Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5106

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
09-900327-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan een brute gewapende overval in de woning van een drietal slachtoffers, te weten een 15-jarig kind en zijn ouders. Verdachte en zijn medeverdachten hebben bij de overval gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een stroomstootwapen. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten dermate ernstig zijn, dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De rechtbank houdt bij de duur van de op te leggen straf evenwel rekening met de omstandigheid dat er geen excessief lichamelijk geweld is toegepast door verdachte en zijn medeverdachten. Gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek. Zie vonnis en tussenvonnis medeverdachten: BN5096 en BN5114.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900327-10

Datum uitspraak: 26 augustus 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte Y],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: [adres].

thans preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Midden Holland” - het huis van bewaring “De Geniepoort” te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 augustus 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.S. van Haeringen en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. E.K.L. van den Bosch, advocaat te Leiden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 februari 2010 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie, althans één of meer, horloges en/of (een) geldbedrag(en) (van 12 euro of daaromtrent) en/of een hoeveelheid Oekraïens geld (ter waarde van ongeveer 125 euro) en/of (een) (leeg/lege) doosje(s) en/of een portemonnee en/of één of meer creditcard(s) en/of één of meer (bank)pas(sen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [A] en/of [B] en/of [C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s):

- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het richten van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het zetten van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het tonen van een stroomstootwapen, althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp, aan die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het in het zicht van die [A] en/of [B] en/of [C] activeren van dat stroomstootwapen, althans dat op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp en/of

- het (met tie-rips) vastbinden van de polsen en/of de enkels van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het tegen die [A] dreigend zeggen: "Poen, poen" en/of "Geen gekke bewegingen, anders schiet ik u door uw kop", althans woorden van gelijkende aard en/of strekking" en/of

- het tegen die [B] dreigend zeggen: "Stil, als je stil bent gebeurt er niets met je" en/of "Waar is het geld, ik weet dat je geld in huis hebt", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking en/of

- het tegen die [A] en/of [B] dreigend zeggen: "Ik wil nu geld en anders pak ik je zoon", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 09 februari 2010 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A] en/of [B] en/of [C] heeft gedwongen tot de afgifte van drie, althans één of meer, horloges en/of (een) geldbedrag(en) (van 12 euro of daaromtrent) en/of een hoeveelheid Oekraïens geld (ter waarde van ongeveer 125 euro) en/of (een) (leeg/lege) doosje(s) en/of een portemonnee en/of één of meer creditcard(s) en/of één of meer (bank)pas(sen), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s):

- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het richten van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het zetten van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het tonen van een stroomstootwapen, althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp, aan die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het in het zicht van die [A] en/of [B] en/of [C] activeren van dat stroomstootwapen, althans dat op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp en/of

- het (met tie-rips) vastbinden van de polsen en/of de enkels van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het tegen die [A] dreigend zeggen: "Poen, poen" en/of "Geen gekke bewegingen, anders schiet ik u door uw kop", althans woorden van gelijkende aard en/of strekking" en/of

- het tegen die [B] dreigend zeggen: "Stil, als je stil bent gebeurt er niets met je" en/of "Waar is het geld, ik weet dat je geld in huis hebt", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking en/of

- het tegen die [A] en/of [B] dreigend zeggen: "Ik wil nu geld en anders pak ik je zoon", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 09 februari 2010 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [A] en/of [B] en/of [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet de polsen en/of de enkels van die [A] en/of [B] en/of [C] in hun woning aan de [adres] te Naaldwijk, gemeente Westland, (met tie-rips) vastgebonden en/of hem/haar/hun vervolgens enige tijd vastgebonden heeft gehouden en/of hem/haar/hun vervolgens achtergelaten in die woning;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing telkens tegen [A] en [B] en [C] (feit 1 cumulatief / alternatief), alsmede aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van voornoemde [A] en [B] en [C] (feit 2).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 cumulatief, en 2 ten laste gelegde feiten. Het bewijs is gelegen in de aangiften van voornoemde [A] en [B] en in de getuigenverklaring van [C], alsmede in de verklaringen van verdachte en de medeverdachte [X]. Voorts kunnen als bewijs dienen de beelden van de bewakingscamera’s, het aangetroffen Oekraïense geld bij verdachte en het proces-verbaal forensische opsporing woning, aldus de officier van justitie.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw van verdachte vrijspraak van diefstal met geweld dan wel bedreiging met geweld (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) en van afpersing (artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht) bepleit. Volgens de raadsvrouw kan slechts een bewezenverklaring volgen ten aanzien van diefstal ex artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe heeft raadsvrouw onder meer aangevoerd dat het oogmerk van verdachte en zijn medeverdachten zich richtte op de afgifte van een groot contant geldbedrag. De goederen die uiteindelijk zijn weggenomen lijken uit frustratie over het ontbreken van een dergelijk contant geldbedrag te zijn ‘meegegrist’. Bij het wegnemen van de goederen, zoals in de dagvaarding omschreven, is geen sprake van het gebruiken van geweld of het dreigen daarmee om de diefstal van deze specifieke goederen te vergemakkelijken, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna weergegeven feiten en omstandigheden, zoals vervat in de in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen die de rechtbank bezigt1.

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten.

Op 9 februari 2010 omstreeks 14.00 uur werd aangebeld bij de woning op het adres [adres] te Naaldwijk, gemeente Westland, alwaar woonachtig zijn de aangevers [A] (hierna [A]), [B] (hierna: [B]) en hun twee kinderen, onder wie [C] (hierna: [C]). Nadat voornoemde [B] de deur had geopend zag zij twee personen staan. Eén van de personen (dader 2) zei dat zij van het gasbedrijf waren en dat zij opzoek waren naar de eigenaar. [B] liet weten dat de eigenaar elders woonde, daar zij de woning huurde. Hierop vroeg één van de mannen of zij ervoor kon zorgen dat de eigenaar ter plaatse kon komen. [B] heeft vervolgens de deur achter zich dichtgedaan en is naar de buurman, de eigenaar van de woning, gelopen. Toen deze niet thuis bleek te zijn is zij teruggelopen naar de woning. Zij heeft vervolgens aan de mannen gezegd dat ze een andere keer moesten terugkomen, daar de eigenaar niet thuis was. Toen zij zich omdraaide om de deur te openen, kreeg zij een duwtje in haar rug. Eén van de mannen (verder dader 1) heeft een vuurwapen uit zijn broeksband gepakt en deze op de hals/nek, net achter het rechteroor, van voornoemde [B] gezet. Dader 1, die achter haar stond, zei tegen [B]: “Stil, als je stil bent gebeurt er niets met je”. Dader 1 heeft haar vervolgens, nog steeds met het vuurwapen tegen haar nek/hals aangedrukt, naar de woonkamer gebracht. Hij heeft het vuurwapen op haar gericht gehouden en gevraagd wie er nog meer in huis was, waarop zij heeft geantwoord dat verder alleen haar zoon thuis was. Onder bedreiging van het vuurwapen is zij vervolgens met dader 1 haar zoon [C] van boven gaan halen2.

Dader 1 heeft, terwijl zij in de slaapkamer van [C] waren, het vuurwapen ter hoogte van het middel van [B] gehouden3. Beneden aangekomen zagen [B] en [C] dat er nog een man met een donkere tas in de woning was (verder dader 3). [B] en [C] moesten in de woonkamer op de bank gaan zitten, waarna dader 3 tie-rips uit de tas heeft gepakt en de polsen en de enkels van [B] en [C] met die tie-rips heeft vastgebonden. Dader 1 heeft gevraagd: “Waar is het geld, ik weet dat er geld in huis is”. [B] heeft gezegd dat er geen geld in huis was, waarop beide daders de woning, zowel beneden als boven, hebben doorzocht. Kort daarna, op het moment dat bleek dat [A] thuis was gearriveerd, heeft dader 1 het vuurwapen aan de linkerkant van het hoofd van [C] gezet4.

[A], die vervolgens de woonkamer inliep, zag dat er een man in een keurig pak in zijn woonkamer stond met een vuurwapen in zijn hand5. De rechtbank is van oordeel, gezien de verklaringen van [A], [B], [C] en de hieronder weergegeven verklaring van verdachte - in onderlinge samenhang bezien - dat voornoemde man met het vuurwapen in zijn hand, dader 1 betreft.

Dader 1 heeft vervolgens aan [A] gevraagd waar het geld was, waarop [A] heeft geantwoord dat hij geen geld had. Hierop heeft [A] zijn zakken leeggemaakt en ongeveer € 12,= aan kleingeld en zijn portemonnee op de schouw gelegd. Dader 1 heeft hierop aan [A] gevraagd: “Poen poen”6. Hierop heeft [A] zijn horloge aan dader 1 overhandigd7, waarna dader 1 dit horloge in de binnenzak van zijn colbert heeft gestopt. [A] zag dat het vuurwapen meermalen over en weer tussen de daders is overgegaan, en dat het op hen gericht bleef8. Dader 3 heeft ook [A] met tie-rips aan zijn enkels en polsen vastgebonden9. Uit de kluis, die boven stond en open was, heeft dader 1 doosjes van horloges en sieraden en twee horloges gepakt. Twee van de doosjes - die hij niet open kreeg - en de twee horloges heeft dader 1 vervolgens in eerdergenoemde tas gegooid10.

Dader 3 heeft vervolgens een stroomstootwapen overhandigd aan dader 111. Dader 1 heeft dit wapen in het zicht van de slachtoffers geactiveerd12. Dader 1 heeft toen gezegd: “Ik wil nu geld en anders pak ik je zoon”13 dan wel “Geef het geld, dan zijn we weg. Anders nemen wij je zoon mee en dan kom je het geld maar brengen”. De daders hebben meermalen gedreigd om [C] mee te nemen, opdat [A] en/of [B] met het geld over de brug zouden komen. [A] moest vervolgens met dader 1 meelopen naar de in zijn kantoor naast de woonkamer staande kluis, nadat dader 1 de kluissleutel had gevonden. [A] liep voorop en dader 1 liep achter hem. Tijdens het openen van de kluis heeft [A] gevoeld dat dader 1 het vuurwapen in zijn nek drukte. [A] heeft dader 1 horen zeggen: “Geen gekke bewegingen, anders schiet ik u door uw kop”. Het was [A] duidelijk dat hij niets moest proberen. Na het openen van de kluis moest [A] weer op de bank gaan zitten, waarna en dader 3 weer de tie-rips om zijn armen en zijn benen deed. Er bleek echter niets in de kluis te liggen. Vervolgens zag [A] dat dader 1 het kleingeld en zijn portemonnee heeft gepakt met daarin de creditkaarten. De kaarten betroffen ABN-AMRO, spaarpas, American Expresspas en ING-pas. [A] heeft verklaard dat de kaarten op zijn naam staan en op naam van zijn bedrijf [bedrijf]14. Ook [C] heeft gezien dat de portemonnee van [A] is weggenomen15. Tevens is een bedrag aan Oekraïens geld, ter waarde van ongeveer 125 euro, en een klein bedrag aan euro’s vanuit de portemonnee van [B] weggenomen16. Vervolgens zijn de daders vertrokken. Ongeveer tien minuten daarna heeft [A] de tie-rips kapot getrokken en vervolgens [B] en [C] bevrijd17.

[B] heeft in haar aangifte verklaard dat zij dader 2 alleen in het begin heeft gezien18. De rechtbank is van oordeel dat uit de hieronder weergegeven verklaringen van verdachte en de medeverdachte [X] blijkt dat voornoemde [X] de bedoelde dader 2 is geweest.

Verdachte heeft bij de politie onder meer de volgende verklaring afgelegd:

“Ik ben betrokken geweest bij een overval op een woning in Naaldwijk. Vanuit die woning heb ik het stapeltje Oekraïens geld, dat jullie bij de doorzoeking in mijn woning hebben gevonden, meegenomen. Ik heb [X] (de rechtbank begrijpt telkens: de medeverdachte [X]) gebeld en ik heb hem gezegd dat ik iemand kende die wist waar iemand woonde die veel geld in huis zou hebben. Ik heb [X] vervolgens met die iemand in contact gebracht. [X] had geld nodig en hij wilde wel horen wat het was. Die andere heeft uitgelegd wat hij wist en wat hij van plan was. Wij gingen daarmee akkoord.

Wij zijn die dinsdag (de rechtbank begrijpt: 9 februari 2010) naar die woning gereden. [X] reed, die andere zat voorin en ik zat achterin. [X] zou bij de woning een praatje doen. Hij kan goed praten. Ik heb later van [X] gehoord dat hij een smoes had dat ze voor de energie kwamen. Ik zag dat [X] en die ander de woning in gingen. Korte tijd daarop kwam [X] weer terug lopen naar de auto en zei tegen mij dat ik nu naar de woning moest gaan. Ik heb toen een zwarte laptoptas meegenomen die ik bij mij had. In die tas zaten ook tie-rips. We hadden wel verwacht dat die man en vrouw thuis zouden zijn en we zouden ze daarmee vastbinden. Ik ben de woning in gegaan. Toen ik in de woonkamer kwam zag ik een vrouw en een jongen op de bank zitten. Ik zag dat die andere jongen een wapen op die vrouw had gericht. Het was een pistool. Kort nadat ik in de woning was, kwam ook de man thuis. Ik heb toen de man gebonden met tie-rips. Er werd constant om geld gevraagd. Die man zei dat hij geen geld had. Ik ben naar de bovenverdieping gelopen en heb daar de kamers bekeken. Terug in de woonkamer zag ik dat die andere jongen die man dwong op te staan en de kluis te openen die in de achterkamer stond. Die andere is met de man naar de achterkamer gegaan en de man heeft de kluis geopend onder dreiging van het pistool. Ik hoorde later dat er niets in de kluis zat. Toen die andere met die man terugkwam in de woonkamer ben ik naar de keuken gelopen. Ik zag daar de tas staan van die vrouw en heb daarin gekeken. Ik zag dat de portemonnee in die tas zat en die heb ik geopend. Ik heb toen een stapeltje buitenlands geld uit de portemonnee gehaald. Later bleek dat dit Oekraïens geld was. We zijn naar buiten gegaan, daar stond [X] met de auto en we zijn weggereden. Ik heb het geld thuis in de woning van mijn ouders verstopt. We hadden ook nog wat horloges uit de woning meegenomen 19.

Ter terechtzitting heeft verdachte voornoemde verklaring bevestigd en voorts onder meer het volgende verklaard: “Ik wist dat er een vuurwapen meegenomen zou worden. De buit zou onderling worden verdeeld. Dit was van tevoren afgesproken. Het stroomstootwapen dat tijdens de overval is gebruikt was van mij. Ik had het meegenomen, voor het geval dat het nodig mocht zijn. [Z] hield het stroomstootwapen voor zich en liet aan de slachtoffers zien dat het werkte. Het Oekraïense geld had ik in mijn jaszak gestopt en weggenomen.20.

De medeverdachte [X] heeft bij de politie onder meer de volgende verklaring afgelegd:

“Ik was op 9 februari 2010, omstreeks 14:00 uur, bij een woning aan de [adres] in Naaldwijk met een jongen genaamd [Z]. Verder was ik daar met een jongen van Surinaamse afkomst genaamd [verdachte] (de rechtbank begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]). [verdachte] had mij verteld dat hij van een vriend van hem, genaamd [Z], had gehoord dat die een adres wist waar mogelijk geld in huis zou zijn. Nadat [verdachte] en ik over het plan van de overval hadden gesproken zijn we met mijn auto naar Rotterdam Hoogvliet gegaan. Daar zouden we [Z] ontmoeten. [Z] is toen bij ons in de auto gekomen om over alles te praten. Ik denk dat dit gesprek een dag van tevoren heeft plaatsgevonden. [Z] was de man van het idee om daar een overval te gaan doen. [Z] wist waar de man woonde en zei dat hij wist dat daar geld zou zijn. Hij wist ook te vertellen dat de man waar het geld zou moeten zijn, ’s avonds de deur nooit zou openmaken. Dus moest iets geregeld worden zodat we daar overdag konden aanbellen. Het was het idee van [verdachte] om netjes gekleed bij de woning te verschijnen.

Ik denk dat we op 9 februari 2010 om ongeveer 13:00 uur hadden afgesproken om bij [Z] in Rotterdam Hoogvliet samen te komen. Ik zag dat [Z] een donker pak aanhad met een stropdas. Hij is toen bij ons ingestapt in de auto en ik ben naar de plek gereden die [Z] mij aanwees. Ik droeg een licht overhemd en een blauwe gestreepte stropdas.

Ik ben toen samen met [Z] uit de auto gestapt en naar de deur van de woning gelopen. Ik had een zwarte multomap bij me toen ik naar binnen liep bij de woning. [Z] wist precies waar hij moest zijn. Hij heeft aan mij gezegd waar ik naar toe moest lopen. Toen ik bij de deur kwam heb ik aangebeld, waarna een vrouw de deur open deed. Ik vertelde haar toen dat we voor de elektriciteit kwamen. De vrouw liep naar achteren naar het bedrijf dat achter de woning ligt. Ze kwam terug en zei toen iets van dat haar man er ook niet was of iets dat daarop leek. We bleven over de elektriciteit praten. [Z] is met de vrouw mee naar binnen gelopen. Ik ben niet in de woning geweest. Ik heb hooguit een voet op de mat bij de deur van de woning gezet. Ik ben weer teruggelopen naar de auto. Ik ben in de auto gestapt en [verdachte] is toen uit de auto gestapt en is de woning binnen gelopen. Ik ben met de auto weggereden en heb een paar rondjes gereden. Onderweg heb ik [verdachte] gebeld. [verdachte] vroeg aan mij of ik weer terug wilde komen naar de woning. Ik ben toen naar de woning gereden. Ik kwam aanrijden bij de woning en zag dat [Z] en [verdachte] de woning uit kwamen lopen en weer bij mij in de auto stapten. Ik ben toen weggereden.

Ik zag wel dat [Z] een klein stapeltje buitenlands geld had. Ik begreep wel dat er wapens meegenomen zouden worden, want je gaat geen overval plegen op een woning zonder een wapen mee te nemen” 21.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat het oogmerk van verdachte en zijn medeverdachten zich richtte op de afgifte van een groot contant geldbedrag en niet op de goederen die uiteindelijk zijn weggenomen en dat derhalve slechts ‘eenvoudige’ diefstal bewezen kan worden verklaard, nu geen sprake is geweest van het gebruiken van geweld of het dreigen daarmee om de diefstal van de specifiek weggenomen goederen te vergemakkelijken.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verdachte en zijn medeverdachten uit waren op het buitmaken van een groot contant geldbedrag, het door hen toegepaste geweld en de geuite bedreigingen met geweld, ook zijn gebruikt om de door hen meegenomen goederen weg te nemen en zich toe te eigenen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de goederen zijn weggenomen dan wel afgegeven nadat het geweld was toegepast dan wel daarmee was gedreigd. Gedurende bijna de gehele periode dat verdachte en zijn medeverdachte zich in de woning van de slachtoffers bevonden, waren de enkels en de polsen van de slachtoffers vastgebonden en was het op een vuurwapen gelijkend voorwerp continu op hen gericht. Daarmee is het oogmerk van verdachte en diens medeverdachten derhalve ook gericht geweest op het buitmaken van de betreffende goederen. Dat het oorspronkelijke doel was een groot geldbedrag te kunnen bemachtigen maakt dit niet anders. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank derhalve bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, cumulatief, en 2 ten laste gelegde feiten.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen (met verbetering van type- en taalfouten en kennelijke verschrijvingen, waardoor verdachte niet in zijn belangen is geschaad) dat verdachte de onder 1, cumulatief, en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op 9 februari 2010 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee horloges en een geldbedrag en een hoeveelheid Oekraïens geld (ter waarde van ongeveer 125 euro) en doosjes en een portemonnee en creditcards en bankpassen, toebehorende aan [A] en/of [B], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [A] en [B] en [C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het door verdachte en/of zijn mededaders:

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [A] en [B] en [C] en/of

- het richten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [A] en [B] en [C] en/of

- het zetten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd en/of de nek van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het tonen van een stroomstootwapen aan die [A] en [B] en [C] en/of

- het in het zicht van die [A] en [B] en [C] activeren van dat stroomstootwapen en/of

- het met tie-rips vastbinden van de polsen en de enkels van die [A] en [B] en [C] en/of

- het tegen die [A] dreigend zeggen: "Poen, poen" en "Geen gekke bewegingen, anders schiet ik u door uw kop" en/of

- het tegen die [B] dreigend zeggen: "Stil, als je stil bent gebeurt er niets met je" en "Waar is het geld, ik weet dat je geld in huis hebt" en/of

- het tegen die [A] en/of [B] dreigend zeggen: "Ik wil nu geld en anders pak ik je zoon", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking;

en

hij op 9 februari 2010 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging [A] heeft gedwongen tot de afgifte van één horloge toebehorende aan [A],

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het door verdachte en/of zijn mededader(s):

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [A] en [B] en [C] en/of

- het richten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [A] en

[B] en [C] en/of

- het zetten van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd en/of de nek van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

- het tonen van een stroomstootwapen aan die [A] en [B] en [C] en/of

- het in het zicht van die [A] en [B] en [C] activeren van dat stroomstootwapen en/of

- het met tie-rips vastbinden van de polsen en de enkels van die [A] en [B] en [C] en/of

- het tegen die [A] dreigend zeggen: "Poen, poen" en "Geen gekke bewegingen, anders schiet ik u door uw kop" en/of

- het tegen die [B] dreigend zeggen: "Stil, als je stil bent gebeurt er niets met je" en "Waar is het geld, ik weet dat je geld in huis hebt" en/of

- het tegen die [A] en/of [B] dreigend zeggen: "Ik wil nu geld en anders pak ik je zoon", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking;

2.

hij op 9 februari 2010 te Naaldwijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [A] en [B] en [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededader met dat opzet de polsen en de enkels van die [A] en [B] en [C] in hun woning aan de [adres] te Naaldwijk, gemeente Westland, met tie-rips vastgebonden en hen vervolgens enige tijd vastgebonden gehouden en hen vervolgens achtergelaten in die woning.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1, cumulatief, en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie neemt hierbij in aanmerking de substantiële rol van verdachte bij voornoemde feiten

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte spijt heeft van zijn daden en dat hij open staat voor begeleiding vanuit de Reclassering, zoals door de Reclassering is geadviseerd in het voorlichtingsrapport d.d. 25 mei 2010.

Verdachte heeft zich inmiddels aangemeld en is ook toegelaten voor een plek bij Exodus, alwaar hij begeleid zal gaan wonen en zal worden ondersteund bij het op orde krijgen van zijn financiële situatie. De raadsvrouw heeft verzocht een passende straf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel zodanig zal zijn dat verdachte binnen afzienbare tijd kan starten met hetgeen hierboven is omschreven.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan een brute gewapende overval in de woning van een drietal slachtoffers, te weten een 15-jarig kind en zijn ouders. Verdachte en zijn medeverdachten hebben bij de overval gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een stroomstootwapen. Het op een vuurwapen gelijkend voorwerp is continu gericht gehouden op de slachtoffers en tevens tegen de nek/hals en/of het hoofd van de slachtoffers gezet. Dit is zeer bedreigend en beangstigend geweest voor de slachtoffers; iemand die zoiets overkomt, denkt niet ten onrechte dat zijn laatste uur geslagen heeft, hetgeen ook blijkt uit de door de slachtoffers afgelegde verklaringen.

Eén van de slachtoffers heeft verklaard: “Ik ben echt blij dat we het overleefd hebben. Ik dacht echt dat ze ons dood zouden maken” en het andere slachtoffer heeft verklaard: “Ik ben geschrokken van dit feit. Nu ik hier zit besef ik mij pas wat mij is overkomen. Ik zit nog helemaal te trillen”. Dit heeft het laatstgenoemde slachtoffer ongeveer twee uren na de overval verklaard.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben bovendien niet geschroomd (bedreiging met) geweld toe te passen jegens een minderjarig kind en bovendien gedreigd voornoemd kind te ontvoeren, opdat de ouders zouden zeggen waar het geld lag. Verdachte en zijn medeverdachten hebben hiermee aangetoond gewetenloos te zijn.

Overigens is jegens alle drie de slachtoffers geweld toegepast, daar zij aan enkels en polsen werden vastgebonden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben de slachtoffers vervolgens in voornoemde toestand achtergelaten.

De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort misdrijven daarvan nog langdurig nadelige psychische en/of lichamelijke gevolgen kunnen ondervinden. Dit geldt temeer nu de onderhavige overval in een woning heeft plaatsgevonden, een plaats waar men zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Door het handelen van verdachte en zijn mededaders is ook daarop op grove wijze inbreuk gemaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank neemt het de verdachte voorts in het bijzonder kwalijk dat hij dacht zijn eigen financiële problemen - waarvoor hij ook zelf verantwoordelijk is - heeft menen te moeten oplossen door onderhavige feiten te plegen en daarmee anderen, die daar volledig buiten staan - schade te moeten toebrengen. Door het kennelijke gemak waarmee is overgegaan tot het plegen van de overval en het daaraan gekoppelde (bedreiging met) geweld heeft verdachte niet alleen getoond geen verantwoordelijkheid te willen nemen voor het oplossen van zijn eigen problemen, maar in plaats daarvan er de voorkeur aan te geven anderen leed en schade te berokkenen, maar tevens dat hij zich aan dit laatste niets gelegen laat liggen. Hij heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelwijze bovendien de in de samenleving bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid versterkt, terwijl voorts sprake is van een toenemende maatschappelijke verontwaardiging ten aanzien van dit soort misdrijven.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 april 2010 niet eerder terzake soortgelijke delicten is veroordeeld. Verdachte wordt derhalve als first-offender ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten aangemerkt.

Omtrent de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de inhoud van het voorlichtingsrapport d.d. 25 mei 2010, opgemaakt door [D] van Jeugdzorg en reclassering van het Leger des Heils. Geadviseerd is een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten dermate ernstig zijn, dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank houdt bij de duur van de op te leggen straf evenwel rekening met de omstandigheid dat er geen excessief lichamelijk geweld is toegepast door verdachte en zijn medeverdachten en met de aan de mededader opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank gaat er van uit, dat bij het stellen van voorwaarden bij een eventuele voorlopige invrijheidstelling zal worden gekeken naar hetgeen door de reclassering eerder is gerapporteerd.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1. De vordering van de officier van justitie

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [A], [B] en [C] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot:

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] tot een bedrag van € 900,=, zijnde immateriële schade;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [C] tot een bedrag van € 3.000,=, zijnde immateriële schade;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B] tot een bedrag van € 2.500,=, zijnde immateriële schade;

- niet-ontvankelijk verklaring van de vorderingen van [A] en [B] voor wat betreft de kosten voor rechtsbijstand;

- afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [B] voor wat betreft de materiële schade.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot:

- € 900,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

- € 3.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C];

- € 2.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vorderingen van genoemde benadeelde partijen af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, nu in alle gevallen de machtiging ontbreekt en de gevraagde schadevergoedingen bovendien niet zijn onderbouwd.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

[A], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1125,=, zijnde € 900,= voor immateriële schade en € 225,= voor kosten voor rechtsbijstand.

[C], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.000, zijnde immateriële schade.

[B], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.830,=, zijnde € 2.500,= voor immateriële schade, € 130,= voor materiele schade en € 200,= voor kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de zich in het dossier bevindende voegingsformulieren niet volledig zijn ingevuld en dat er ook onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de op de formulieren geplaatste handtekeningen. Niet is vast te stellen of voornoemde benadeelde partijen de betreffende voegingsformulieren hebben ondertekend en wie door hen is gemachtigd namens hen de vorderingen in te dienen. Bovendien zijn de vorderingen niet voldoende onderbouwd.

De rechtbank zal derhalve genoemde benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot schadevergoeding, aangezien de vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerd voorwerp teruggegeven zal worden aan de rechthebbende en onder 2 genummerd voorwerp teruggegeven zal worden aan verdachte.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat conform de eis van de officier van justitie beslist zal worden omtrent de inbeslaggenomen goederen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet zal de rechtbank de teruggave aan [B] gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, te weten: geld buitenlands, Oekraïense valuta.

De rechtbank zal voorts de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, te weten:

een jas, kleur: zwart, WE, aangetroffen in de slaapkamer van [verdachte].

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 57, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, cumulatief, en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partijen [A], [B] en [C] niet ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding, en dat zij deze de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

gelast de teruggave aan [B] van de blijkens de aan dit proces-verbaal gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, te weten:

geld buitenlands, Oekraïense valuta

en

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit proces-verbaal gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2, te weten:

een jas, kleur: zwart, WE.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. S.W.E. de Ruiter, voorzitter,

R. Brand en M.T. Renckens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2010.

1 Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bladzijden betreft dit de bladzijden van het proces-verbaal van de politie Haaglanden, met bijlagen, nummer PL1563 2010029565 (bladzijden 1-237).

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [C], blz. 46-49.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44 en het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [C], blz. 46-49.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33.

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33 en proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [C], blz. 46-49.

8 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33.

9 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33 en proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44.

10 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44.

11 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33 en proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [C], blz. 46-49.

12 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33.

13 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44.

14 Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 28-33.

15 proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [C], blz. 46-49.

16 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 14 april 2010, inhoudende de verklaring van [A], blz. 152-153.

17 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44 en proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [C], blz. 46-49.

18 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 9 februari 2010, inhoudende de verklaring van [B], blz. 39-44.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 april 2010, inhoudende de verklaring van [verdachte], blz. 158-162.

20 De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 12 augustus 2010 heeft afgelegd.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 april 2010, inhoudende de verklaring van [X], blz. 109-113.