Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN5075

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
306160 / FA RK 08-1742
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezag, Omgangsregeling, Informatieplicht, Paspoort, IPR

De volgende verzoeken zijn thans nog aan de orde:

Het verzoek van de moeder de Raad opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een omgangsregeling. Zij heeft daarnaast verzocht, indien de rechtbank de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige laat voortduren, een dwangsom vast te stellen voor iedere keer dat de vader de minderjarige te laat terugbrengt of haar niet tijdig informeert, en het belmoment tussen de vader en de minderjarige te beëindigen.

De vader heeft de volgende zelfstandige verzoeken gedaan:

- voor recht te verklaren dat partijen het gezamenlijk gezag hebben;

- susidiair te bepalen dat de vader voortaan met de moeder, gezamelijk zal zijn belast met het ouderlijk gezag;

- een omgangsregeling vast te stellen;

- de moeder te verplichten mee te werken bij het aanvragen van een Italiaans paspoort voor de minderjarige en hieraan een dwangsom te verbinden voor iedere dag dat de moeder na de in deze te wijzen beschikking nalatig blijft mee te werken;

- de omgangsregeling uit te breiden naar een 50%-50% regeling;

- een vakantieregeling vast te stellen;

- te bepalen dat de moeder een dwangsom verschuldigd is voor iedere keer dat zij niet aan haar informatieverplichting voldoet.

De rechtbank:

- benoemt een deskundige voor het verrichten van een ouderschapsonderzoek alsmede psychodiagnotisch onderzoek;

- wijst af de verzoeken van de vader aangaande de gezagsvoorziening en overweegt daarbij in het bijzonder dat zij verwacht dat de minderjarige bij gezamenlijk gezag, door de bestaande spanningen tussen de ouders klem zal raken;

- stelt een (voorlopige) omgangsregeling vast en bepaalt dat de moeder een dwangsom dient te betalen indien zij niet aan de omgangsregeling meewerkt en bepaalt dat de vader een dwangsom dient te betalen voor iedere keer dat hij de minderjarige te laat terugbrengt of de moeder niet tijdig informeert over het niet doorgaan van de omgangsregeling;

- wijst toe het verzoek tot beëindiging van het wekelijkse belcontact, nu dit een beperkte meerwaarde heeft en de wekelijkse omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige zal worden uitgebreid;

- wijst af het verzoek van de vader om aan het nakomen van de informatieverplichting door de moeder een dwangsom te verbinden, nu er geen informatieregeling is vastgesteld en een dergelijk verzoek thans ook niet voorligt;

- verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van het Intaliaanse paspoort van de minderjarige en de daaraan verbonden dwangsom, nu de vader niet het gezag heeft over de minderjarige en zich derhalve niet kan beroepen op artikel 34 van de Paspoortwet.

- houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 juni 2011 pro forma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 08-1742

Zaaknummer: 306160

Datum beschikking: 6 augustus 2010

Gezag, omgangsregeling, informatieplicht, paspoort

Beschikking op het op 3 maart 2008 ingekomen verzoek van:

[naam moeder],

de moeder,

wonende te [plaats A],

advocaat: mr. P.J. Montanus te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende worden aangemerkt:

[naam vader],

de vader,

wonende te [plaats A],

advocaat: voorheen mr. A.J.M.H. de Werd, thans mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam,

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

locatie Den Haag Centrum/Scheveningen,

belast met de ondertoezichtstelling van na te melden minderjarige.

Als informante wordt aangemerkt:

mevrouw drs. B.A. de Vries,

kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

de deskundige/forensisch mediator.

Procedure

Bij tussenbeschikking d.d. 30 maart 2009 van deze rechtbank - voor zover thans van

belang -:

- is een onderzoek bevolen door de deskundige, mevrouw drs. B. de Vries, waarbij een oordeel is gevraagd zoals is overwogen in het lichaam van de beschikking;

- is bepaald dat de deskundige haar schriftelijke, gemotiveerde en ondertekende rapport, vergezeld van haar declaratie, zal zenden naar de griffier van deze rechtbank;

- zijn afgewezen de verzoeken van de vader ten aanzien van de opheffing van het loonbeslag en de daaraan verbonden dwangsom;

- zijn afgewezen de verzoeken van de moeder tot het instellen van een deskundigen onderzoek naar de minderjarige, [A], geboren op [geboortedatum] 2006 te [plaats A], het verwijzen van partijen naar het omgangshuis en het doen horen van getuigen;

- is iedere verdere beslissing ten aanzien van de gezagsvoorziening, de omgangsregeling en de daaraan verbonden dwangsom, het paspoort en de daaraan verbonden dwangsom, alsmede de definitieve vaststelling van de kosten van het deskundigenonderzoek pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- het faxbericht d.d. 1 december 2009 van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 24 december 2009 van de zijde van de deskundige, met als bijlage het tussenbericht betreffende ouderschapsonderzoek d.d. 24 december 2009;

- het faxbericht d.d. 15 januari 2010 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 20 januari 2010 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 10 februari 2010 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 11 februari 2010 van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 16 maart 2010 van de zijde van de vader, tevens houdende (aanvullende) verzoeken;

- de brief met bijlagen d.d. 17 maart 2010 van de zijde van de moeder, tevens houdende (aanvullende) verzoeken;

- het faxbericht d.d. 21 april 2010 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 22 april 2010 van de zijde van de moeder;

- de brief met bijlage d.d. 14 mei 2010 van de zijde van mevrouw de Vries,

- de brief met bijlagen d.d. 29 juni 2010 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht met bijlage d.d. 29 juni 2010 van de zijde van de moeder;

- de brief met bijlagen d.d. 1 juli 2010 van de zijde van de vader, tevens houdende een (aanvullend) verzoek;

- het faxbericht d.d. 5 juli 2010 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht met bijlage d.d. 6 juli 2010 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 6 juli 2010 van de zijde van de vader;

- het faxbericht met bijlagen d.d. 8 juli 2010 van de zijde van de moeder.

Op 9 juli 2010 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,

- mevrouw drs. B.A. de Vries, de deskundige,

- mevrouw J.J. de Kok namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.

Ter terechtzitting is door de Raad een verzoek gedaan tot ondertoezichtstelling van de minderjarige. Op dit verzoek is bij afzonderlijke beschikking (met zaaknummer 371176 / JE RK 10-1986) beslist. Daarbij is de minderjarige voor de duur van een jaar, van 9 juli 2010 tot 9 juli 2011, onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Haaglanden.

Verzoek en verweer

Thans zijn nog aan de orde de navolgende verzoeken.

Het verzoek van de moeder - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de Raad opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van een omgangsregeling, daarvan rapportage te doen aan de rechtbank en op basis hiervan een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vast te stellen.

Bij brief d.d. 17 maart 2010 heeft de moeder (aanvullend) verzocht:

- indien de rechtbank de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige laat voortduren, te bepalen dat de vader een dwangsom van € 1.000,-- verschuldigd is voor iedere keer dat hij de minderjarige te laat terugbrengt of hij de moeder niet tijdig (uiterlijk twee weken van te voren) informeert indien de omgangsregeling geen doorgang zal vinden;

- het tussen partijen overeengekomen belmoment tussen de vader en de minderjarige te beëindigen.

De (zelfstandige) verzoeken van de vader - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - luiden:

- voor recht te verklaren dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige hebben;

- subsidiair, te bepalen dat de vader voortaan met de moeder gezamenlijk zal zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige;

- een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige bij de vader zal zijn:

* een dag per week, van woensdag naar de crèche tot donderdag naar de crèche,

* iedere twee weken het hele weekeinde, van vrijdag uit de crèche/na school tot maandag naar de crèche/school,

* gedurende de helft van de feest- en vakantiedagen en om en om op de verjaardag van de minderjarige;

een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt.

De vader heeft zijn verzoek bij faxbericht d.d. 25 februari 2009 aangevuld. Hij heeft verzocht de moeder te verplichten om haar medewerking te verlenen bij het aanvragen van een (Italiaans) paspoort voor de minderjarige en hieraan een dwangsom te verbinden van € 250,-- per dag voor iedere dag dat de moeder na de in deze te wijzen beschikking nalatig blijft mee te werken aan de paspoortaanvraag.

Bij brief d.d. 16 maart 2010 heeft de vader (aanvullend) verzocht:

- de omgangsregeling uit te breiden naar een 50%-50% regeling (in dier voege dat de vader de minderjarige doordeweeks ook haalt en brengt van de crèche en de minderjarige bij hem overnacht en om de week van de vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader verblijft);

- een vakantieregeling vast te stellen, waarbij de vader een aantal dagen met de minderjarige kan doorbrengen (eventueel een opbouw naar uiteindelijk de helft van de vakanties en de feestdagen);

- te bepalen dat de moeder moet meewerken aan het aanvragen van het Italiaanse paspoort voor de minderjarige.

De vader heeft ten slotte bij brief d.d. 1 juli 2010 aanvullend verzocht te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 500,-- per keer verschuldigd is voor elke keer dat zij niet aan haar informatieverplichting voldoet.

Feiten

- Ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 12 februari 2010 hebben partijen afgesproken dat de vader elke woensdag om 17.00 uur een belmoment met de minderjarige heeft van ongeveer tien minuten, waarbij de moeder de vader belt. Voorts hebben partijen in het kader van de voorgenomen vakantie van de moeder met de minderjarige voor de duur van twee weken afgesproken dat de vader tijdens deze vakantie op de zaterdagen om 17.00 uur eveneens recht heeft op een belmoment met de minderjarige, voorts mag de vader de twee tijdens deze vakantie gemiste omgangsdagen compenseren met een woensdag voor de vakantie en een woensdag na de vakantie.

- Bij kort geding vonnis d.d. 15 februari 2010 zijn afgewezen de vorderingen van de vader om:

* de moeder te veroordelen om de vader te betrekken bij en actief te laten deelnemen aan het maken van een schoolkeuze voor de minderjarige, alsmede de vader te informeren over alle activiteiten die daarmee gemoeid zijn,

* de moeder te veroordelen om mee te werken aan een omgangsregeling van 20 tot 23 februari 2010 om de minderjarige in de gelegenheid te stellen de verjaardag van oma vaderszijde in Italië bij te wonen.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

De forensische mediation/het ouderschapsonderzoek

Blijkens de brief van de deskundige d.d. 24 december 2009 is een tussenbericht aan de rechtbank aangeboden met als reden onder andere de patstelling in de communicatie tussen partijen, de zorgen van de deskundige omtrent de ontwikkeling van de minderjarige en het verzoek van de ouders om door te gaan met de begeleiding door de deskundige in haar hoedanigheid van forensisch mediator in plaats van een ondertoezichtstelling van de minderjarige.

Uit het tussenbericht d.d. 24 december 2009 van de deskundige blijkt - kort samengevat - het volgende:

* De blokkade die zich tussen de ouders in hun onderlinge communicatie voordoet moet nader worden onderzocht met behulp van een psychodiagnostisch onderzoek.

* De deskundige is bereid om de forensische mediation te blijven begeleiden, maar twijfelt wel of de ouders zich voldoende realiseren dat de door derden aangedragen oplossingen niet dezelfde zijn als de door de ouders zelf aangedragen oplossingen. Voorts vraagt de deskundige zich af of de ouders zich voldoende inzetten om hun eigen aandeel in het geschil en hun eigen gedrag te veranderen.

* De deskundige heeft met de ouders besproken om het onderzoek voor de duur van negen maanden voort te zetten (maximaal twaalf gesprekken van 2,5 uur), daarnaast is nog tijd nodig voor het opstellen van een eindrapport en/of een vaststellingsovereenkomst.

Daarnaast is er door de deskundige al een (voorlopig) antwoord gegeven op de onderzoeksvragen van de rechtbank, echter nu het een tussenbericht betreft is de beantwoording van deze vragen nog niet definitief.

Mevrouw de Vries (de deskundige) heeft ter terechtzitting - in aanvulling op het tussenbericht - aangegeven dat zij zich ernstige zorgen maakt over de identiteitsontwikkeling van de minderjarige. Zij heeft voorgesteld om het ouderschapsonderzoek onder haar leiding voort te zetten, waarbij zij zich zal laten bijstaan door twee (mannelijke) collega's en zich zal laten leiden door de richtlijnen van de in het kader van de ondertoezichtstelling aan te stellen gezinsvoogd. Mevrouw de Vries heeft geopperd om de psychoanalyticus, de heer R. Verboom, te benaderen, met wie zij in het verleden al diverse malen heeft samengewerkt om met haar samen het ouderschapsonderzoek verder uit te voeren. Voor de uitvoering van het door haar geadviseerde psychodiagnostisch onderzoek zal mevrouw de Vries de heer

H. Schachtschabel benaderen, die zij overigens niet persoonlijk kent. De bevindingen uit het psychodiagnostisch onderzoek moeten verder worden teruggekoppeld aan mevrouw de Vries en vervolgens worden meegenomen in het kader van de forensische mediation tussen partijen. Partijen dienen zich hierbij wel te realiseren dat niet zij, maar de deskundige(n) de regie hebben en de hoofdlijnen bepalen, waarbij partijen - zonder hieraan hun eigen voorwaarden te stellen - open moeten staan voor de coaching door mevrouw de Vries.

De vader heeft ingestemd met het geadviseerde psychodiagnostisch onderzoek bij hemzelf en bij de moeder, nu zodoende ook de herkomst van de volgens hem bestaande angsten en bij de moeder bestaande blokkade kan worden onderzocht. Voorts moet de mediation bij mevrouw de Vries worden voortgezet, nu dit thans de enige vorm van communicatie is tussen de ouders, aldus de vader.

Nu ook de moeder ter terechtzitting heeft ingestemd met een voortzetting van de forensische mediation door mevrouw de Vries, gecombineerd met een psychodiagnostisch onderzoek waarbij mevrouw de Vries zal worden bijgestaan door twee door haar aan te wijzen deskundige (mannelijke) collega's, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen. De zaak zal als na te melden pro forma worden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen onder begeleiding van de deskundige(n) te komen tot een heroriëntatie op hun ouderschap.

Mevrouw de Vries wordt verzocht de rechtbank te rapporteren over het verloop en de resultaten van de onderzoeken. Tevens dient zij - bij gebreke van overeenstemming tussen de ouders - de in de beschikking van 30 maart 2009 geformuleerde vragen, voor zover thans nog van toepassing - in aanvulling op het tussenbericht - definitief te beantwoorden en de rechtbank te adviseren omtrent de vormgeving van de toekomstige (definitieve) omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige en de wijze waarop partijen in het belang van de minderjarige in de toekomst invulling dienen te geven aan hun ouderschap.

Kosten van het (voortgezette) onderzoek

Partijen hebben er ter terechtzitting desgevraagd mee ingestemd om de kosten van het (voortgezette) onderzoek bij helfte te delen. De rechtbank zal derhalve bepalen dat partijen een voorschot dienen te voldoen van € 10.000,--, aldus een bedrag van € 5.000,-- door elk van partijen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van het door haar gehanteerde uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 160,-- per uur, exclusief BTW (€ 190,40 per uur, inclusief BTW).

De rechtbank zal in het navolgende een definitieve beslissing geven over de verzoeken aangaande de gezagsvoorziening, de informatieplicht en het (Italiaanse) paspoort voor de minderjarige en de daaraan verbonden dwangsommen. Voorts zal de rechtbank een voorlopige beslissing geven over (uitbreiding van) de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige en de daaraan verbonden dwangsommen.

Het gezag

Partijen hebben zich reeds op de terechtzitting van 2 maart 2009 uitgelaten over de vraag welke nationaliteit heeft te gelden als de effectieve nationaliteit van de minderjarige. De rechtbank heeft haar beslissing hieromtrent bij tussenbeschikking van 30 maart 2009 aangehouden en heeft hierbij overwogen dat partijen de gezagskwestie bij de mediator, in het kader van het ouderschapsonderzoek aan de orde dienen te stellen en, indien mogelijk, moeten bespreken welke uitkomst naar hun beider mening op dit punt het meest is gewenst, ook gelet op het door de vader gedane subsidiaire verzoek.

Nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat partijen er niet in zijn geslaagd om in onderling overleg tot overeenstemming te komen betreffende de gezagskwestie en beiden thans een beslissing van de rechtbank op dit punt verlangen, dient de rechtbank hieromtrent een beslissing te nemen.

Daartoe is allereerst aan de orde het primaire verzoek van de vader voor recht te verklaren dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige hebben.

Het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) heeft in het rapport d.d. 14 april 2008 geconcludeerd dat, nu de ouders niet met elkaar gehuwd zijn, naar Zweeds recht alleen de moeder met het gezag over de minderjarige is belast en dat naar Italiaans recht de ouders van het door de vader erkende kind gezamenlijk het gezag hebben. Het IJI heeft op grond van de bij haar bekende feiten en omstandigheden geconcludeerd dat de effectieve nationaliteit van de minderjarige niet door haar kan worden vastgesteld en derhalve niet kan worden aangegeven of het Zweedse, dan wel het Italiaanse wettelijke stelsel geldt.

Gezien voornoemde conclusies van het IJI, welke de rechtbank tot de hare maakt, dient de rechtbank te beoordelen welke nationaliteit van de minderjarige, de Zweedse of de Italiaanse, heeft te gelden als zijn effectieve nationaliteit. De rechtbank neemt hierbij de op de terechtzitting 2 maart 2009 door partijen naar voren gebrachte stellingen tot uitgangspunt en is op basis hiervan van oordeel dat de Zweedse nationaliteit als de effectieve nationaliteit van de minderjarige heeft te gelden.

Vaststaat dat de minderjarige dagelijks (vloeiend) Zweeds spreekt en dat hij - gelet op zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder - dagelijks met de Zweedse cultuur in aanraking komt. De stellingen van de vader dat de minderjarige gedurende de omgang Italiaans met hem spreekt, van Italiaanse televisieprogramma's en Italiaans eten houdt en ten slotte door contact met familieleden in aanraking komt met de Italiaanse cultuur, doen hieraan niet af, nu deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zijn om aan te nemen dat de Italiaanse taal en cultuur thans in het leven van de minderjarige domineren.

Voorts passeert de rechtbank de stellingen van de vader dat hem op grond van de diverse verdragen, waaronder het Haags Kinderbeschermingsverdrag, het recht om het gezag over de minderjarige uit te oefenen niet kan worden ontnomen. Zoals reeds blijkt uit de tussenbeschikking d.d. 30 maart 2009 volgt de rechtbank de conclusies van het IJI dat indien, zoals in dit geval, sprake is van een minderjarige met een dubbele nationaliteit, enkel de interne wet van de Staat waarvan de minderjarige de effectieve nationaliteit heeft de gezagsverhouding bepaalt. Er is dan ook geen sprake van gezag van de vader op grond van het Italiaanse recht dat hem thans zou worden ontnomen. Bovendien biedt het Nederlandse recht de (juridische) vader zonder gezag de mogelijkheid om zich op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) met een verzoek tot (mede)gezag tot de rechtbank te wenden, welk verzoek slechts op de hierna te noemen gronden kan worden afgewezen.

De rechtbank acht het recht van de vader om (mede)gezag te hebben daarmee voldoende gewaarborgd. Nu het primaire verzoek van de vader zal worden afgewezen, zal de rechtbank in het navolgende het subsidiaire verzoek van de vader tot (mede)gezag over de minderjarige beoordelen.

Per 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008, 500). Nu in deze wet geen overgangsrecht is opgenomen, heeft deze wet met ingang van 1 maart 2009 onmiddellijke werking.

Ingevolge het op grond van voornoemde wet geldende artikel 1:253c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan het verzoek van (in dit geval:) de vader slechts worden afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Vaststaat dat partijen op zeer gespannen voet met elkaar leven, ten opzichte van elkaar een groot wantrouwen koesteren en in het geheel niet met elkaar kunnen communiceren en in een voortdurende (juridische) strijd met elkaar zijn verwikkeld. Het is de rechtbank ter terechtzitting niet gebleken dat - ondanks het ingezette traject van forensische mediation - in de loop van de procedure in deze situatie thans enige positieve verandering is gekomen. De vader heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat de communicatie tussen de ouders niet slecht is, maar dat er thans in het geheel geen communicatie tussen hen is, behoudens bij de mediator. Zulks wordt bevestigd door het gegeven dat de overdracht van de minderjarige in het kader van de omgang thans, na een aantal geweldsincidenten, noodgedwongen plaatsvindt op het politiebureau. De omgangsregeling kan kennelijk in de ogen van beide partijen slechts plaatsvinden wanneer daaraan over en weer hoge dwangsommen zijn verbonden. Voorts kunnen partijen elkaar - bijvoorbeeld voor vakanties of familiebezoek - geen enkele ruimte bieden in een meer flexibele toepassing van de omgangsregeling. Bovendien onderstreept de (herhaaldelijke) aangifte van de moeder van seksueel misbruik van de minderjarige door de vader de slechte verstandhouding tussen de ouders. Ook zou er sprake zijn van stalking. Ten slotte zijn de ouders niet in staat gebleken om in onderling overleg tot een gezamenlijke schoolkeuze voor de minderjarige te komen. Daar komt nog bij dat de vader de afgelopen periode in het contact met de school van de minderjarige - gelet op zijn onduidelijke juridische status ten aanzien van het gezag - niet de daarbij behorende terughoudendheid in acht heeft genomen, waarmee hij wederom de positie van de moeder heeft ondermijnd. Ter terechtzitting is wederom gebleken dat de ouders zich kennelijk in het geheel niet realiseren welke gevolgen hun handelwijze nu en in de toekomst voor de minderjarige zal hebben.

De rechtbank ziet in voormelde omstandigheden een contra-indicatie voor het toekennen van het medegezag aan de vader, nu zij verwacht dat de minderjarige bij het gezamenlijk gezag door de bestaande spanningen tussen de ouders klem zal raken. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking de beantwoording van de vragen door de deskundige onder 7.2 van het tussenbericht. Onder punt g. heeft de deskundige aangegeven dat er zich binnen het omschreven huidige communicatiepatroon conflicten zullen blijven voordoen tussen de ouders op de momenten waarop er (gezags)beslissingen moeten worden genomen. Voorts is gelet op de al jaren bestaande problemen tussen de moeder en de vader en de lange duur van de mediation verbetering in deze situatie binnen afzienbare tijd niet te verwachten.

Er is naar het oordeel van de rechtbank derhalve voldaan aan het onder a. genoemde 'klemcriterium', dat aan gezamenlijk gezag in de weg staat.

De omgangsregeling

Bij tussenbeschikking d.d. 30 maart 2009 heeft de rechtbank haar beslissing omtrent de omgangsregeling aangehouden en overwogen dat de ouders in het kader van het ouderschapsonderzoek tot afspraken moeten komen over de vormgeving van de toekomstige omgangsregeling. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, indien de ouders in onderling overleg geen afspraken kunnen maken over de (uitbreiding van) de omgangsregeling, de deskundige de rechtbank daaromtrent dient te rapporteren en te adviseren.

Vaststaat dat de vader thans wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met de minderjarige. Voorts heeft de vader wekelijks op woensdag om 17.00 uur gedurende ongeveer tien minuten telefonisch contact met de minderjarige.

De moeder heeft gepersisteerd bij haar verzoek dat de omgang tussen de vader en de minderjarige voor de duur van de onderzoeken moet worden opgeschort, althans onder begeleiding van het Omgangshuis dient plaats te vinden, nu de veiligheid van de minderjarige bij de vader volgens haar in het geding is.

De vader heeft verweer gevoerd, stellende dat nu er geen contra-indicaties bestaan, de omgang dient te worden uitgebreid naar een regeling waarbij de minderjarige uiteindelijk om en om gedurende drie dagen bij de vader respectievelijk bij de moeder verblijft.

De rechtbank zal met ingang van het (nieuwe) schooljaar 2010/2011 voorlopig een omgangsregeling vaststellen waarbij de minderjarige wekelijks van vrijdag vanuit school tot zaterdag 17.00 uur bij de vader zal verblijven. Zodoende krijgt de vader de gelegenheid om zijn vaderrol te vergroten en ook een deel van de dagelijkse zorg voor de minderjarige op zich te nemen. In de (nog altijd ongewijzigde) stellingen van de moeder met betrekking tot het seksueel misbruik door de vader ziet de rechtbank, zoals reeds is overwogen in de beschikking d.d. 30 maart 2009 en ook thans nog het geval is, geen enkele aanleiding voor een begeleide omgang bij het Omgangshuis. Anderzijds ziet de rechtbank in de huidige situatie, gezien de verstandhouding tussen de ouders, ook geen enkele aanleiding om conform het verzoek van de vader thans een vorm van co-ouderschap vast te stellen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de omgang gedurende de vakanties en feestdagen dat deze in beginsel bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Voor de komende periode zal de rechtbank - in aanmerking genomen dat er voor wat betreft de zomervakantie van 2010 thans onvoldoende tijd resteert om een regeling vast te stellen - bepalen dat de minderjarige tijdens de herfstvakantie van 2010 vier aaneengesloten dagen (derhalve drie nachten) bij de vader zal verblijven. De verdere opbouw naar een reguliere omgangsregeling en de verdeling van de vakanties en de feestdagen bij helfte, alsmede de omgang op de verjaardag van de minderjarige, dienen in het kader van het voortgezette ouderschapsonderzoek onder leiding van mevrouw de Vries aan de orde te komen.

De rechtbank merkt ten slotte op dat zij evenals de Raad de huidige overdracht van de minderjarige op het politiebureau zeer onwenselijk en strijdig met de belangen van de minderjarige acht. De rechtbank doet derhalve een dringend beroep op partijen om de overdracht van de minderjarige, voor zover deze buiten de schooltijden plaatsvindt, op een neutrale plaats, al dan niet in overleg en - indien mogelijk - onder begeleiding van de in het kader van de ondertoezichtstelling aangestelde gezinsvoogd te laten plaatsvinden.

Het belcontact

De moeder heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat het wekelijkse belmoment dat partijen ter terechtzitting van 12 februari 2010 hebben afgesproken niet goed verloopt. Het afgesproken belcontact dient te worden aangemerkt als een onderling getroffen omgangsregeling in de zin van artikel 1:377e BW. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om dit belcontact te beëindigen op grond van dat artikel opvatten als een wijzigingsverzoek en dit verzoek in het belang van de minderjarige toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu gezien de huidige verstandhouding tussen partijen en de daarmee gepaard gaande toegenomen spanningen, een wekelijks telefonisch contact voor de nog jonge minderjarige een beperkte meerwaarde heeft, te minder nu de wekelijkse omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige zal worden uitgebreid.

De dwangsommen

De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van de vader - evenals de voorzieningenrechter - een dwangsom aan de nakoming van de omgangsregeling verbinden. De rechtbank overweegt hierbij dat de moeder eerder op de terechtzitting van 12 november 2008 heeft verklaard de bij kort geding vonnis vastgestelde omgangsregeling slechts na te komen omwille van de daaraan verbonden dwangsom. Voorts ziet de rechtbank in de ook ter terechtzitting gebleken afwijzende houding van de moeder ten aanzien van de uitbreiding van de omgangsregeling voldoende aanleiding om door middel van een dwangsom te bewerkstellingen dat de moeder in het belang van de minderjarige hieraan haar medewerking zal verlenen.

De moeder heeft voorts (aanvullend) verzocht te bepalen dat de vader een dwangsom van

€ 1.000,-- per keer verbeurt voor iedere keer dat hij de minderjarige te laat terugbrengt of hij de moeder niet tijdig (uiterlijk twee weken van te voren) informeert indien de omgangsregeling geen doorgang zal vinden.

Nu de moeder onweersproken heeft gesteld dat de vader de minderjarige regelmatig te laat terugbrengt en om te bewerkstelligen dat de (uitgebreide) omgangsregeling zo goed mogelijk - zonder incidenten - zal verlopen, zal de rechtbank ook voor de vader aan de juiste nakoming van de omgangsregeling een dwangsom verbinden.

De rechtbank zal als na te melden beslissen.

De informatieplicht

De vader heeft bij brief d.d. 1 juli 2010 aanvullend verzocht te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 500,-- per keer verschuldigd is voor iedere keer dat zij niet aan haar informatieplicht voldoet.

Op grond van artikel 1:377b, eerste lid, BW is de met het eenhoofdig gezag belaste ouder (in dit geval: de moeder) gehouden de vader op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige. Nu er geen informatieregeling is vastgesteld en een dergelijk verzoek thans ook niet voorligt, kan aan de nakoming hiervan naar het oordeel van de rechtbank geen dwangsom worden verbonden. De rechtbank zal het verzoek van de vader derhalve afwijzen en merkt daarbij op dat zij er, gelet op hetgeen de moeder ter terechtzitting heeft verklaard, vanuit gaat dat de moeder aan haar verplichting zal voldoen, in die zin dat zij de vader - waar nodig - op de hoogte zal stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige.

Het Italiaanse paspoort voor de minderjarige

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu het verzoek van de vader tot vervangende toestemming voor de aanvraag van een Italiaans paspoort voor de minderjarige is aan te merken als een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid van partijen en de minderjarige daarnaast zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de rechtbank op grond van artikel 8 van de EG-verordening nr. 2201/2003 (Brussel IIbis) bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.

De rechtbank zal op het verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 34 van de Paspoortwet (Pw) wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van dit artikel kan, indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefenen weigert de in het eerste lid bedoelde verklaring af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen de beide personen beproeft.

Nu er in de onderhavige zaak - gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het gezag - sprake is van eenhoofdig gezag van de moeder, kan de niet met het gezag belaste vader zich niet op dit artikel beroepen.

De vader kan zich - gezien de ondertoezichtstelling van de minderjarige sinds 9 juli 2010 - evenmin beroepen op artikel 36 Pw, nu slechts de aldaar genoemde instanties een dergelijk verzoek kunnen doen.

De rechtbank zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek en komt derhalve niet meer toe aan de beoordeling van de verzochte dwangsom.

De rechtbank merkt wel op dat, hoewel de vader niet kan worden ontvangen in zijn verzoek ten aanzien van het Italiaanse paspoort, hij in het kader van de als voormeld vastgestelde omgangsregeling wel het recht heeft om met de minderjarige (zijn familie in) Italië te bezoeken. De moeder is in dat kader gehouden een geldig reisdocument van de minderjarige aan de vader ter beschikking te stellen. Indien de moeder het onwenselijk acht om het Zweedse paspoort van de minderjarige hiervoor (tijdelijk) aan de vader af te geven, geeft de rechtbank de moeder in overweging om (alsnog) haar toestemming te geven en medewerking te verlenen aan de aanvraag van een eigen paspoort voor de minderjarige.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de forensische mediation en in dat kader het ouderschapsonderzoek, alsmede het psychodiagnostisch onderzoek zal worden voortgezet door de reeds benoemde deskundige:

mevrouw drs. B.A. de Vries,

kantoorhoudende te ([postcode]) 's-Gravenhage,

aan de [adres],

telefoonnummer: [nummer], faxnummer: [nummer];

bepaalt dat deze deskundige zich in het vervolg van het onderzoek zal laten bijstaan door de heer drs. R.J. Verboom te Utrecht en de heer H. Schachtschabel te Almere, dan wel door andere door de deskundige aan te wijzen personen;

bepaalt dat de deskundige haar werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat beide partijen een bedrag van € 5.000,-- hebben gestort op bankrekening [rekeningnummer] ten name van Arrondissement 537 Den Haag onder vermelding van zaak- en rekestnummer 306160/08-1742, zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het voortgezette deskundigenonderzoek, en vervolgens de griffier de deskundige van de ontvangst daarvan op de hoogte heeft gesteld;

bepaalt dat voornoemd voorschot vóór 20 augustus 2010 door partijen zal zijn gestort;

bepaalt dat de deskundige de rechtbank zal verzoeken om vaststelling van een nader voorschot indien en zodra haar in de loop van het onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan het oorspronkelijke voorschot; beide partijen dienen zich uit te laten over de hoogte van het nadere voorschot, waarna terzake een beschikking zal volgen;

bepaalt dat indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan, de wederpartij van degene die het voorschot niet betaalt na sommatie van de niet betalende partij de rechtbank kan verzoeken een beschikking te geven;

bepaalt dat de deskundige haar schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend rapport, vergezeld van haar declaratie, zal zenden naar de griffier van deze rechtbank, sector Familie- en Jeugdrecht, Postbus 20302, 2500 EH 's-Gravenhage, uiterlijk vier weken voor na te melden pro forma datum;

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;

*

wijst af de verzoeken van de vader aangaande de gezagsvoorziening;

*

bepaalt dat de minderjarige [A], geboren op [geboortedatum] 2006 te [plaats A], met ingang van het (nieuwe) schooljaar 2010/2011, voorlopig wekelijks van vrijdag vanuit school tot zaterdag 17.00 uur bij de vader zal verblijven;

bepaalt dat de minderjarige in de herfstvakantie van 2010 gedurende vier aaneengesloten dagen (inclusief drie overnachtingen) bij de vader zal verblijven;

verklaart deze voorlopige omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de moeder een dwangsom van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) zal verbeuren voor iedere keer dat zij in gebreke mocht blijven aan voornoemde omgangsregeling mee te werken;

bepaalt dat de vader een dwangsom van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) zal verbeuren voor iedere keer dat hij de minderjarige meer dan een half uur te laat terugbrengt na afloop van het omgangscontact of hij de moeder niet tijdig (uiterlijk twee weken van de voren) informeert indien de omgangsregeling geen doorgang zal vinden;

*

wijst toe het verzoek van de moeder, in die zin dat het ter terechtzitting d.d. 12 februari 2010 afgesproken belcontact, wekelijks op woensdag om 17.00 uur, wordt beëindigd;

*

wijst af het verzoek van de vader om aan het nakomen van de informatieverplichting door de moeder een dwangsom te verbinden;

*

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van het Italiaanse paspoort van de minderjarige en de daaraan verbonden dwangsom;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de (definitieve) omgangsregeling en de daaraan verbonden dwangsom, alsmede de definitieve vaststelling van de kosten van het deskundigenonderzoek aan tot 1 JUNI 2011 PRO FORMA.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.D. Veenendaal, J.M. van Baardewijk, en A. Zonneveld, kinderrechters, bijgestaan door mr. E. Noorlander als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2010.