Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
269226 - HA ZA 06-2339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zie tussenvonnis BL8836

Aan de orde is de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres door cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking (...) in de beklagprocedure en door hangende de behandeling in cassatie en de daaropvolgende behandeling door het Gerechtshof in 's-Gravenhage het conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94aSV op een auto te laten voortduren.

Nu niet is komen vast te staan dat eiseres op enig moment (...) eigenaresse van de auto is geworden, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stelling van de Staat dat de blokkerende werking van het beslag meebrengt dat de rechtshandelingen die met betrekking tot de auto zijn verricht nadat inbeslagneming had plaatsgevonden, niet tegen de Staat kunnen worden ingeroepen.

De rechtbank komt evenmin toe aan beoordeling van de vraag of eiseres in de bewijslevering is geslaagd ten aanzien van haar stelling dat de auto voor een te laag bedrag is vervreemd.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van eiseres worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 269226 / HA ZA 06-2339

Vonnis van 18 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF GEBROEDERS [A.] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestiging],

eiseres,

advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 maart 2010 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van 11 maart 2010 van de zijde van [eiseres] aan de rechtbank;

- de brief van 19 maart 2010 van de rechtbank aan beide partijen;

- de brief (met bijlagen) van 12 april 2010 van de zijde van [eiseres] aan de rechtbank;

- de brief van 22 april 2010 van de zijde van de Staat aan de rechtbank;

- de brief van 26 april 2010 van de rechtbank aan beide partijen;

- de akte houdende uitlating na inbrenging bewijsstukken van [eiseres] van 26 mei 2010;

- de antwoordakte na bewijslevering van de Staat van 23 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis van 10 maart 2010 heeft overwogen en beslist.

2.2. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld te berichten of zij bewijs wenst te leveren van haar stellingen (i) dat zij ten tijde van de inbeslagneming van de auto en de voortduring van dit beslag de auto aanvankelijk in lease en nadien in eigendom had en (ii) dat, indien vast komt te staan dat [eiseres] op enig moment na 16 mei 2006 eigenaresse van de auto is geworden, de auto voor een te laag bedrag is vervreemd. Voor het geval [eiseres] bewijs zou wensen te leveren, is zij bij voormeld tussenvonnis tevens toegelaten tot het leveren van bewijs.

2.3. Bij haar brief van 11 maart 2010 heeft [eiseres] gemeld dat zij bewijs wenst te leveren aan de hand van andere bewijsmiddelen dan het horen van getuigen, te weten door het overleggen van schriftelijke stukken. Nadat [eiseres] schriftelijke stukken in het geding had gebracht, heeft de Staat bericht af te zien van het leveren van tegenbewijs.

2.4. De rechtbank constateert dat geen van de door [eiseres] overgelegde stukken haar stelling staaft dat zij ten tijde van de inbeslagneming van de auto en de voortduring van dit beslag de auto aanvankelijk in lease en nadien in eigendom had. [eiseres] heeft de door de rechtbank in genoemd tussenvonnis geconstateerde onduidelijkheid over de gestelde verkoop van de auto door haar, [eiseres], aan Autolease Zeeland B.V. (thans: DutchLease), de gestelde leaseovereenkomst tussen [eiseres] en CéCé Zeist Holding B.V. (dan wel [C.], dan wel [B.]) en de gestelde koop van de auto door [eiseres] van DutchLease niet kunnen wegnemen. Hierbij is het volgende van belang.

2.5. [eiseres] heeft in het geheel geen stukken overgelegd die zien op de gestelde verkoop van de auto door haar aan Autolease Zeeland B.V. en op de gestelde leaseovereenkomst tussen [eiseres] en CéCé Zeist Holding B.V. (dan wel [C.], dan wel [B.]), zodat [eiseres] ten aanzien van deze stellingen om die reden al niet in de bewijslevering is geslaagd.

2.6. Ten aanzien van de gestelde koop van de auto door [eiseres] van DutchLease heeft [eiseres] een e-mailbericht van 9 april 2010 van de heer [F.], teamleider Commerciële Binnendienst van DutchLease Rotterdam, aan mr. Buntsma overgelegd. Hierin is het volgende vermeld:

'(...) Onder verwijzing naar uw faxbericht van 6 april jl. bevestigen wij u voor de goede orde dat de auto met kenteken [kenteken] op 6-12-2006 is verkocht aan Autobedrijf Gebr. [A.] en dat zij daarmee ook eigenaar zijn geworden.

Ter info hebben wij de verkoopfactuur bijgesloten. (...)'

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 12 juni 2006 gesteld dat zij gebruik heeft gemaakt van de koopoptie waardoor zij (weer) eigenaar is geworden van de auto. In een brief van 22 januari 2008 van de heer [G.], financieel manager van DutchLease Nederland, aan mr. Buntsma is het volgende verklaard:

'(...) Zoals u medegedeeld per fax d.d. 17/12/2007 voorzien van onderliggende stukken (factuur en betalinsbewijs) zijn wat ons betreft alle rechten inzake bovengenoemd voertuig [de auto, toevoeging rechtbank] per 30/11/2007 overgedragen aan Autobedrijf Gebr. [A.] B.V. (...)'

2.7. Uit het voorgaande volgt dat de auto volgens [eiseres] vóór 12 juni 2006 door haar is gekocht, terwijl de koop volgens DutchLease Rotterdam op 6 december 2006 zou hebben plaatsgevonden en volgens DutchLease Nederland op 30 november 2007. [eiseres] heeft geen verklaring gegeven voor deze tegenstrijdigheden, zodat zij reeds daarom al niet in haar bewijslevering is geslaagd. Daar komt nog bij dat [eiseres] geen stukken heeft overgelegd die zien op het door de rechtbank in het tussenvonnis van 10 maart 2010 geconstateerde feit dat betaling van de leasevergoedingen door [eiseres] aan DutchLease voortduurden tot na het moment waarop [eiseres] volgens haar eigen stellingen opnieuw eigenaresse van de auto zou zijn geworden (tussen 16 mei 2006 en 12 juni 2006). Evenmin heeft [eiseres] in haar akte houdende uitlating na inbrenging bewijsstukken hiervoor een verklaring heeft gegeven

2.8. Nu niet is komen vast te staan dat [eiseres] op enig moment na 16 mei 2006 eigenaresse van de auto is geworden, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stelling van de Staat dat de blokkerende werking van het beslag meebrengt dat de rechtshandelingen die met betrekking tot de auto zijn verricht nadat inbeslagneming had plaatsgevonden, niet tegen de Staat kunnen worden ingeroepen.

De rechtbank komt evenmin toe aan beoordeling van de vraag of [eiseres] in de bewijslevering is geslaagd ten aanzien van haar stelling dat de auto voor een te laag bedrag is vervreemd.

2.9. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

2.10 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de Staat worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat tot dusverre begroot op € 3.752,-, waarvan € 1.070,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat (drie punten à € 894,-, volgens tarief IV). De over genoemde bedragen gevorderde rente zal als niet weersproken worden toegewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijst de vorderingen af;

3.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 3.752,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

3.3. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.