Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5187

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/2662 en 09/3263 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN8567, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2662 en 09/3263 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A, B en C], wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Verweerder heeft op 25 juni 2008 besloten tot het nemen van een aantal samenhangende verkeersbesluiten, waaronder begrepen de afsluiting van de Overgauwseweg te Pijnacker ten zuiden van de Oude Leedeweg nummer 1 voor motorvoertuigen.

Tegen dit besluit van 25 juni 2008 hebben eisers bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 25 september 2008 hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 6 november 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 08/7109 BESLU).

Op 25 november 2008 zijn eisers over hun bezwaren gehoord door de Commissie behandeling bezwaarschriften van Pijnacker-Nootdorp.

Bij brief van 26 januari 2009 heeft de commissie advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluiten van 17 februari 2008, verzonden aan eisers op 24 februari 2008 en aan de gemachtigde van eisers op 5 maart 2008, heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 9 april 2009, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De beroepen zijn gevoegd met het beroep van [X] (AWB 09/2665 BESLU) op 9 december 2009 ter zitting behandeld.

Eisers [A en C] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.A. Boere, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [Y].

II OVERWEGINGEN

1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat de datum van toezending van de bestreden besluiten aan de gemachtigde, gelet op het bepaalde in artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, bepalend is voor de vaststelling van de aanvang van de beroepstermijn. Deze beroepstermijn van zes weken begon te lopen op 6 maart 2009. Nu de gemachtigde van eisers binnen de beroepstermijn namens eisers beroep heeft ingesteld is het beroep ontvankelijk.

2. Voor zover verweerder heeft betoogd dat eisers hun beroep onvoldoende hebben gemotiveerd overweegt de rechtbank dat uit het beroepschrift en de door eisers overgelegde stukken voldoende beroepsgronden blijken, zodat dit betoog faalt.

3. De provincie Zuid-Holland heeft de N470 aangelegd. Dit is de provinciale weg tussen Delft en Zoetermeer met een aftakking naar Rotterdam, die ook Pijnacker-Nootdorp en Berkel en Rodenrijs ontsluit. In verband hiermee heeft verweerder een aantal verkeersbesluiten genomen. De bezwaren van eisers zijn gericht tegen de afsluiting van de Overgauwseweg voor gemotoriseerd verkeer.

4. Ingevolge artikel 2, eerste lid van de WVW 1994 kunnen verkeersmaatregelen worden genomen die strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 - voor zover hier van belang - geschiedt de plaatsing van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit. Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) dienen verkeersbesluiten met redenen te zijn omkleed, waarbij in ieder geval wordt aangegeven welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij dient te worden aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Op grond van artikel 24, aanhef en onder a, van het BABW worden verkeersbesluiten genomen na overleg met de korpschef van het betrokken regionale politiekorps.

5. Bij het nemen van een verkeersbesluit komt aan het bestuursorgaan een ruime beoordelingsmarge toe. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreffende verkeersbesluiten, waaronder de uitspraak van 5 augustus 1996, AB 1996/426, geldt als uitgangspunt dat het treffen van een verkeersmaatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling wordt beschouwd waarmee een ieder kan worden geconfronteerd. De nadelige gevolgen van een dergelijke maatregel, zoals het omrijden, het niet meer kunnen volgen van een bepaalde route die van oudsher wordt gereden, verminderde bereikbaarheid van bedrijven en omzetvermindering, kunnen voor de getroffen weggebruikers worden gelaten. Dit neemt niet weg dat zich feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen, waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat een bestuursorgaan, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot het treffen van een verkeersmaatregel heeft kunnen overgaan, dan wel het nadeel daarvan niet redelijkerwijs ten laste van de betrokkene dient te blijven. Dat sprake is van dergelijke feiten en omstandigheden dient in beginsel door betrokkene aannemelijk gemaakt te worden. Of zich een zodanige onevenwichtigheid in de belangenafweging voordoet, wordt door de rechter terughoudend getoetst.

6. Eisers hebben aangevoerd - samengevat - dat verweerder met eisers geen overleg heeft gevoerd en onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Eisers zijn door het bestreden besluit ernstig in hun belangen geschaad, omdat zij ver moeten omrijden.

Verder ontbreekt bewijs dat de politie een positief advies heeft uitgebracht. Voorts stellen eisers dat een meerderheid van de bewoners tegen de afsluiting van de Overgauwseweg is. Deze stelling hebben eisers ondersteund door het overleggen van handtekeningenlijsten.

7.1 De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat verweerder wel het op grond van artikel 24 van het BABW vereiste overleg met de politie heeft gehad en dat de politie met de verkeersbesluiten heeft ingestemd. Tot het voeren van overleg met eisers was verweerder niet verplicht.

7.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende duidelijk gemaakt dat het doel van de maatregel is gelegen in de verkeersveiligheid. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 6 november 2008. Dat sprake is van tegengestelde belangen is eigen aan een verkeersbesluit. De noodzaak van de maatregel vloeit voort uit planologische veranderingen - de aanleg van de N470 - en de aanleg van nieuwe woonwijken, leidend tot een toenemend gebruik van de Overgauwseweg als sluiproute. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij onevenredig in hun belangen zijn geschaad doordat zij afstanden variërend van 450 tot 2000 meter moeten omrijden. Verweerder heeft terecht geen reden gezien om aan de individuele belangen van eisers doorslaggevend gewicht toe te kennen boven de algemene, met de afsluiting voor motorverkeer te dienen openbare verkeersbelangen.

7.3 Daarnaast is van belang dat het om een tijdelijke maatregel gaat. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de eindsituatie, na de aanleg van de Tuindersweg als nieuwe verbinding met het centrum van Pijnacker, voor alle betrokkenen een aanzienlijke verbetering zal betekenen. Of de tijdelijke afsluiting zal duren tot eind 2010 of begin 2011 maakt voor de beoordeling geen verschil. Verweerder heeft in redelijkheid tot de bestreden besluiten kunnen komen.

8. Hieruit volgt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.C. Dedel-van Walbeek, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Woldring.

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.