partij (C)], in elk geval die ander te dwingen iets te

doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte:

- (meermalen) telefonisch contact opgenomen met die [benadeelde partij (A)] en/of die [benadeelde partij (B)] en/of die [benadeelde partij (C)] en/of

- (meermalen) een kaart en/of een brief gestuurd naar die [benadeelde partij (B)] en/of

- (meermalen) een kaart en/of een brief gestuurd naar die [benadeelde partij (C)] en/of

- (meermalen) die [benadeelde partij (B)] opgezocht op haar school en/of

- (meermalen) op straat gepost en/of gewacht om die [benadeelde partij (A)] en/of die [benadeelde partij (B)] en/of die [benadeelde partij (C)] te zien en/of te ontmoeten en/of

- (meermalen) die [benadeelde partij (A)] en/of die [benadeelde partij (B)] en/of die [benadeelde partij (C)] op

straat heeft gevolgd;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ingevolge artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het misdrijf van belaging slechts op klacht vervolgbaar. De klacht bestaat ingevolge artikel 164, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering uit een aangifte en een verzoek tot vervolging.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster [benadeelde partij (A)] tijdig klacht heeft gedaan en heeft verzocht over te gaan tot vervolging van verdachte (1) (2).

[benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] hebben wel aangifte, maar geen afzonderlijke klachten gedaan. Dat tast naar het oordeel van de rechtbank de ontvankelijkheid van de officier van justitie niet aan. Naar vaste rechtspraak kan het bestaan van een klacht als bedoeld in artikel 164, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering worden aangenomen indien kan worden vastgesteld dat de aangevers ten tijde van het afleggen van hun verklaringen de bedoeling hadden dat een vervolging zou worden ingesteld (vide: HR 11 januari 1994, NJ 1994,278 en HR 2 november 2004, LJN AQ4289).

De rechtbank leidt uit de aard en strekking van de verklaringen die door [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] bij de politie zijn afgelegd, alsmede uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van beiden, af dat zij ten tijde van het afleggen van hun verklaringen bij de politie wensten dat vervolging zou worden ingesteld tegen verdachte.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

4. Het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-vrouw en twee dochters, [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (C)], gedurende een aantal maanden heeft belaagd, ook wel stalking genoemd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat er geen sprake is van een vermeende belaging in de periode van oktober 2009 tot januari 2010.

Ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen heeft de verdediging het volgende naar voren gebracht:

- De verdenking dat verdachte op straat heeft gepost of gewacht om aangeefsters te zien of te ontmoeten, kan niet worden bewezen. Aangeefsters hebben hier alleen een vermoeden dat niet is gebaseerd op concrete feiten. Er is een melding gedaan dat er een man in een auto met een verrekijker in de richting van de straat waar aangeefsters wonen, heeft gekeken. Verdachte ontkent dit te zijn geweest en daarnaast levert dit geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefsters op nu het vermeende incident niet meteen ter kennis is gekomen bij aangeefsters.

- Verdachte heeft enkel in de maand januari 2010 een aantal keren gebeld met zijn ex-vrouw.

- Verdachte bekent verjaardagskaarten naar zijn dochters te hebben gestuurd maar nu zijn begeleider bij de Waag hem zou hebben gezegd dat dit de "minst slechte optie" zou zijn van alle contactverboden, is het gezien het ziektebeeld van verdachte ook niet verwonderlijk dat verdachte de conclusie heeft getrokken dat een kaart wellicht nog wel zou mogen.

- De school van [benadeelde partij (B)] heeft verdachte inderdaad bezocht maar op een open dag om achtergrondinformatie over de school te verkrijgen en niet om zijn dochter op te zoeken.

- Verdachte heeft inderdaad zijn dochter [benadeelde partij (B)] aangesproken op het feit dat zij een vriendje had, maar hij besefte direct dat hij een contactverbod had en is daarom weggelopen.

De gedragingen die overblijven zijn naar het oordeel van de verdediging niet stelselmatig in de zin van artikel 285b Wetboek van Strafrecht te noemen, zeker niet als deze naar de afzonderlijke aangeefsters worden uitgesplitst. Verdachte dient om die reden dan ook vrijgesproken te worden van het aan hem ten laste gelegde feit.

4.3. De beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het navolgende vast.

Op 16 januari 2010 heeft [benadeelde partij (A)], woonachtig in '[woonplaats], aangifte gedaan van belaging door haar ex-man [verdachte] (3). In het verleden heeft zij eerder aangifte gedaan tegen verdachte van stalking. Nadat verdachte in oktober 2009 een rechtszaak had verloren is het weer goed fout gegaan en heeft verdachte diverse pogingen ondernomen om met haar en haar dochters in contact te komen (4). Hij heeft heel regelmatig gebeld. Hij heeft kaarten gestuurd met verjaardagen en feestdagen (5).

Eén van deze kaarten, verzonden naar hun woonadres aan de [adres], was gericht aan [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] en ondertekend door "papa" met als afzender [naam en adres verdachte], voor het Diwali feest (6). Het Diwali feest is, blijkens openbare bronnen, een Hindoeïstisch feest dat in 2009 begon op 17 oktober. Ook is er een kerstkaart gericht aan [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] verzonden met als afzender [verdachte] (7).

Op 27 januari 2010 heeft [benadeelde partij (A)] een tweede aangifte gedaan (8). [benadeelde partij (B)] had haar die dag gebeld, dat haar vader op de school van [benadeelde partij (B)] was en haar had geroepen (9). Haar andere dochter, [benadeelde partij (C)], heeft op 22 januari 2010 een verjaardagskaart ontvangen van haar vader, welke was ondertekend met de tekst: "Toegewenst Door: Papa, mama en [benadeelde partij (B)]" (10). Bij deze verjaarskaart zat een aan [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] gerichte brief ondertekend door "Papa" (11). In deze brief werd beschreven dat hij [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] had gezien op een scooter en hij beschreef welke kleding zij toen droegen. Verdachte heeft verklaard deze kaart en brief te hebben gestuurd (12).

[benadeelde partij (B)] heeft op 27 januari 2010 een verklaring afgelegd bij de politie (13). Haar vader heeft op 31 december 2009 haar moeder gebeld en daarna zijn er nog meer voorvallen geweest (14). Op woensdag 27 januari 2010 (15) was er op haar school, de [naam school] aan de [adres], een open dag. Op een gegeven moment zag zij haar vader tussen een aantal ouders op de trap staan en zij hoorde dat hij haar naam riep (16). Verdachte heeft erkend dat hij op 27 januari 2010 in de school van [benadeelde partij (B)] aanwezig was (17).

[benadeelde partij (C)] heeft op 24 februari 2010 een verklaring afgelegd bij de politie (18). Rond oud en nieuw van het afgelopen jaar (de rechtbank begrijpt: 2009) belde haar vader regelmatig naar hun huis op. De telefoontjes bleven maar door gaan. Zij kreeg op 22 januari 2010 een kaart van haar vader voor haar verjaardag. Bij die kaart was een brief gevoegd, waarin verdachte beschreef dat hij [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)] de zaterdag voor 18 januari 2010 op een gele scooter had zien rijden. Hetgeen verdachte schreef in de brief klopte (19). Zij is enorm is geschrokken van deze brief en is bang dat verdachte toen voor hun huis heeft gepost en hen is gevolgd (20). Ergens tussen oud en nieuw en haar verjaardag, 23 januari, belde verdachte. Dit telefoongesprek vond plaats nadat de vriend van haar moeder, [naam] , net twee minuten eerder de woning had verlaten. Verdachte vroeg "wat die dikke klootzak" bij hun moest. [benadeelde partij (C)] heeft het idee dat haar vader steeds op hen zit te letten (21).

Uit de historische gegevens van de mobiele telefoon van verdachte blijkt dat deze op meerdere data, 11 en 25 november 2009, 2, 3, 7, 10, 14, 15, 16, 22, 27 en 30 december 2009, 1, 5, 13, 19 en 26 januari 2010 de paal op [adres] aanstraalde (22). Deze paal op [adres] bevindt zich in de directe nabijheid van het woonadres van aangeefsters, aan de [adres benadeelde partijen] zoals op een overzichtskaart te zien is (23).

Uit de historische gegevens van de twee mobiele nummers van verdachte blijkt verder dat op 31 december 2009 en op 1, 8, 13, 15 en 16 januari 2010 in totaal zeventien maal is gebeld naar het mobiele nummer van mevrouw [benadeelde partij (A)] (24).

Met een telefoon van verdachte is een sms-bericht verzonden naar het telefoonnummer van [benadeelde partij (A)] met de volgende tekst: Lieve [benadeelde partij (C)], [benadeelde partij (B)], voor straks veel voorspoed, veel geluk en gezondheid in 2010, en je mama ook. Happy new year. Mijn lieve apie en konijn papa mis jullie elke dag heel intens. Kusje van papa (25). Verdachte heeft verklaard, dat hij dit bericht heeft verzonden (26).

[benadeelde partij (B)] heeft op 19 april 2010 aangifte gedaan (27) (28). Verdachte liep op dat moment in een door de rechter-commissaris op 29 januari 2010 opgeschorte bewaring, waarbij één van de voorwaarden inhield dat verdachte op geen enkele wijze contact zou opnemen en onderhouden met [benadeelde partij (C)], [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (A)] (29).

[benadeelde partij (B)] heeft verklaard dat verdachte op 7 april 2010 een telefoongesprek heeft gevoerd met de vriend van haar moeder, [naam]. [vriend van moeder] zette het telefoongesprek op de intercom, waardoor zij ([benadeelde partij (B)]), [benadeelde partij (C)] en haar moeder konden meeluisteren. Verdachte heeft in dat gesprek aangegeven dat hij hen overal achtervolgt en in de gaten houdt wat zij allemaal doen (30). [benadeelde partij (A)] heeft ter terechtzitting verklaard dat verdachte in dat gesprek heeft aangegeven dat hij wist dat [benadeelde partij (C)] een vriendje had en dat hij wist hoe de kinderen naar school gingen (31).

Op 14 april 2010 was [benadeelde partij (B)] met haar vriend [naam] in de binnenstad van Den Haag. Haar vader is op haar afgekomen en bleef vragen aan [vriend benadeelde partij (B)] wat hij bij zijn dochter deed en heeft [vriend benadeelde partij (B)] geduwd. [benadeelde partij (B)] en [vriend benadeelde partij (B)] wilden weglopen, maar verdachte bleef maar bij hen lopen. Verdachte heeft tegen [benadeelde partij (B)] gezegd dat zij naar huis moest gaan en niet bij [vriend benadeelde partij (B)] mocht blijven. Pas nadat zij de politie heeft gebeld, is verdachte weggegaan (32). [vriend benadeelde partij (B)] heeft bevestigd dat hij samen met [benadeelde partij (B)] haar vader in de binnenstad van Den Haag is tegengekomen. Haar vader liep achter hun aan en riep steeds tegen [vriend benadeelde partij (B)] dat hij uit haar buurt moest blijven. (33). Verdachte heeft erkend, dat hij op 14 april 2010 in Den Haag contact heeft gehad met zijn dochter [benadeelde partij (B)], die op dat moment samen met een vriendje was (34).

4.3.1. Nadere bewijsoverwegingen

Anders dan de verdediging acht de rechtbank het wachten op de aangeefsters om hen te zien wel bewezen. Uit de verklaringen van aangeefsters en in dat verband ook de peilgegevens van de telefoon van verdachte is genoegzaam gebleken dat de mobiele telefoon van verdachte frequent in de omgeving van de woning van aangeefsters is uitgepeild en dat verdachte blijkbaar zicht heeft op de woning als hij, direct nadat de vriend van aangeefster [benadeelde partij (A)], [naam], de woning verlaat, belt om te vragen wie dat was. Bovendien heeft verdachte in een telefoongesprek met de vriend van aangeefster [benadeelde partij (A)] op 7 april 2010 aangegeven dat hij hen achtervolgt en in de gaten houdt.

De verklaring van verdachte dat hij vaak in die omgeving kwam met een ander doel, namelijk omdat er kennissen van hem wonen, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De verklaring van verdachte dat hij op 27 januari 2010 niet op de school van [benadeelde partij (B)] was om haar op te zoeken, maar om informatie over de school te krijgen, acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig. Verdachte had daar niets te zoeken, zeker ook niet nu verdachte nog in een proeftijd liep van een bij vonnis van 3 maart 2008 door deze rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [benadeelde partij (A)] en [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (C)] was opgelegd.

Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van de voor een voor veroordeling van belaging noodzakelijke stelselmatigheid. Er moet volgens de verdediging worden gekeken naar de incidenten per aangeefster en aangeefsters moeten zich wel bewust zijn van de vermeende incidenten om een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te kunnen opleveren.

Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Om te beoordelen of er sprake is van stelselmatigheid moet worden gekeken naar de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaats gevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Verdachte is op 3 maart 2008 veroordeeld voor het plegen van ontucht met zijn minderjarig kind, aangeefster [benadeelde partij (C)] in deze zaak, en belaging van [benadeelde partij (A)]. Hierbij is verdachte een contactverbod opgelegd dat nog liep in een groot gedeelte van de ten laste gelegde periode van onderhavige feiten. Bij beschikking van 29 januari 2010 heeft de rechter-commissaris de bewaring van verdachte opgeschort, waarbij als voorwaarde was gesteld dat verdachte op geen enkele wijze contact zou opnemen of onderhouden met [benadeelde partij (A)] en [benadeelde partij (C)] en [benadeelde partij (B)]. Aangeefsters hebben meermalen aangegeven geen contact met verdachte te willen hebben. Ondanks voornoemde rechterlijke beslissingen is verdachte zich sedert oktober 2009 op verschillende momenten blijven ophouden in de directe omgeving van aangeefsters en bleef hij contact met hen zoeken. Deze contacten maken, mede in het licht ook van zijn eerdere veroordeling wegens ontucht en stalking, een grote inbreuk op het persoonlijke leven van aangeefsters. Door telkens op verschillende momenten en op verschillende wijzen contact te zoeken met aangeefsters, geeft hij aangeefsters het gevoel altijd in de buurt te zijn en hen niet los te willen laten. Dit gevoel wordt versterkt doordat verdachte zelf telefonisch aangeeft hen te volgen en in de gaten te houden. Aangeefsters zijn moeder en haar twee dochters. Zij wonen bij elkaar in huis. Zij delen hun ervaringen en spreken regelmatig over de situatie rond verdachte. De incidenten dienen dan ook niet per aangeefster te worden bekeken maar in zijn geheel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er stelselmatig door verdachte inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van elk van de aangeefsters.

Het door de raadsvrouwe gevoerde verweer ten aanzien van de periode oktober tot en met december 2009 vindt reeds weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en behoeft derhalve geen verdere bespreking.

De rechtbank verwerpt gezien het vorenoverwogene alle door de raadsvrouwe gevoerde bewijsverweren.

4.4. Conclusie

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen in de periode vanaf 1 oktober 2009 tot en met 21 april 2010 te

's-Gravenhage, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij (A)] en [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (C)], met het oogmerk die [benadeelde partij (A)] en [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (C)] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte:

- meermalen telefonisch contact opgenomen met die [benadeelde partij (A)] en/of die [benadeelde partij (B)] en/of die [benadeelde partij (C)] en

- meermalen een kaart en/of een brief gestuurd naar die [benadeelde partij (B)] en

- meermalen een kaart en/of een brief gestuurd naar die [benadeelde partij (C)] en

- die [benadeelde partij (B)] opgezocht op haar school en

- meermalen op straat gewacht om die [benadeelde partij (A)] en/of die [benadeelde partij (B)] en/of die [benadeelde partij (C)] te zien en

- die [benadeelde partij (B)] op straat gevolgd.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7. De straf

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. C.A.M. Eijgenraam heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met als bijzondere voorwaarden een algeheel contactverbod met zijn ex-vrouw en zijn 2 dochters en een verbod om zich te bevinden in de volgende straten in Den Haag; [straatnamen]

7.2. Het standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft onder andere een locatieverbod geëist. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het locatieverbod niet kan worden toegewezen nu er geen bewijs voorhanden is dat verdachte de woning van aangeefsters in de gaten houdt.

Verder verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft na de vorige veroordeling hulp gezocht. Hij heeft werk gevonden en een urgentieverklaring aangevraagd voor een woning. Verdachte heeft een overeenkomst met de schuldhulpverlening maar door de detentie heeft hij zijn afspraken niet na kunnen komen. Normaliter zou de overeenkomst worden beëindigd, maar in het geval van verdachte is aangegeven dat als hij op korte termijn op vrije voeten komt de overeenkomst kan worden voort gezet. Mocht de overeenkomst worden opgezegd dan kan verdachte de komende twee jaar geen nieuwe schuldhulpverlening overeenkomst aangaan. Verdachte heeft verder aangegeven geen contact meer met betrokkenen te zullen zoeken.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 3 maart 2008 reeds eerder veroordeeld voor onder andere belaging. Daarbij is hem een contactverbod met aangeefsters opgelegd voor de duur van twee jaar. Op 29 januari 2010 besliste de rechter-commissaris tot opschorting van de bewaring, waarbij één van de voorwaarden waar verdachte zich aan moest houden een soortgelijk contactverbod inhield. Aangeefsters hebben herhaaldelijk verdachte duidelijk proberen te maken dat zij geen enkel contact met hem willen hebben. Ondanks voornoemde twee rechterlijke beslissingen en de uitdrukkelijke wens van aangeefsters is verdachte aangeefsters blijven opzoeken. Verdachte heeft op geen enkele wijze laten zien dat hij het besef heeft dat zijn gedrag ongeoorloofd en uiterst ongewenst is. Zo heeft hij ter terechtzitting aangegeven wel bij aangeefsters in de buurt te komen maar hen dan niet lastig valt. Verdachte lijkt niet in te zien dat het enkele feit dat hij zich in hun buurt ophoudt, al als lastig vallen wordt ervaren. Hier komt bij dat verdachte is veroordeeld voor ontucht met aangeefster [benadeelde partij (C)] die op deze wijze geen afstand kan nemen van haar vader om deze herinneringen op haar eigen manier te verwerken.

Aangeefsters leven permanent met het gevoel dat zij in de gaten worden gehouden. Dit wordt in stand gehouden doordat verdachte met kleine tussenpozen belt met aangeefsters, kaarten en brieven stuurt naar hen, zich ophoudt bij de woning en wordt gezien op school of in de stad. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij ondanks de verzoeken van aangeefsters en de verboden van rechterlijke instanties geen afstand neemt van zijn dochters en ex-vrouw. Door telkens het contact te zoeken maakt hij stelselmatig een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 27 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Verdachte liep ten tijde van het ten laste gelegde nog in zijn proeftijd en heeft er aldus blijk van gegeven geen lering te hebben getrokken uit die eerdere veroordeling. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het afloopbericht toezicht d.d. 28 januari 2010 en 10 juli 2009 van [naam medewerker] van de reclassering. Uit deze rapporten komt naar voren dat verdachte een obsessieve houding heeft ten aanzien van het contact(verbod) met zijn dochters en beschikt over beperkte verstandelijke vermogens. Eerdere behandeling heeft nog niet tot gedragsverandering kunnen leiden, hetgeen de reclassering doet concluderen dat de recidivekans onveranderd (hoog) is gebleven.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het bericht d.d. 9 juni 2010 van [deskundige], GZ-psycholoog, waarin het verzoek tot het opmaken van een psychologische rapportage retour is gezonden, daar verdachte te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan een onderzoek.

De rechtbank acht gezien de ernst van het feit, de recidive van verdachte en de achtergrond waartegen verdachte het feit heeft gepleegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, enerzijds om verdachte er van te weerhouden en te doordringen dat hij geen strafbare feiten meer zal plegen en anderzijds om de op te leggen bijzondere voorwaarden, contactverbod en locatieverbod, te borgen.

Voor wat betreft de duur van de proeftijd bij de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf overweegt de rechtbank het navolgende.

De officier van justitie heeft gevorderd dat er een proeftijd van 3 jaar zal worden verbonden aan een voorwaardelijk op te leggen straf. De rechtbank overweegt dat in onderhavige strafzaak, gelet op HR 30-10-2007, NJ 2008, 146 en de reparatiewetgeving van 26 november 2009, Stb. 2009, 525, iwktr. 1 april 2010, Stb. 2010, 139, voor de bijzondere voorwaarden die het gedrag van verdachte betreffen en de algemene voorwaarde geen proeftijd mogelijk is van 3 jaar, maar van maximaal 2 jaar.

In uitzondering daarop kan de proeftijd ten hoogste 10 jaar bedragen indien er vrees is voor misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het wetsartikel van belaging is geplaatst in de titel "Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid", waarbij het te beschermen belang is gelegen in de privacy van personen. In casu kan er gelet hierop niet worden gesproken van een vrees voor misdrijven gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er slechts een proeftijd kan worden opgelegd van 2 jaar. De rechtbank zal de duur de proeftijd vaststellen op 2 jaar.

8. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te weten [benadeelde partij (A)] en [benadeelde partij (B)], en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [benadeelde partij (C)] tot een bedrag van € 2760,--.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.975,--, subsidiair 39 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (A)], een bedrag groot € 2.760,--, subsidiair 37 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (C)] en een bedrag groot € 2.615,--, subsidiair 36 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (B)].

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen moet worden afgewezen nu er vrijspraak zou moeten volgen. Daarnaast merkt de verdediging op dat de materiële kosten zoals door de benadeelde partijen zijn gevorderd onvoldoende zijn onderbouwd. De aangehaalde jurisprudentie waarmee de vordering van immateriële kosten worden onderbouwd is niet gelijk aan deze zaak nu er door de verdediging een aantal van de ten laste gelegde gedachtestreepjes wordt betwist.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

[benadeelde partij (A)], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.975,--.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 500,--, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 oktober 2009 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij (A)] voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[benadeelde partij (C)], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.795,--.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 500,--, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 oktober 2009 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij (C)] voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[benadeelde partij (B)], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.615,--.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 500,--, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 oktober 2009 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij (B)] voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat:

* van een bedrag groot € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (A)],

* van een bedrag groot € 500,-- , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (C)] en

* van een bedrag groot € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (B)].

9. De vordering tenuitvoerlegging

9.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank d.d. 3 maart 2008 voorwaardelijk opgelegde opgelegde gevangenisstraf, te weten

gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, gelet op de schendingen van de bijzondere voorwaarde bij zijn voorwaardelijke veroordeling, te weten het contactverbod, in ieder geval al sinds januari 2009 (slechts enkele maanden na zijn vrijlating) en de nieuwe strafbare feiten.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dart de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen nu er vrijspraak is bepleit en daarnaast verzoekt de verdediging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank d.d. 3 maart 2008, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit.

De rechtbank ziet geen enkele reden om de voorwaardelijk opgelegde straf niet danwel niet geheel ten uitvoer te leggen nu verdachte zich nog binnen zijn proeftijd aan exact hetzelfde strafbare feit heeft schuldig gemaakt.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14g, 36f, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

belaging, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal opnemen of zoeken met [benadeelde partij (A)], [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (C)];

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal begeven binnen een straal van 500 meter rondom de woning van [benadeelde partij (A)], [benadeelde partij (B)] en [benadeelde partij (C)], gelegen aan de [adres];

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[benadeelde partij (A)], een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

[benadeelde partij (C)], een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

[benadeelde partij (B)], een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding, en dat zij dit gedeelte van de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van:

- een bedrag groot € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (A)] en

- een bedrag groot € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (C)] en

- een bedrag groot € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2009 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij (B)];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van telkens, in alledrie de gevallen, 10 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van deze rechtbank d.d. 3 maart 2008, gewezen onder parketnummer 09/925984-07, te weten

gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Boer, voorzitter,

Gielen-Winkster en Dubelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Waals, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2010.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (PV), wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreft dit - tenzij anders vermeld - de doorgenummerde pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1521 2010019765-1 (pagina 1 t/m 133), met bijlagen.

(2) Proces-verbaal met nummer PL1521 2010011505-2 d.d. 27 januari 2010 ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, pagina 48-49.

(3) Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij (A)] d.d. 16 januari 2010, pagina 34-38.

(4) Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij (A)] d.d. 16 januari 2010, pagina 35.

(5) Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij (A)] d.d. 16 januari 2010, pagina 35.

(6) Bijlage bij proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij (A)] d.d. 16 januari 2010, pagina 39-41.

(7) Bijlage bij proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij (A)] d.d. 16 januari 2010, pagina 42-45.

(8) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (A)] d.d. 27 januari 2010, met bijlagen, pagina 18-25.

(9) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (A)] d.d. 27 januari 2010, pagina 18-19.

(10) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (A)] d.d. 27 januari 2010, pagina 19 en bijlage pagina 21-23.

(11) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (A)] d.d. 27 januari 2010, pagina 19 en bijlage pagina 24.

(12) Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2010.

(13) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (B)] d.d. 27 januari 2010, pp. 26-28.

(14) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (B)] d.d. 27 januari 2010, pagina 26.

(15) In de verklaring staat 29 januari maar gezien het feit dat zij verklaart: "vandaag" en de verklaring is opgenomen op 27 januari neemt de rechtbank aan dat dit een tikfout is.

(16) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (B)] d.d. 27 januari 2010, pagina 27.

(17) Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2010.

(18) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (C)] d.d. 24 februari 2010, pagina 60-62.

(19) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (C)] d.d. 24 februari 2010, pagina 61.

(20) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (C)] d.d. 24 februari 2010, pagina 61.

(21) Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij (C)] d.d 24 februari 2010, pagina 61.

(22) Proces-verbaal van relaas d.d. 30 maart 2010, pagina 117 en bijlage 1, pagina 121-124.

(23) Proces-verbaal van relaas d.d. 30 maart 2010, pagina 118 en bijlage pagina 133.

(24) Proces-verbaal van relaas d.d. 30 maart 2010, pagina 117, en bijlage 2, pagina 125-129.

(25) Proces-verbaal van relaas d.d. 8 maart 2010, pagina 52, waarin het uitlezen van een mobiel toestel van verdachte van het merk Samsung is vermeld, proces-verbaal uitlezen mobiel toestel, merk Samsung, d.d, 17 februari 2010, pagina 63-66, met bijlage, pagina 84, en proces-verbaal van relaas d.d. 30 maart 2010, pagina 117, voor zover daarin het telefoonnummer is vermeld, waar de sms naar is verzonden.

(26) Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2010.

(27) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (PV), wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreft dit - tenzij anders vermeld - de doorgenummerde pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL15J2 2010079009-1 (pagina 1 t/m 29), met bijlagen.

(28) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (B)] d.d. 19 april 2010, pagina 18-21.

(29) Beschikking op een verzoek ex. Artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering, d.d. 29 januari 2010.

(30) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (B)] d.d. 19 april 2010, pagina 18-20.

(31) Verklaring getuige [benadeelde partij (A)] zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2010.

(32) Proces-verbaal verhoor aangeefster [benadeelde partij (B)] d.d. 19 april 2010, pagina 20.

(33) Proces-verbaal verhoor getuige [vriend benadeelde partij (B)] d.d. 22 april 2010, pagina 28.

(34) Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2010.