Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4715

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
AWB 06/1521/IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser hield in het onderhavige jaar 100% van de aandelen in A B.V.

Eiser heeft de blote eigendom van ongeveer 4,6% van de geplaatste aandelen geschonken aan zijn minderjarige kinderen en zich het recht van vruchtgebruik op de aandelen voorbehouden voor een periode van 10 jaar. Een half uur later heeft eiser dat recht van vruchtgebruik op de aandelen aan de B.V. verkocht en geleverd.

Eiser heeft het van de B.V. ontvangen bedrag voor het recht van vruchtgebruik aangemerkt als inkomsten uit vermogen en daarvoor gedeeltelijk verzocht om toepassing van het 45%-tarief. In verband met de aankoop van andere effecten heeft eiser in het onderhavige jaar een zelfde bedrag aan rente en kosten in verband met leningen in aftrek gebracht op zijn aangifte. Verweerder heeft het door eiser van B.V. ontvangen bedrag aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/50.15 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1521/IB/PVV

Uitspraakdatum: 15 juli 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene Wet IB 1964 bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 509.687.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij fax van 2 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 3 februari 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2007 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is verschenen mr. [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [B] en drs. [C].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Algemeen

2.1. Eiser, geboren 7 februari 1960, was in het onderhavige jaar binnenlands belastingplichtig.

2.2. Eiser hield in het onderhavige jaar 100% van de geplaatste aandelen in [D] B.V. (hierna: de B.V.), te weten 40.000 aandelen van nominaal f 1. Het vermogen van de B.V. bestond uitsluitend uit vastrentende beleggingen. In verband met de aankoop van andere effecten heeft eiser in het onderhavige jaar f 816.175 aan rente en kosten in verband met leningen betaald. De (bruto) inkomsten die eiser uit deze effecten heeft genoten bedroegen f 59.803.

De overeenkomsten van 31 december 2000

2.3. Bij een op zondag 31 december 2000 om 13:00 uur gedateerde akte (hierna ook: de eerste overeenkomst) heeft eiser de blote eigendom van 1851 aandelen in de B.V. (hierna: de aandelen), dat is ongeveer 4,6% van de geplaatste aandelen, geschonken aan zijn minderjarige kinderen [E], [F] en [G]. Ieder kind verkreeg de blote eigendom van 617 aandelen. Eiser heeft zich het recht van vruchtgebruik op de aandelen voorbehouden voor een periode van 10 jaar.

In de zogenoemde 'Akte van schenking van aandelen op naam onder voorbehoud van een tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik' is onder meer vermeld:

"Bepalingen recht van vruchtgebruik.

Artikel 2

1. Het stemrecht op de aan het recht van vruchtgebruik onderworpen Aandelen, komt - tijdens de duur van het vruchtgebruik, zodra en voor zover aan eventuele wettelijke en statutaire vereisten is voldaan - toe aan de Vruchtgebruiker. (...)

4. Onverminderd het in artikel 3:81 Burgerlijk Wetboek bepaalde gaat het recht van vruchtgebruik teniet:

a. van rechtswege op dertig oktober tweeduizendtien;

b. door opzegging door een schriftelijke verklaring door de Vruchtgebruiker aan de

Hoofdgerechtigden;

c. (...)

d. door afstand op de voet van artikel 3:224 Burgerlijk Wetboek en constatering van deze afstand bij notariële akte. (...)

7. De waarde van het recht van vruchtgebruik van de Aandelen bedraagt (...) (NLG 450.358,-) en de waarde van de hoofdgerechtigdheid van de Aandelen bedraagt (...) (NLG 1.851,--)."

Stemrecht

Artikel 3

De Vruchtgebruiker kan het hem hiervoor toegekende stemrecht uitoefenen, aangezien dit bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald en hij, op grond van artikel 12 lid 1 onder b. van de statuten van de vennootschap, een persoon is aan wie de Aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen.

Artikel 9

Bewind

De schenker stelt hierbij een bewind in over de geschonken Aandelen onder het voormelde voorbehoud van het recht van vruchtgebruik vanaf dertig oktober tweeduizendtien of vanaf het moment dat conform het bepaalde in artikel 2 lid 4 letter b of d het recht van vruchtgebruik teniet is gegaan, totdat de jongste van de kinderen de leeftijd van vijfentwintig jaar heeft bereikt, (...)

2.4. Een half uur later, op 31 december 2000 om 13:30 uur, heeft eiser het recht van

vruchtgebruik op de aandelen voor een bedrag van f 450.358 aan de B.V. verkocht en geleverd (hierna ook: de tweede overeenkomst). De akte 'Verkoop en levering van een tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik van aandelen op naam' luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"- Vruchtgebruiker-Verkoper en de koper hebben overeenstemming bereikt over de koop en levering van het hierna te melden tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik van (...) (1851) gewone aandelen in het kapitaal van de Vennootschap, elk groot één gulden (...);

- dat de Aandelen zijn geleverd onder voorbehoud van een tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik, (...) voor de Vruchtgebruiker-Verkoper bij akte verleden op één en dertig december 2000 (...).

Koopsom

Artikel 2

1. De koopsom van het Vruchtgebruik bedraagt (...) (NLG 450.358,--);

2. De Koper heeft de koopsom heden voldaan en in rekening-courant verrekend aan Vruchtgebruiker-Verkoper waarvoor Vruchtgebruiker-Verkoper aan de Koper kwijting verleent."

2.5. Eiser heeft na beide overeenkomsten van 31 december 2000 (hierna samen:de overeenkomsten) zijn resterende belang in de B.V., te weten meer dan 95%, behouden.

2.6. Op 23 mei 2002 heeft de B.V. naar aanleiding van de tweede overeenkomst aangifte dividendbelasting gedaan. In deze aangifte staat vermeld dat de B.V. op 31 december 2000 een opbrengst van f 450.358 (€ 204.363) beschikbaar heeft gesteld en dat dit bedrag over het boekjaar 1999 uit de winstreserves is uitgekeerd. De B.V. heeft f 51.090 (25%) dividendbelasting ingehouden. De aangifte vennootschapsbelasting van de B.V. voor het jaar 2000 vermeldt ter zake:

"[Eiser] heeft vervolgens nog in hetzelfde jaar het tijdelijk recht van vruchtgebruik op deze aandelen verkocht aan [de B.V.] Daarmee heeft [de B.V.] een uitdeling gedaan van f 450.358 aan [eiser]."

De B.V. heeft in de tien aan 31 december 2000 voorafgaande jaren geen dividend uitgekeerd.

De aanslagregeling

2.7. Eiser heeft voor het jaar 2000 aangifte gedaan naar een inkomen van f 81.979. Daarbij heeft hij het bedrag van f 450.358 aangemerkt als inkomsten uit vermogen en daarvoor, voor zover de belastbare som hoger is dan f 48.994, verzocht om toepassing van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB1964), het 45%-tarief.

2.8.Verweerder heeft het bedrag van f 450.358 aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. Als gevolg daarvan is zij als volgt afgeweken van de aangifte:

tabel 1

Hiervan heeft zij f 443.220 belast op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB1964, het 25%-tarief.

Bij het opleggen van de aanslag is het in de aangifte opgenomen bedrag van f 296.392 aan voorheffingen verrekend.

De aanslag is gedagtekend 28 juli 2005 en is bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.9. Daarvóór, op 24 juli 2001, hebben eiser en verweerder een compromis gesloten (hierna: het compromis) waarbij is overeengekomen dat ter zake van door de werkgever van eiser aan eiser toegekende opties f 652.849 meer loon tot het belastbare inkomen van eiser over het jaar 2000 zal worden gerekend en dat f 391.709 meer loonbelasting zal worden verrekend. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met het compromis. Bij brief van 2 september 2005 heeft eiser in verband hiermee een aanvulling op zijn bezwaar gedaan en aan verweerder verzocht het belastbare inkomen met f 652.849 (€ 296.250) te verhogen en f 391.709 (€ 177.750) loonheffing te verrekenen. Verweerder heeft het compromis ook in haar uitspraak op bezwaar niet verwerkt.

3. Geschil

3.1. In geschil is welke gevolgen de overeenkomsten hebben voor eisers belastbare inkomen van het onderhavige jaar en het daarop toe te passen tarief.

3.2. Niet in geschil is dat de waarde van de volle eigendom van de 1.851 aandelen op 31 december 2000 f 452.209 bedroeg. Evenmin is in geschil dat alsnog rekening moet worden gehouden met het in 2.9 verwoorde compromis.

3.3.1. Eiser neemt het standpunt in dat de schenking van de blote eigendom een vervreemding is in de zin van artikel 20a, eerste lid, van de Wet IB1964. De vervreemdingsprijs is gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de blote eigendom van de 1851 aandelen. Eiser stelt deze waarde op de nominale waarde van de aandelen, oftewel f 1.851. Hij wijst erop dat hij na de schenking ruim 95% van de aandelen in volle eigendom heeft behouden. Dit brengt mee dat hij na de schenking van de blote eigendom de feitelijke beschikkingsmacht over alle winstreserves behoudt. Daarom heeft hij ook de waarde van het vruchtgebruik gesteld op het evenredige deel van de totale winstreserves van de B.V., te weten f 450.358.

3.3.2. Eiser neemt voorts het standpunt in dat het bedrag dat hij ter zake van de inkoop van het vruchtgebruik door de B.V. heeft ontvangen, te weten f 450.538, bij hem als inkomsten uit vermogen belastbaar is naar het 45%-tarief. Daardoor kan hij een gelijk bedrag aan rente die hij heeft betaald ter financiering van andere aandelen, waarvan de aftrek door de werking van artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964 was beperkt, alsnog ten laste van zijn belastbare inkomen brengen. Als verweerder als gevolg van de overeenkomsten én winst uit aanmerkelijk belang én inkomsten uit vermogen in de heffing betrekt is er sprake van een onaanvaardbare dubbele heffing.

3.3.3. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 tot gevolg heeft dat eiser winst uit aanmerkelijk belang heeft genoten, verzoekt hij om doorschuiving hiervan op de voet van artikel 20e, eerste lid, van de Wet IB1964.

3.3.4. Eiser bestrijdt verweerders opvatting dat er sprake is van fraus legis, omdat hij f 450.538 aan inkomsten uit vermogen heeft genoten. Dat dit bedrag vervolgens is gesaldeerd met rentelasten doet daaraan niet af. Eiser neemt het standpunt in dat het fiscale resultaat van de overeenkomsten, namelijk dat het uitgedeelde bedrag wordt belast als inkomsten uit vermogen in overeenstemming is met doel en strekking van de Wet IB 1964 (zie HR 15 december 1999, nr. 33830, BNB 2000/126 en HR 25 maart 1998, nr. 30438, BNB 1998/209).

3.3.5. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 714.203, waarvan f 450.538 te belasten naar het 45%-tarief. Subsidiair concludeert hij tot hetzelfde belastbare inkomen geheel op de voet van de tabel te belasten. In beide gevallen dienen de te verrekenen voorheffingen f 688.101 te bedragen.

3.4.1. Verweerder neemt primair het standpunt in dat het van de B.V. ontvangen bedrag is aan te merken als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, omdat de waarde in het economische verkeer van het recht van vruchtgebruik op nihil is te stellen. Dit is in overeenstemming met de aangifte dividendbelasting van de B.V. en een opmerking in de aangifte vennootschapsbelasting van de B.V. voor het jaar 2000 (zie voor beide onderdeel 2.6 van deze uitspraak). Het bedrag vormt daardoor geen inkomsten uit vermogen.

3.4.2. Verweerder neemt voorts het standpunt in dat het voordeel van ? 450.358 ook op grond van artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 belastbaar is, omdat de overeenkomsten in hun samenhang bezien tot gevolg hebben dat er ter zake van de 1871 aandelen geen sprake meer is van een aanmerkelijk belang. Zij acht de doorschuifregeling van artikel 20e, eerste lid, van de Wet IB1964 niet van toepassing.

3.4.3. Verweerder neemt het standpunt in dat de overeenkomsten als één geheel moeten worden gezien. Het economische resultaat van de overeenkomsten is dat de kinderen de blote eigendom van 1851 aandelen bezitten en dat het belang bij de winstreserves eiser nog steeds ten volle aangaan. Als het tijdelijke recht van vruchtgebruik na 10 jaar is afgelopen, hebben de kinderen de volle eigendom en is uiteindelijk de volle eigendom overgedragen als gevolg waarvan winst uit aanmerkelijk belang is gerealiseerd.

3.4.4. Verweerder neemt het standpunt in dat er is sprake van fraus legis omdat doel en strekking van de artikelen 20 en volgende van de Wet IB 1964 worden miskend als de met aandelen gerealiseerde voordelen niet in de aanmerkelijkbelangheffing kunnen worden betrokken. Eiser beoogt slechts inkomsten uit vermogen te creëren, omdat deze naar het 45%-tarief worden belast terwijl daardoor rente tot eenzelfde bedrag aftrekbaar wordt van het progressief te belasten inkomen.

3.4.5. Verweerder neemt subsidiair het standpunt in dat, voor het geval de schenking van de blote eigendom een vervreemding is in de zin van artikel 20a, eerste lid, van de Wet IB1964, de vervreemdingsprijs moet worden bepaald met inachtneming van artikel 6, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Op grond hiervan stelt zij de waarde van de blote eigendom op f 252.966 en de waarde van het vruchtgebruik op f 199.243. De te belasten aanmerkelijkbelangwinst bedraagt in dat geval f 252.966 -/- f 1.851 = f 251.115 en de als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang te belasten uitdeling op f 450.358 -/- f 199.243 = f 251.115.

3.4.6. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vóór de overeenkomsten had eiser de volle eigendom van alle (40.000) aandelen in de B.V. Na de overeenkomsten hadden de kinderen de blote eigendom van 1851 aandelen en was het vruchtgebruik van die aandelen door de B.V. ingekocht. Het moet er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de eerste overeenkomst, waarbij de blote eigendom en het vruchtgebruik van de 1851 aandelen tot stand is gekomen, noodzakelijkerwijs moet zijn gesloten vóór de tweede overeenkomst waarbij het vruchtgebruik van de 1851 aandelen door de B.V. is ingekocht.

4.2. Hierna zal de rechtbank het wettelijke kader weergeven en onderzoeken welke de fiscale gevolgen zijn van de afzonderlijke overeenkomsten. Daarna zal de rechtbank bezien of de aldus geoordeelde gevolgen van de overeenkomsten, gelet op hun onderlinge samenhang in stand moeten blijven. Ten slotte zal de slotsom worden opgemaakt, waarbij ook de tarieftoepassing en het compromis aan de orde komen.

4.3. Het wettelijke kader

4.3.1. Volgens artikel 20a, eerste lid, van de Wet IB 1964 is winst uit aanmerkelijk belang het gezamenlijke bedrag van de voordelen welke worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (onderdeel a; reguliere voordelen) en voordelen welke worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (onderdeel b; vervreemdingsvoordelen).

4.3.2. Artikel 20, zesde lid, onderdeel h, van de Wet IB 1964 bepaalt dat onder de vervreemding van aandelen wordt begrepen het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang.

4.3.3. Volgens artikel 20c, vierde lid, van de Wet IB 1964 wordt - voor zover hier van belang - ingeval bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst als tegenprestatie aangemerkt de waarde welke ten tijde van de vervreemding in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend.

4.3.4. Artikel 20e, eerste lid, van de Wet IB 1964 bepaalt dat op verzoek van de belastingplichtige het voordeel bij de vervreemding vanwege het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a zesde lid, onderdeel h, niet in aanmerking wordt genomen.

4.3.5. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet IB 1964 zijn inkomsten uit vermogen alle niet als winst uit aanmerkelijk belang aan te merken voordelen die worden getrokken uit aandelen. Het tweede lid bepaalt in afwijking daarvan dat, indien ingevolge artikel 20d, artikel 20e, artikel 20f of krachtens een ingevolge artikel 20g gestelde voorwaarde aandelen alleen voor zover betreft vervreemdingsvoordelen geacht worden tot een aanmerkelijk belang te behoren, met betrekking tot die aandelen de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing vindt voor zover die inkomsten uitgaan boven hetgeen aan vervreemdingsvoordelen wordt genoten.

4.3.6. Artikel 31 van de Wet IB 1964 bepaalt dat tot de inkomsten mede behoort hetgeen genoten wordt ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten.

4.3.7. Volgens artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964 worden renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, welke in een kalenderjaar zijn of worden geacht te zijn voldaan ter zake van schulden welke zijn aangegaan ter verwerving van rechten die niet op zaken betrekking hebben, in aanmerking genomen tot ten hoogste het gezamenlijke bedrag dat de belastingplichtige in het jaar aan inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben geniet, nadat die inkomsten zijn verminderd met de overige aftrekbare kosten.

4.4. De eerste overeenkomst

4.4.1. Niet in geschil is dat de volle waarde van de geschonken aandelen op 31 december 2000 f 452.209 bedroeg, te weten de nominale waarde van € 1.851 vermeerderd met een evenredig deel van de winstreserves van de B.V., en dat de verkrijgingsprijs van deze aandelen gelijk was aan de nominale waarde.

4.4.2. De rechtbank is van oordeel dat de schenking van de blote eigendom van de aandelen een vervreemding is in de zin van de artikelen 20a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 20c, vierde lid, van de Wet IB 1964. Gelet op de familierelatie tussen eiser en zijn kinderen en het feit dat er sprake is van een schenking, is er sprake van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst in de zin van het laatstvermelde artikel. Daarom is er sprake van een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor zover de waarde in het economische verkeer van de blote eigendom van 1851 aandelen de verkrijgingsprijs van die aandelen (die gelijk is aan de nominale waarde) overtreft.

4.4.3. Eiser stelt de waarde in het economische verkeer van de geschonken blote eigendom op de nominale waarde van de aandelen, omdat de waardedruk van het vruchtgebruik op de volle eigendom ? 450.358 bedraagt. Hij wijst erop dat een willekeurige derde die de aandelen zou kopen, gelet op de machtspositie die eiser heeft, namelijk een belang van meer dan 95%, na afloop van het vruchtgebruik geen enkel rendement op zijn aandelen kan verwachten.

4.4.4. Verweerder stelt dat het, gelet op de familieverwantschap, zeer wel mogelijk is dat de winstreserves, voor zover deze zijn te relateren aan de geschonken aandelen, geheel aan de kinderen zullen toekomen. Om die reden is de waardedruk van het vruchtgebruik nihil en moet worden uitgegaan van de volle waarde van de aandelen. Voorts wijst zij erop dat de B.V. in het verleden geen dividend heeft uitgekeerd. Ook om die reden is de waardedruk van het vruchtgebruik op de waarde van de volle eigendom op nihil te stellen.

4.4.5. De rechtbank oordeelt dat het bij de waarde in het economische verkeer in het onderhavige geval niet gaat om de vraag welke beste koper er te vinden zou zijn op de markt, maar om de vraag wat de reëel haalbare prijs zou zijn geweest bij de in concreto gesloten overeenkomst, dus met eliminering van de familierelatie tussen verkoper en koper. Of anders gezegd: zijn de kinderen bevoordeeld door de overeengekomen prijs? Een dergelijke benadering is in overeenstemming met de geschiedenis van de totstandkoming van het aan artikel 20c, vierde lid, van de Wet IB 1964 voorafgaande, op dit punt gelijkluidende, artikel 39, vijfde lid, van de Wet IB 1964, waaruit blijkt dat met dit laatste artikel werd beoogd een kunstmatige vergroting van verliezen en verkleining van winsten door onzakelijke transacties met name tussen familieleden te bestrijden. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 20c, lid 4, van de Wet IB 1964 blijkt niet dat de wetgever op dat uitgangspunt is teruggekomen (verg. HR 25 juni 2004, nr. 40067, BNB 2004/348). Gelet op het feit dat er sprake is van een schenking, oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een bevoordeling van de kinderen.

4.4.6. De rechtbank overweegt dat aan eiser kan worden toegegeven dat de blote eigenaren geen rendement op hun aandelen kunnen afdwingen. Aan de andere kant kan geenszins worden uitgesloten dat de B.V. na afloop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik winstuitkeringen aan de dan volle eigenaren van de 1851 aandelen zal doen. Voorts is op het moment van de transactie sprake van een samenwerkende groep. Geen van beide partijen kan aannemelijk maken hoe, uitgaande van een zakelijke verhouding tussen eiser en de blote eigenaren, een reële prognose van het dividend op de aandelen zou moeten luiden.

4.4.7. Voor dergelijke gevallen heeft de wetgever in artikel 21, eerste, zesde achtste en negende lid, van de Successiewet 1956, bepaald dat de waarde in het economische verkeer van hetgeen onder de last van vruchtgebruik wordt verkregen, wordt gesteld op een op basis van de volle waarde van de aandelen op een forfaitaire wijze te berekenen bedrag. In de artikelen 6 en 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 zijn de elementen van deze berekening vastgesteld. Verweerder heeft het subsidiaire standpunt ingenomen dat bij gebrek aan betere aanknopingspunten deze forfaitaire benadering moet worden gehanteerd. De rechtbank volgt dit standpunt. Verweerder heeft de berekening opgenomen in bijlage 13 bij het verweerschrift. De uitkomst daarvan is, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, en de rechtbank ook juist acht f 252.966. Dit brengt mee dat het vervreemdingsvoordeel kan worden gesteld op f 252.966 minus de verkrijgingsprijs van f 1.851, dat is f 251.115.

4.4.8. Aan het oordeel van de rechtbank doet niet af dat eiser het vruchtgebruik van de geschonken aandelen door de B.V. heeft laten inkopen voor ? 450.358, reeds omdat de rechtbank hier slechts de gevolgen van de eerste overeenkomst onderzoekt. Maar ook overigens kan de tegenprestatie voor de inkoop niet zonder meer als uitgangspunt worden gehanteerd, omdat deze niet tussen onafhankelijke partijen tot stand gekomen is.

4.5. De tweede overeenkomst

Bij de tweede overeenkomst heeft eiser het recht van vruchtgebruik op de 1851 aandelen verkocht en geleverd aan de B.V. voor een bedrag van f 450.358. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat bij vervreemding van een tijdelijk vruchtgebruik, zoals dat met ingang van 2001 wel het geval is, aanmerkelijkbelangwinst kan worden geconstateerd, omdat er geen aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen zijn vervreemd dan wel zich een met artikel 20a, zesde lid, van de Wet IB 1964 gelijk te stellen rechtsfeit heeft voorgedaan. Ook van een regulier voordeel, zoals door verweerder is bepleit, is geen sprake. Hetgeen is vermeld in de aangifte dividendbelasting (zie 2.6) en de aangifte vennootschapsbelasting 2002 (zie eveneens 2.6) geeft geen aanleiding om te constateren dat de tweede overeenkomst anders is uitgevoerd dan was overeengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet IB 1964 bij eiser als inkomsten uit vermogen belastbaar.

4.6. De overeenkomsten beoordeeld in hun samenhang

4.6.1 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de overeenkomsten in hun onderlinge verband en samenhang moeten worden bezien. Weliswaar zijn beide overeenkomsten een half uur na elkaar gesloten, maar de rechtbank acht aannemelijk dat de wilsovereenstemming tussen partijen in beide transacties gericht was op het eindresultaat zoals dat na beide overeenkomsten is bereikt en op het fiscale gevolg zoals eiser dat in zijn aangifte heeft verwerkt. De rechtbank zal daarom onderzoeken of de hiervóór geoordeelde gevolgen van de overeenkomsten gelet op hun onderlinge samenhang in stand moeten blijven.

4.6.2. Het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang

4.6.2.1. Verweerder heeft gesteld dat na de overeenkomsten de 1851 aandelen niet meer tot het aanmerkelijk belang van eiser behoren. Zij doet in dit verband een beroep op artikel 20, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 dat bepaalt dat onder de vervreemding van aandelen wordt begrepen het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang. Zij concludeert hieruit dat de aanmerkelijkbelangwinst moet worden berekend met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van de volle eigendom van de 1851 aandelen.

4.6.2.2. De rechtbank overweegt dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat dit artikelonderdeel geschreven is voor situaties van aflopend aanmerkelijk belang en andere situaties waarin een aanmerkelijk belang verwatert. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat het artikelonderdeel ook ziet op gevallen als het onderhavige.

Gelet op dit oordeel behoeven eisers verzoek om toepassing van de in artikel 20e, eerste lid, van de Wet IB 1964 opgenomen doorschuifregeling en verweerders reactie daarop geen bespreking meer.

4.6.3. Dubbele heffing

4.6.3.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffing zoals verweerder voorstaat een dubbele belastingheffing tot gevolg heeft.

4.6.3.2. Verweerder neemt het standpunt in dat van dubbele belastingheffing geen sprake is, omdat de waarde van het vruchtgebruik dat tot de inkomsten uit vermogen wordt gerekend, tot de aftrekbare kosten ter zake van inkomsten uit dat vruchtgebruik kan worden gerekend, welke aftrek overigens door de werking van de artikelen 36, negende lid, en 38, derde lid, Wet IB 1964 is getemporiseerd.

4.6.3.3. Het uiteindelijke resultaat van de overeenkomsten is dat eiser het uit de winstreserves afkomstige bedrag van f 450.358 heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van de Wet IB 1964 enerzijds mee dat het aanmerkelijkbelangregime voorafgaat aan dat van vermogensinkomsten en anderzijds dat het constateren van inkomsten uit vermogen achterwege blijft als hetzelfde voordeel reeds als aanmerkelijkbelangwinst is belast. Het onderhavige geval is geen situatie, waarop het tweede lid van artikel 24 Wet IB 1964 ziet. De rechtbank is van oordeel dat dit ertoe leidt dat slechts een bedrag van f 450.358 minus f 251.115, dat is f 199.243 als inkomsten uit vermogen belastbaar is. De rechtbank merkt hierbij op dat dit resultaat in overeenstemming is met hetgeen verweerder in 4.6.3.2 over de werking van de artikelen 36, negende lid, en 38, derde lid, Wet IB 1964 heeft aangevoerd.

4.6.4. Fraus legis

4.6.4.1. Blijkens constante jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van wetsontduiking wanneer tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. De belastingplichtige verricht rechtshandelingen met als gevolg dat de belasting die bij het achterwege van die rechtshandelingen zou zijn geheven, geheel of ten dele niet kan worden geheven;

b. Voor het aangaan van die rechtshandelingen is de verijdeling van de belastingheffing de beweegreden, althans de doorslaggevende beweegreden;

c. Door de wijze waarop de belastingplichtige heeft getracht de belastingheffing te ontgaan, is hij in strijd gekomen met de strekking van de fiscale wetgeving, in het bijzonder met de strekking van te noemen wetsartikelen.

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, heeft de belastingplichtige op niet-normale wijze gebruik gemaakt van toelaatbare middelen om belasting te ontgaan.

4.6.4.2. Verweerder neemt het standpunt in dat doel en strekking van artikel 20a en volgende van de Wet IB 1964 is om de bij vervreemding van aandelen gerealiseerde winst in de aanmerkelijkbelangheffing te betrekken. Het samenstel van rechtshandelingen lijkt zozeer op de verkoop van de volle eigendom van de 1851 aandelen van de B.V. dat doel en strekking van de Wet IB 1964 worden miskend indien deze heffing niet plaatsvindt. Zij stelt voorts dat de overeenkomsten reële praktische betekenis missen en dat eiser slechts beoogde een belastbare bate te generen, belastbaar naar een tarief van 45%, waardoor voor eenzelfde bedrag aan rente zou kunnen worden afgetrokken naar het tabeltarief van 60%. Aldus frustreert eiser volgens verweerder de renteaftrekbeperking opgenomen in artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964.

4.6.4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Met ingang van 1997 is de belastingheffing van een belastingplichtige die zijn onderneming drijft in de vorm van een B.V. zodanig vormgegeven dat er vennootschapsbelasting wordt geheven over de door de B.V. behaalde winst aangevuld met inkomstenbelasting over de uitgedeelde winst. Vervreemdingswinsten worden in de belastingheffing betrokken om te bereiken dat de belastingplichtige belast wordt voor de voordelen die zich tijdens zijn bezitsperiode van de aandelen hebben voorgedaan. De aanmerkelijkbelangheffing is, anders dan vóór 1997, niet langer te beschouwen als een voorschotheffing op de inkomsten uit vermogen.

4.6.4.4. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van wetsontduiking, omdat met de overeenkomsten is bereikt dat bij eiser uiteindelijk een uit de winstreserves van de B.V. afkomstig bedrag van f 450.358 belastbaar is geworden. Dat daarover belasting kan worden geheven omdat eiser inkomsten uit vermogen heeft genoten in plaats van aanmerkelijkbelangwinst geeft geen aanleiding om strijd met doel en strekking van artikel 20a en volgende van de Wet IB 1964 te constateren. Het tariefverschil tussen inkomsten uit vermogen en aanmerkelijkbelangwinst geeft geen aanleiding anders te oordelen. Ook de omstandigheid dat eiser door de werking van artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964 een rentebedrag ter grootte van de inkomsten uit vermogen kan aftrekken, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel omdat het voorkomen van verdamping van de aftrekmogelijkheid vanwege de aanstaande introductie van de Wet IB 2001 niet ongeoorloofd is (verg. HR 10 maart 1993, nr. 28139, BNB 1993/196).

4.7. Slotsom en tarieftoepassing

4.7.1. Eiser heeft ter zake van de overeenkomsten geen winst uit aanmerkelijk belang aangegeven en f 450.358 inkomsten uit vermogen. Voorts heeft hij in verband daarmee een gelijk bedrag aan rente in aftrek gebracht. De oordelen van de rechtbank hebben tot gevolg dat het aangegeven bedrag zal worden verhoogd met f 251.115 aanmerkelijkbelangwinst (zie 4.4.7), welk bedrag belast is op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB 1964 tegen het 25%-tarief. De aangegeven inkomsten uit vermogen zullen worden verminderd met f 251.115 tot f 199.243 (zie 4.5 en 4.6.3.3). Dit laatste bedrag is belast op de voet van artikel 57, eerste lid, onderdeel h, van de Wet IB 1964, tegen het 45%-tarief. De verlaging van de inkomsten uit vermogen heeft tot gevolg dat de (naar het tabeltarief) in aftrek gebrachte rente met een gelijk bedrag (eveneens met f 251.115) zal worden verlaagd.

4.7.2. Het compromis (zie 2.9 en 3.2) leidt ertoe dat het belastbare inkomen zal worden verhoogd met f 652.849 en dat het in de aangifte opgenomen bedrag van f 296.392 aan te verrekenen voorheffingen wegens meer te verrekenen loonheffing met f 391.709 zal worden verhoogd tot f 688.101.

4.7.3. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het belastbare inkomen als volgt vaststellen:

tabel 2

4.7.4. De hiervóór opgenomen correctie giftenaftrek betreft de in de aangifte afgetrokken giften ex artikel 47, eerste lid, Wet IB 1964 en is als volgt berekend.:

tabel 3

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van bezwaar en beroep heeft moeten maken. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vast op € 1.207,50 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161 en 2 punten voor het beroepschrift en de zitting met een waarde per punt van € 322 en wegingsfactor 1,5). Overige op de voet van het Besluit aan eiser te vergoeden proceskosten zijn niet gesteld.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 967.828 (€ 439.181), waarvan f 251.115 (€ 113.951) te belasten op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB 1964 en f 199.243 (€ 90.413) te belasten op de voet van artikel 57, eerste lid, van de Wet IB 1964, met verrekening van voorheffingen ten bedrage van f 688.101 (€ 312.247);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder de kosten van bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1.207,50 aan eiser te voldoen; en

- gelast dat verweerder het betaalde griffierecht van € 37 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juli 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, mr. T. van Rij en mr. E.J.W. Heithuis in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.