Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5514

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/48160 & 09/48162
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / 8 EVRM / medische noodsituatie zoon / onderzoeksplicht / advisering over persoon met Nederlandse nationaliteit

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het stellen van de eis van een geldige mvv niet in strijd komt met voornoemd artikel [3.71, tweede lid, onder l, Vb], omdat eiseres niet heeft aangetoond dat ten aanzien van haar zoon sprake is van een medische noodsituatie en zich daarom geen objectieve belemmeringen voordoen om het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM in Ghana uit te oefenen. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder zonder nader onderzoek niet dit standpunt heeft kunnen innemen. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen. (…)

Uit vorenstaande is af te leiden dat de zoon van eiseres niet alleen voor de dagelijkse zorg, die kinderen van zijn leeftijd behoeven, maar ook, en vooral, voor behoud van stabiliteit in zijn medische situatie volledig is aangewezen op de aanwezigheid van eiseres. Dat betekent dat de weigering van verweerder om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste alleen stand kan houden als de medische situatie van de zoon van eiseres dat toelaat.

De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag van een drietal medische verklaringen heeft voorzien ter onderbouwing van de medische situatie van haar zoon. Voorts valt uit het verslag van de hoorzitting van 16 november 2009 op te maken dat de medische situatie van de zoon van eiseres niet is gewijzigd.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de verklaring en e-mails van de kinderarts heeft aangetoond dat ten aanzien van haar zoon sprake is van een zeer kwetsbare medische situatie en zij daarmee een begin heeft gemaakt met het aannemelijk maken van het bestaan van een medische noodsituatie en daarmee van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Ghana uit te oefenen. Gelet hierop had verweerder in de door eiseres overgelegde stukken aanleiding moeten zien om het BMA om advies te vragen.

Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat het BMA niet adviseert over personen die de Nederlandse nationaliteit hebben kan de rechtbank niet volgen. Uit het beleid van verweerder, zoals weergeven in paragraaf B8/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) noch uit het Protocol Medische advisering aan de IND en aan het kantoor Landsadvocaat van 18 november 2002 is af te leiden dat advisering door het BMA over een persoon met de Nederlandse nationaliteit wordt uitgesloten. Dit standpunt volgt evenmin uit de brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 21 februari 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr. 1131), waarin door de minister is aangegeven welke factoren meewegen bij de beoordeling of er aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 3.4 derde lid, Vb. Onder meer als voorbeeld van dergelijke factoren wordt genoemd: “ernstige medische problemen, met name als hierbij kinderen zijn betrokken (zieke kinderen, kinderen met zieke ouders). Deze reden weegt des te zwaarder, als het kind of de kinderen in Nederland zijn geboren.” Gelet op het vorenstaande vermag de rechtbank niet in te zien dat het BMA niet kan adviseren in het kader van een aanvraag om verblijf van een vreemdelinge, wier situatie onlosmakelijk is verbonden met haar zieke Nederlandse zoon. Maar ook indien het vorengaande anders zou zijn, ontslaat dat verweerder niet van zijn plicht om, gelet op de overgelegde medische gegevens, nader onderzoek te doen, bij voorbeeld door het inschakelen van een andere, niet aan het BMA verbonden, deskundige.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 09 / 48160 (beroep)

AWB 09 / 48162 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 28 juli 2010

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Ghanese nationaliteit,

eiseres/verzoekster,

verder te noemen eiseres,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: M.O. Kanhai, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 24 maart 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘conform beschikking staatssecretaris’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 juli 2009 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 22 juli 2009 bezwaar gemaakt. Op 22 juli 2009 heeft eiseres een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, welk verzoek bij uitspraak van 21 oktober 2009 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank is toegewezen (AWB 09/26405). Op 16 november 2009 is eiseres door een ambtelijke commissie van verweerder gehoord. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 22 december 2009 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 24 december 2009 beroep ingesteld.

1.2 Eiseres heeft op 24 december 2009 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Eiseres heeft in de aanvraagfase aangevoerd dat zij vanwege medische behandeling van haar minderjarige zoon, [naam], geboren op [geboortedatum] en van Nederlandse nationaliteit, bij hem in Nederland wil verblijven. Eiseres heeft ter onderbouwing van de medische situatie van haar zoon een “Verklaring omtrent medische situatie vreemdeling”, van kinderarts-endocrinoloog, T. Vulsma van 17 maart 2009 overgelegd alsmede twee e-mailberichten van voornoemde arts van 24 augustus 2007 en 22 juni 2009.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, omdat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft geen aanleiding gezien om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste, omdat eiseres niet valt onder één van de categorieën vrijgestelde vreemdelingen genoemd in artikel 17 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dan wel onder artikel 3.71, tweede lid, onder l of artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Volgens verweerder is er geen sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Ghana uit te oefenen, nu eiseres niet heeft aangetoond dat ten aanzien van haar zoon een medische noodsituatie zal ontstaan, indien zij hem meeneemt naar haar land van herkomst. Verweerder heeft daarbij overwogen dat op hem geen verplichting rust zich te laten voorlichten door een medisch adviseur van het Bureau Medische Advisering (BMA), omdat het BMA bedoeld is om medisch advies uit te brengen inzake vreemdelingen in een verblijfsrechtelijke procedure en in het geval van de zoon van eiseres, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is daar geen sprake van. Toepassing van het mvv-vereiste is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en leidt evenmin tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.4 Eiseres heeft hiertegen in beroep, samengevat, ingebracht dat verweerder ten onrechte het mvv-vereiste aan eiseres heeft tegengeworpen. In de verklaring van de kinderarts-endocrinoloog dr. T. Vulsma had verweerder aanleiding moeten zien om zich medisch te laten adviseren door het BMA. Verweerder heeft derhalve de onderzoeksplicht geschonden. Verweerder heeft zonder deugdelijk onderzoek niet kunnen concluderen dat voor het kind van eiseres geen medische noodsituatie ontstaat als hij met eiseres naar Ghana moet vertrekken en daarmee ook niet dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in een ander land dan Nederland uit te oefenen. Het vasthouden aan het mvv-vereiste zal leiden tot een onverantwoorde scheiding tussen eiseres en haar minderjarige kind, welk kind afhankelijk is van medische zorg in Nederland en van de mantelzorg van eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Niet in geschil is dat eiseres niet in het bezit is van een geldige mvv.

2.6 In geschil is allereerst of verweerder terecht heeft afgezien van vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb.

2.7 Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, onder l, Vb, wordt van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM.

2.8 Ingevolge voormeld artikel, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven; geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht is toegestaan dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.9 Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het stellen van de eis van een geldige mvv niet in strijd komt met voornoemd artikel, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat ten aanzien van haar zoon sprake is van een medische noodsituatie en zich daarom geen objectieve belemmeringen voordoen om het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM in Ghana uit te oefenen.

2.10 Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder zonder nader onderzoek niet dit standpunt heeft kunnen innemen. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.11 Uit de e-mail van kinderarts-endocrinoloog, T. Vulsma d.d. 24 augustus 2007 komt naar voren dat [naam] sinds zijn geboorte onder kinderendocrinologische controle staat in het Emma Kinderziekenhuis van het AMC te Amsterdam. Zijn hoofdprobleem is neonataal hyperinsulinisme, een zeer zeldzaam aangeboren ziektebeeld. Dit impliceert dat [naam] de neiging heeft (sterk) verlaagde bloedsuikerspiegels te krijgen. De zorg bestaat eruit om de ouders te trainen vroege symptomen tijdig te herkennen, thuis met een glucosemeter regelmatig de bloedsuikerspiegel te controleren, zorgen voor grote regelmaat in voedingstijden en voedingssamenstelling, met voeding inspelen op ontregelingen en zonodig medicijnen toedienen om de bloedsuikerspiegel omhoog te brengen. Daarnaast moeten de ouders te allen tijde contact op kunnen nemen met hun kinderarts-endocrinoloog voor nader advies of aanpassing van het beleid. Volgens de kinderarts-endocrinoloog zal een gezondheidbedreigende situatie ontstaan als [naam] zijn moeder moet missen en is het verbreken van de moeder-kind-band volstrekt onverantwoord.

In zijn e-mail van 29 juni 2009 deelt voornoemde arts mee dat zijn verklaring van 24 augustus 2007 nog onverkort geldt. Daar voegt hij aan toe dat de aandoening blijft bestaan, de alertheid onverkort geldt en het feit dat zich geen complicaties hebben voorgedaan gezien moet worden als succes van de aanpak, te weten preventieve zorg om noodsituaties te voorkomen.

[naam] heeft de Nederlandse nationaliteit en was ten tijde van de beslissing op bezwaar 3 jaar oud. Met betrekking tot de zorg voor hem is niet gebleken dat de vader, die ook enige tijd gedetineerd is geweest, daarbij betrokken is.

2.12 Uit vorenstaande is af te leiden dat de zoon van eiseres niet alleen voor de dagelijkse zorg, die kinderen van zijn leeftijd behoeven, maar ook, en vooral, voor behoud van stabiliteit in zijn medische situatie volledig is aangewezen op de aanwezigheid van eiseres. Dat betekent dat de weigering van verweerder om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste alleen stand kan houden als de medische situatie van de zoon van eiseres dat toelaat.

2.13 De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag van een drietal medische verklaringen heeft voorzien ter onderbouwing van de medische situatie van haar zoon. Voorts valt uit het verslag van de hoorzitting van 16 november 2009 op te maken dat de medische situatie van de zoon van eiseres niet is gewijzigd.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de verklaring en e-mails van de kinderarts heeft aangetoond dat ten aanzien van haar zoon sprake is van een zeer kwetsbare medische situatie en zij daarmee een begin heeft gemaakt met het aannemelijk maken van het bestaan van een medische noodsituatie en daarmee van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Ghana uit te oefenen. Gelet hierop had verweerder in de door eiseres overgelegde stukken aanleiding moeten zien om het BMA om advies te vragen.

Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat het BMA niet adviseert over personen die de Nederlandse nationaliteit hebben kan de rechtbank niet volgen. Uit het beleid van verweerder, zoals weergeven in paragraaf B8/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) noch uit het Protocol Medische advisering aan de IND en aan het kantoor Landsadvocaat van 18 november 2002 is af te leiden dat advisering door het BMA over een persoon met de Nederlandse nationaliteit wordt uitgesloten. Dit standpunt volgt evenmin uit de brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 21 februari 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 19 637, nr. 1131), waarin door de minister is aangegeven welke factoren meewegen bij de beoordeling of er aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 3.4 derde lid, Vb. Onder meer als voorbeeld van dergelijke factoren wordt genoemd: “ernstige medische problemen, met name als hierbij kinderen zijn betrokken (zieke kinderen, kinderen met zieke ouders). Deze reden weegt des te zwaarder, als het kind of de kinderen in Nederland zijn geboren.” Gelet op het vorenstaande vermag de rechtbank niet in te zien dat het BMA niet kan adviseren in het kader van een aanvraag om verblijf van een vreemdelinge, wier situatie onlosmakelijk is verbonden met haar zieke Nederlandse zoon.

2.14 Maar ook indien het vorengaande anders zou zijn, ontslaat dat verweerder niet van zijn plicht om, gelet op de overgelegde medische gegevens, nader onderzoek te doen, bij voorbeeld door het inschakelen van een andere, niet aan het BMA verbonden, deskundige.

2.15 Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en zich aldus niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste ingevolge het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb.

2.16 De rechtbank zal het beroep reeds hierom gegrond verklaren. De overige gronden behoeven geen bespreking. Het bestreden besluit zal wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Verweerder zal worden opdragen een nieuw besluit te nemen op bezwaar. De rechtbank zal verweerder daartoe een termijn stellen.

2.17 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.18 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

2.19 De rechtbank ziet aanleiding in dit geval gebruik te maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen als hierna bepaald, welke voorziening geldt tot vier weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar heeft beslist.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.20 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.21 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.22 Nu in de hoofdzaak is beslist is het belang voor het treffen van een voorlopige voorziening connex aan het beroep vervallen. De voorzieningenrechter zal, gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

2.23 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 23 december 2009;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 bepaalt ambtshalve bij wijze van voorlopige voorziening dat uitzetting van eiseres achterwege blijft tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres, in verband met het beroep;

3.6 draagt verweerder op € 150,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep.

De voorzieningenrechter:

3.7 wijst het verzoek om voorlopige voorziening connex aan het beroep af;

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan eises, in verband met het verzoek;

3.9 draagt verweerder op € 150,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Os, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.