Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5497

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/44233 AWB 09/44236
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ4611, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ranov / ambtshalve verleende verblijfsvergunning / onjuiste gegevens / geen mogelijkheid tot intrekking

Bij de beoordeling van de door eiser opgeworpen vraag of verweerder de aan hem verleende vergunning heeft mogen intrekken, dient allereerst te worden vastgesteld of artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een rechtsgeldige grondslag biedt om te komen tot intrekking van een op grond van de Regeling ambtshalve verleende verblijfsvergunning. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De intrekkingsgrond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, in samenhang met artikel 19 van de Vw, ziet immers uitsluitend op verblijfsvergunningen op aanvraag en niet op ambtshalve verleende verblijfsvergunningen. Zij kan dus niet worden gebruikt om een ambtshalve verleende verblijfsvergunning in te trekken. Aanvullend merkt de rechtbank in dit verband nog het volgende op. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 13 december 2006 (LJN AZ5549) geoordeeld dat een ambtshalve verleende verblijfsvergunning aan alleenstaande minderjarige asielzoekers wél kan worden ingetrokken op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 19 van de Vw, omdat de beoordeling of een alleenstaande minderjarige asielzoeker in aanmerking komt voor het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning onverbrekelijk samenhangt met het indienen van een asielaanvraag. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling is weliswaar dat een vreemdeling vóór 1 april 2001 een asielaanvraag heeft ingediend maar voor het overige staat de beoordeling van de vraag of iemand in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling inhoudelijk volledig los van een eerder ingediende asielaanvraag. In die zin wijkt deze situatie af van die in de genoemde Afdelingsuitspraak.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw geen grondslag biedt om te komen tot intrekking van de aan eiser op grond van de Regeling ambtshalve verleende verblijfsvergunning. Daaraan doet niet af dat, zoals verweerder in het bestreden besluit en ter zitting heeft gesteld, in paragraaf B14/5.3.5 van de Vc staat vermeld dat indien op enig moment blijkt dat de door vreemdeling naar voren gebrachte identiteit of nationaliteit niet juist is, dit aanleiding kan vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken. Verweerder kan namelijk in het beleid het toepassingsbereik van een wettelijke intrekkingsgrond niet uitbreiden tot het door hem gewenste.

De conclusie uit het voorgaande is dat het verweerder onbevoegd was om de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in samenhang met artikel 19 van de Vw.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenwet 2000 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/421

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 09/44233 AWB 09/44236 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [1971], van Chinese nationaliteit,

(alias [naam], geboren op [1980], van Chinese nationaliteit),

eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. C. Chen, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Kras.

Inleiding

1.1 Aan eiser is op 18 maart 2008 ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ (hierna: de Regeling), onder de personalia [naam], geboren op [1980], van Chinese nationaliteit, geldig van 15 juni 2007 tot 15 juni 2008. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is, onder dezelfde personalia, laatstelijk verlengd tot 15 juni 2013.

1.2 Bij besluit van 2 april 2009 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 15 juni 2007 ingetrokken. Het op 6 april 2009 tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 november 2009 ongegrond verklaard. Tegen dit laatstgenoemde besluit richt zich het onderhavige beroep.

1.3 Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het beroep is beslist.

1.4 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 1 juli 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

2.1 Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 15 juni 2007 ingetrokken omdat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Aan eiser is op 8 maart 2008 een aanbod gedaan voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling waarbij hij in de gelegenheid is gesteld zijn identiteit te herstellen. Bij brief van 22 januari 2008 heeft eiser aangegeven de door hem gestelde identiteit, te weten [naam], te handhaven. Verweerder heeft op 18 maart 2008 aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling verleend, onder de personalia [naam], geboren op [1980], van Chinese nationaliteit. Na de verlening van de verblijfsvergunning is gebleken dat eiser in het bezit is van een Chinees paspoort, onder de personalia [verzoeker], geboren op [1971], van Chinese nationaliteit, geldig tot 28 november 2009. Nu is gebleken dat de personalia waaronder aan eiser de verblijfsvergunning is verleend niet overeenkomen met de personalia uit het Chinese paspoort van eiser, en aan eiser reeds in een eerder stadium de mogelijkheid is geboden deze gegevens te herstellen, volgt hieruit volgens verweerder dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden bij de verlening van de verblijfsvergunning. Op basis van het bovenstaande heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 15 juni 2007.

2.2 Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder de aan eiser verleende vergunning ten onrechte heeft ingetrokken omdat de onjuiste gegevens die door eiser zijn verstrekt dan wel zijn achtergehouden niet ertoe zouden hebben geleid dat aan eiser geen verblijfsvergunning op grond van de Regeling zou zijn verleend. De Regeling biedt namelijk de mogelijkheid om de identiteit eenmaal te herstellen. Als eiser op het moment dat hij het aanbod voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling kreeg, bekend had gemaakt dat hij een andere identiteit had, zou dit niet hebben geleid tot het intrekken van het aanbod.

2.3 Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd betwist.

2.4 Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.5 Op grond van artikel 19 van de Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Vw, met uitzondering van onderdeel b.

2.6 Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van Regeling werd tot 1 januari 2009 op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw in samenhang met artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 ambtshalve verleend. Het beleid inzake de Regeling is neergelegd in paragraaf B14/5 (oud) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc).

2.7 Bij de beoordeling van de door eiser opgeworpen vraag of verweerder de aan hem verleende vergunning heeft mogen intrekken, dient allereerst te worden vastgesteld of artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een rechtsgeldige grondslag biedt om te komen tot intrekking van een op grond van de Regeling ambtshalve verleende verblijfsvergunning. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De intrekkingsgrond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, in samenhang met artikel 19 van de Vw, ziet immers uitsluitend op verblijfsvergunningen op aanvraag en niet op ambtshalve verleende verblijfsvergunningen. Zij kan dus niet worden gebruikt om een ambtshalve verleende verblijfsvergunning in te trekken. Aanvullend merkt de rechtbank in dit verband nog het volgende op. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 13 december 2006 (LJN AZ5549) geoordeeld dat een ambtshalve verleende verblijfsvergunning aan alleenstaande minderjarige asielzoekers wél kan worden ingetrokken op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 19 van de Vw, omdat de beoordeling of een alleenstaande minderjarige asielzoeker in aanmerking komt voor het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning onverbrekelijk samenhangt met het indienen van een asielaanvraag. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling is weliswaar dat een vreemdeling vóór 1 april 2001 een asielaanvraag heeft ingediend maar voor het overige staat de beoordeling van de vraag of iemand in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling inhoudelijk volledig los van een eerder ingediende asielaanvraag. In die zin wijkt deze situatie af van die in de genoemde Afdelingsuitspraak.

2.8 De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw geen grondslag biedt om te komen tot intrekking van de aan eiser op grond van de Regeling ambtshalve verleende verblijfsvergunning. Daaraan doet niet af dat, zoals verweerder in het bestreden besluit en ter zitting heeft gesteld, in paragraaf B14/5.3.5 van de Vc staat vermeld dat indien op enig moment blijkt dat de door vreemdeling naar voren gebrachte identiteit of nationaliteit niet juist is, dit aanleiding kan vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken. Verweerder kan namelijk in het beleid het toepassingsbereik van een wettelijke intrekkingsgrond niet uitbreiden tot het door hem gewenste.

2.9 De conclusie uit het voorgaande is dat het verweerder onbevoegd was om de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in samenhang met artikel 19 van de Vw. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en zij vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.10 De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit van 2 april 2009 berust immers op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag als het besluit op bezwaar van 25 november 2009. Bovendien zijn er in het besluit op bezwaar ook geen andere intrekkingsgronden gesteld en zijn deze de rechtbank ook niet gebleken. Aangezien aan het primaire besluit derhalve hetzelfde gebrek kleeft als het besluit op bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dus dat eiser in het bezit blijft van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Regeling.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.11 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening

2.12 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.311,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-). Eiser heeft in bezwaar niet verzocht om vergoeding van de toen gemaakte proceskosten. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten aan de griffier van de rechtbank betalen.

2.13 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 150,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 25 november 2009;

herroept het primaire besluit van 2 april 2009;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150,- aan hem vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150,- aan hem vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 437,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2010.

De griffier:

J.J. Westland

De rechter:

mr. K.J. Veenstra

(De griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen)

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die het beroep betreft, kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, geen hoger beroep open.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.