Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5087

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
358533 - FA RK 10-940
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man heeft verzocht tot doorhaling van de akte van inschrijving van een rechterlijke uitspraak, ingeschreven in het register van echtscheidingen. De ambtenaar heeft geen verweer gevoerd, de vrouw wel. De vrouw is primair van mening dat het verzoek van de man nietig is, nu niet is voldaan aan de eisen die artikel 278 Rv aan een verzoekschrift stelt. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat de man wel degelijk zijn handtekening heeft gezet onder de akte van berusting. Tto slot heeft zij betoogd dat de man geen belang heeft bij de doorhaling van betreffende akte.

De rechtbank passeert de stelling van de vrouw dat het verzoekschrift nietig is, nu uit de stukken voldoende blijkt waar de man feitelijk verblijft en derhalve is voldaan aan de eisen van artikel 278 Rv. Vast staat dat de akte van berusting niet op correcte wijze is gelegaliseerd en dat de echtscheidingsbeschikking niet op de voorgeschreven wijze aan de man is betekend. De rechtbank kan niet vaststellen dat de handtekening op de akte van berusting daadwerkelijk afkomstig is van de man. Nu het vereiste van ondubbelzinnigheid meebrengt dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij het aannemen van berusting in verband met de ingrijpende gevolgen die daaraan verbonden zijn, kan niet worden aangenomen dat de man daadwerkelijk in de echtscheidingsbeschikking heeft berust. De echtscheidingsbeschikking is derhalve niet in kracht van gewijsde gegaan en had niet ingeschreven mogen worden in de registers van de burgerlijke stand.

De rechtbank wijst het verzoek van de man toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-940

Zaaknummer: 358533

Datum beschikking: 16 augustus 2010

Doorhaling akte burgerlijke stand

Beschikking op het op 3 februari 2010 ingekomen verzoekschrift van:

[naam man],

de man,

feitelijk verblijvende te [plaats A],

advocaat: mr. M. Koudstaal te Haarlem.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

hierna: de ambtenaar,

en

[naam vrouw],

de vrouw,

wonende te [plaats B],

advocaat: mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief met bijlagen d.d. 26 februari 2010 van de zijde van de man;

- de brief met bijlage d.d. 1 maart 2010 van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 7 maart 2010 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 8 maart 2010 van de zijde van de man;

- de brief d.d. 25 maart 2010 van de ambtenaar;

- het verweerschrift van de zijde van de vrouw.

Op 5 juli 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de man en zijn advocaat;

- de heer Mohammed Mardinly die de man bijstond als tolk;

- de ambtenaar in de personen van de heer A.R. Baptiste en mevrouw L.I. Holtus;

- de vrouw en haar advocaat.

Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot doorhaling van de akte van inschrijving van rechterlijke uitspraak, nummer [nummer] van het jaar 2009, ingeschreven in het register van echtscheidingen van de gemeente 's-Gravenhage op [datum] 2009.

De ambtenaar heeft geen bezwaar tegen doorhaling van bovengenoemde akte.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

Feiten

- De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 2002 te [plaats C] ([land A]) met elkaar gehuwd.

- Op verzoek van de vrouw is bij beschikking van de rechtbank Dordrecht d.d. [datum] 2009 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De man is in deze procedure niet verschenen.

- Naar aanleiding van een akte van berusting, gelegaliseerd door de toenmalige advocaat van de vrouw mr. A.J.T.M. van Iersel, is de echtscheidingsbeschikking op [datum] 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage.

- Mr. A.J.T.M. van Iersel heeft bij schrijven d.d. 2 februari 2010 (overgelegd door verzoeker) verklaard dat hij niet heeft gecontroleerd of de handtekening op de akte van berusting afkomstig was van de man en dat hij kan instemmen met het verzoek van de man.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het door verzoeker overgelegde schrijven d.d. 2 februari 2010 van mr. A.J.T.M. van Iersel, niet kan worden beschouwd als een gerechtelijke erkentenis namens de vrouw. Mr. A.J.T.M. van Iersel heeft zich in deze procedure immers niet namens de vrouw gesteld als haar advocaat.

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij nimmer een akte van berusting heeft ondertekend, zodat de aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ten grondslag liggende akte van berusting valselijk moet zijn opgemaakt. Gelet hierop is hij van mening dat de inschrijving van de echtscheiding dient te worden doorgehaald. Deze is immers ongeldig omdat de echtscheidingsbeschikking nimmer in kracht van gewijsde is gegaan, aldus de man.

De ambtenaar heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de echtscheiding ten onrechte is ingeschreven als blijkt dat de man geen akte van berusting heeft getekend.

De vrouw is primair van mening dat het verzoek van de man nietig is, nu niet is voldaan aan de eisen die artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan een verzoekschrift stelt. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de man een onbekende woon- of verblijfplaats heeft. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de omstandigheid dat mr. A.J.T.M. van Iersel niet heeft gecontroleerd of de handtekening van de man afkomstig was, nog niet wil zeggen dat de man de akte van berusting niet heeft ondertekend. Volgens de vrouw heeft de man wel degelijk zijn handtekening onder deze akte gezet. Tot slot heeft de vrouw betoogd dat de man geen enkel belang heeft bij het doorhalen van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Volgens haar kan een hoger beroep van de man slechts leiden tot een bevestiging van de echtscheidingsbeschikking.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt voldoende waar de man feitelijk verblijft. Derhalve passeert de rechtbank de stelling van de vrouw dat het verzoekschrift van de man nietig is.

De rechtbank stelt voorop dat het tot stand komen van een echtscheiding zowel voor partijen als ook voor de rechtspositie van derden ingrijpende rechtsgevolgen heeft. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan gevolgen die voortvloeien uit het huwelijksvermogensrecht, maar ook aan gevolgen met betrekking tot de staat van eventuele kinderen die na het einde van het huwelijk nog uit de vrouw worden geboren en de bevoegdheid van echtgenoten met een ander een nieuw huwelijk aan te gaan. Daarbij komen dan nog de gevolgen ter zake van het erfrecht. Met het oog op al deze en andere gevolgen voor partijen en derden dient bij het bepalen van het tijdstip waarop de echtscheiding tot stand komt, grote betekenis aan de eisen van de rechtszekerheid worden toegekend. In dit licht moeten dan ook de voorschriften worden gezien die voor de vaststelling van dit tijdstip van belang kunnen zijn, te weten:

a. dat de echtscheiding op grond van artikel 1:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW) eerst tot stand komt door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

b. dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet kan geschieden dan nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 1:21 BW);

c. dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde gaat nadat de wederpartij in deze beschikking heeft berust (artikel 334 Rv) dan wel nadat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken;

d. dat naar vaste jurisprudentie geldt dat van berusting slechts sprake kan zijn ingeval een partij een houding heeft aangenomen waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt dat hij of zij zich bij de uitspraak neerlegt;

e. dat hoger beroep tegen een echtscheidingsbeschikking door een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de echtscheidingsprocedure is verschenen op grond van artikel 820 lid 1 Rv kan worden ingesteld binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk bekend is gemaakt.

Vaststaat dat de akte van berusting niet op correcte wijze is gelegaliseerd en dat de echtscheidingsbeschikking niet op de voorgeschreven wijze aan de man is betekend.

Nu partijen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd met betrekking tot de op de akte van berusting voorkomende handtekening en nu niet door een onafhankelijke advocaat is gecontroleerd of deze handtekening van de man afkomstig is, kan door de rechtbank niet worden vastgesteld dat de handtekening op de akte van berusting daadwerkelijk afkomstig is van de man. Nu voormeld vereiste van ondubbelzinnigheid meebrengt dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij het aannemen van berusting in verband met de ingrijpende gevolgen die daaraan verbonden zijn, kan daarom niet worden aangenomen dat de man daadwerkelijk in de echtscheidingsbeschikking heeft berust. De echtscheidingsbeschikking is derhalve niet in kracht van gewijsde gegaan en had niet ingeschreven mogen worden in de registers van de burgerlijke stand. Reeds op grond hiervan behoort het verzoek van de man tot doorhaling van de akte van inschrijving te worden ingewilligd. Voorts moet - gelet op het bovenstaande - worden geoordeeld dat de man een rechtmatig belang erbij heeft dat de registers van de burgerlijke stand geen onjuiste gegevens bevatten met betrekking tot het moment van de ontbinding van zijn huwelijk met de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de man derhalve toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de doorhaling van de akte van inschrijving van rechterlijke uitspraak, nummer [nummer] van het jaar 2009, voorkomend in het register van echtscheidingen van de gemeente 's-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. de Wit, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2010.