Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4529

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
10/561 F*
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet tegen faillietverklaring; faillissementskosten. De omschrijving van de onderneming van opposant in het handelsregister en de kennelijk veel voorkomende situatie dat de naam van opposant door een ander wordt gebruikt om bestellingen te doen, moeten voor rekening en risico van opposant blijven. Derden, waaronder aanvragers van het faillissement, moeten op het handelsregister kunnen afgaan. Kosten voor rekening van opposant. Inzake het verzet: zie LJ nr. BN4527.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/365

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

In het faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE BOERDERIJ v/h IN DE DRIE HOOIBARGEN B.V.

ten tijde van de faillietverklaring statutair gevestigd te Zoetermeer,

vestigingsadres: Schansbaan 90,

correspondentieadres: Heuvelweg 4,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Haaglanden onder nummer 27252002,

heeft gefailleerde (hierna te noemen opposant),

procesadvocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot vernietiging van het vonnis van 27 juli 2010, waarbij opposant in staat van faillissement werd verklaard met benoeming van mr. J. Tanger tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. A.S. Douma, advocaat te Rijswijk, als curator.

Procesverloop

De rechtbank heeft bij beschikking van 3 augustus 2010 het vonnis van 27 juli 2010, waarbij opposant failliet werd verklaard, vernietigd. Daarmee is een einde gekomen aan het faillissement.

In de beschikking van 3 augustus 2010 heeft de rechtbank bepaald dat de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, bij latere beschikking zullen worden vastgesteld, terwijl daarbij tevens zal worden beslist over de vraag wie de faillissementskosten zal moeten dragen. Thans zal de rechtbank hiertoe overgaan.

Faillissementskosten

Ingevolge artikel 15 lid 3 Fw dient de rechter die de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt het bedrag van de faillissementskosten vast te stellen en ten laste te brengen van degene die de faillietverklaring heeft aangevraagd, van de schuldenaar, of van beide in een nader te bepalen verhouding.

Zoals overwogen in de beschikking van 3 augustus 2010 heeft opposant zich op het standpunt gesteld dat het salaris en de kosten ten laste van de aanvragers moeten worden gebracht. Aanvragers daarentegen zijn van mening dat het opposant is die de faillissementskosten moet betalen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Terugkijkend en op basis van de stukken en de wetenschap van 3 augustus 2010 is de rechtbank in haar beschikking van 3 augustus 2010 tot de slotsom gekomen dat de faillissementsaanvraag zich tegen een onjuiste vennootschap heeft gericht en dat het faillissement derhalve ten onrechte is uitgesproken.

Het is echter de vraag of dit ten tijde van de faillissementsaanvraag voor aanvragers ook zo duidelijk was of had moeten zijn. De rechtbank acht bij het beantwoorden van die vraag van belang dat de bestellingen van vis en -producten onweersproken telefonisch bij aanvragers zijn gedaan door de chef-kok van restaurant 'In de Drie Hooibargen'. Tevens hebben aanvragers er met juistheid op gewezen dat in het handelsregister opposant de enige vennootschap is met in haar naam de woorden 'In de Drie Hooibargen'. TDV Internet B.V., die thans kennelijk het restaurant exploiteert, voert als handelsnaam wel 'Drie Hooibargen', maar dat is strikt genomen een andere benaming dan 'In de Drie Hooibargen'. Tevens heeft te gelden dat uit het handelsregister niet kenbaar is dat opposant een inactieve vennootschap is. Uit het handelsregister blijkt immers dat op opposant een partycentrum drijft waaronder begrepen de exploitatie van een horecagelegenheid. Dat eerder in het handelsregister, onder vermelding van een ander adres, is vermeld (geweest) dat opposant zich uitsluitend bezighoudt met beheer van eigen vermogen, maakt dat niet anders, nu deze informatie niet langer voor derden zichtbaar is.

Ter zitting heeft de (indirect) bestuurder van opposant, de heer [Y.], nog uitgelegd dat hij grote aantallen facturen ontvangt, gericht aan het restaurant 'In de Drie Hooibargen', waaronder - naast de facturen van aanvragers - facturen van het energiebedrijf en schoonmaakbedrijven. Daaraan heeft hij de suggestie verbonden dat de huidige exploitant gebruik maakt van de naam van opposant om bestellingen te doen, waarna de leveranciers niet aan de exploitant maar aan opposant factureren en de exploitant buiten schot blijft en niet betaalt, terwijl ook opposant niet tot betaling overgaat.

De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van de onderneming van opposant in het handelsregister en de kennelijk veel voorkomende situatie dat de naam van opposant wordt gebruikt om bestellingen te doen, voor rekening en risico van opposant moeten blijven. Derden, waaronder aanvragers, moeten op het handelsregister kunnen afgaan. Nu ook nog is gebleken dat de verkeerde facturering niet eenmalig is voorgekomen, maar voor opposant kennelijk aan de orde van de dag is, is het aan opposant toe te rekenen dat zij onvoldoende duidelijkheid heeft geschapen voor derden, waaronder leveranciers, over de exploitatie van het restaurant 'In de Drie Hooibargen'. Dat op de website van dat restaurant - in ieder geval op 27 juli 2010 - valt te lezen dat het restaurant wordt gedreven door 'Drie Hooibargen B.V.', een kennelijk niet bestaande vennootschap met een sterk op die van opposant gelijkende naam, had voor opposant gezien de hiervoor beschreven situatie eveneens aanleiding moeten zijn om in actie te komen en ervoor te zorgen dat haar rechtsopvolger bij de exploitatie van het restaurant niet derden op een dwaalspoor brengt.

Dat de rechtbank het faillissement niet had mogen uitspreken, zoals opposant nog heeft betoogd en ter zitting is besproken, acht de rechtbank geen houdbaar standpunt. Zoals in de beschikking van 3 augustus 2010 overwogen, was opposant vanaf de ontvangstdatum van de oproep op de hoogte van de tegen haar ingediende faillissementsaanvraag. Dat zij dan niet ter faillissementszitting verschijnt om de situatie toe te lichten, is een keuze die voor rekening en risico van opposant moet blijven. Zij is immers - overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze van de rechtbank - opgeroepen op het in het handelsregister gepubliceerde adres van de vennootschap, welke oproep aantoonbaar is ontvangen. Dat er bij de faillissementsaanvraag geen facturen zijn gevoegd ten bewijze van de stellingen omtrent de vorderingen, is eveneens niet ongebruikelijk. De rechtbank verwijst naar Wessels Insolventierecht I, nr. 1272/73, waaruit blijkt dat er geen voorschriften zijn omtrent hetgeen een verzoekschrift dient in te houden. De schuldeiser zal feiten en omstandigheden moeten stellen die de faillissementstoestand aantonen, waarbij nog geldt dat de rechter slechts een eenvoudig onderzoek uitvoert om te bezien of de schuldenaar voldoet aan wat Wessels de 'faillissementstest' noemt. Aan deze vereisten was in het voorliggende geval voldaan.

Op grond van deze afwegingen zal de rechtbank dan ook de kosten van dit faillissement ten laste brengen van opposant.

Het salaris van de curator en diens verschotten worden vastgesteld op het navolgende bedrag.

BESLISSING:

De rechtbank:

- bepaalt het salaris en de verschotten van de curator op respectievelijk EUR 1.664,52 exclusief BTW (zijnde EUR 1.980,78 inclusief BTW) en EURO 66,58 exclusief BTW (zijnde EURO 79,23 inclusief BTW);

- bepaalt dat het salaris en de verschotten van de curator ten laste komen van opposant.

Gewezen door mr. D.R. van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2010 in aanwezigheid van mr. van mr. B.M.J.W. Robeerst, griffier.

LS58