Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4354

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
AWB 10/10035 en 10/10033
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin-zaak. Italië. Rechtskarakter verzoek tot terugname.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het verzoek van verweerder van 27 januari 2010 te worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Vo 1560/2003, strekkende tot heroverweging van het eerdere verzoek van 24 december 2009. Dit volgt ook uitdrukkelijk uit de formulering van het verzoek van 27 januari 2010 en het daarop volgende rappel van 12 februari 2010. Dat het eerdere verzoek van 24 december 2009 strekt tot overname en het verzoek van 27 januari 2010 strekt tot terugname van verzoeker staat aan dit oordeel, anders dan verzoeker heeft betoogd, niet in de weg. In het bijzonder stelt het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van Vo 343/2003 geen beperkingen aan de reikwijdte van een dergelijk verzoek tot heroverweging. Dat aanvullende elementen een grondslag kunnen zijn voor een verzoek tot heroverweging als hier bedoeld biedt veeleer een aanwijzing dat een verzoek tot heroverweging (mede) een andere grondslag (terugname) mag hebben dan het eerdere verzoek (overname), zoals hier aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/10035 (voorlopige voorziening)

AWB 10/10033 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2010

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum],

nationaliteit Eritrese,

verblijvende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. E.A. Welling,

tegen

de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. F.R. Baeten.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 16 maart 2010 beroep ingesteld, hetgeen is geregistreerd onder nummer AWB 10/10033.

Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 augustus 2010, waarbij verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter oordeelt dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is, anders dan verzoeker heeft verzocht, van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003).

5. Op 27 januari 2010 heeft verweerder, al dan niet bij wijze van heroverweging, de autoriteiten van Italië verzocht verzoeker terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003.

6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003 aan zich had moeten trekken omdat er concrete aanwijzingen bestaan voor twijfel omtrent de vraag of Italië zijn verdragsverplichtingen jegens hem zal naleven. Daarbij heeft verzoeker verwezen naar zijn verklaringen omtrent hetgeen hem is overkomen in Italië. Hij kreeg geen voorzieningen en is lastig gevallen en mishandeld door onbekenden. Verzoeker heeft geprobeerd hiervan aangifte te doen, maar zijn aangifte werd niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft voorts ter nadere onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het rapport van de commissaris voor de rechten van de mens van de Raad van Europa, T. Hammarberg, van 16 april 2009, een rapport van Amnesty International van 28 mei 2009, het artikel “Asiel in Zuid-Europa, het Italiaanse asielsysteem in het kader van de EU-wetgeving”, van mr. A. Ricci Ascoli (NAV, nr. 3, juni 2009, blz. 176-186), verschillende door het EHRM getroffen interim measures uit 2009 en 2010, vragen die op 18 november 2009 door het EHRM zijn gesteld aan Italië, naar een rapport van Human Rights Watch, getiteld “Pushed back, pushed around”, van 21 september 2009, alsmede naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 29 januari 2010 (zaaknummer Awb 10/1452). De procedure in Italië is voorts in strijd met de Opvangrichtlijn, aldus verzoeker. Daarnaast is er een reële mogelijkheid dat hij door Italië gerefouleerd zal worden, terwijl hij in Eritrea een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker wijst er tevens op dat de Italiaanse autoriteiten op 13 januari 2010 uitdrukkelijk hebben laten weten hem niet over te willen nemen. De bestreden beschikking is in dit opzicht onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd en gaat bovendien uit van onjuiste feiten en omstandigheden, aldus verzoeker. Hij heeft namelijk nimmer opzettelijk zijn vingerafdrukken gemanipuleerd en heeft anders dan in het bestreden besluit is gesteld ook niet verzwegen dat hij in Italië heeft verbleven. Verzoeker voert tevens aan dat zijn partner en dochtertje in Nederland verblijven op basis van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, en dat zijn partner van hem afhankelijk is vanwege hun pasgeboren dochtertje. Terugzending naar Italië houdt in dat verzoeker zal worden gescheiden van zijn partner en kind. Verzoeker beroept zich in dit kader op artikel 3, tweede lid, en artikel 15 van Vo 343/2003, alsmede op artikel 8 van het EVRM. Bij brief van 3 augustus 2010 heeft verzoeker zich nog beroepen op een brief van de Churches’ Commission for Migrants in Europe (CCME) van 26 februari 2010, de conclusies van een rapport van het CPT ter zake van een bezoek aan Italië in juli 2009, alsmede uitspraken van, zo volgt uit de bijlagen, deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 8 januari 2010, zaaknummers AWB 09/44674 en AWB 09/46787, alsmede van de nevenzittingsplaats Haarlem van 7 april 2010, zaaknummers AWB 10/4410 en AWB 10/4409 en van 7 mei 2010, zaaknummer AWB 10/821. Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat hij een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning heeft ingediend, waarop nog niet is besloten. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat verweerder veel tijd, bijna drie maanden, heeft genomen voordat hij heeft besloten ter zake van verzoeker bij Italië op grond van Vo 343/2003 een claim te leggen. Voorts is volgens verzoeker onvoldoende duidelijk hoe de vingerafdrukken van verzoeker bij de, geslaagde, afname daarvan op 5 januari 2010 zijn onderzocht. Ten onrechte ontbreken, in tegenstelling tot de poging tot afname op 28 september 2009, foto’s van verzoeker. Verweerder is tot slot niet ingegaan op de afhankelijkheid van familieleden.

7. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

8. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

9. Inzake het beroep van verzoeker op (in)direct refoulement bij overdracht aan Italië, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover thans van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierin niet geslaagd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van verzoeker omtrent hetgeen hem in Italië is overkomen, geen concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel omtrent de vraag of Italië zijn verplichtingen jegens verzoeker zal naleven. Daarbij is van belang dat verzoeker weliswaar bij zijn asielaanvraag heeft aangegeven dat hij in Italië is geweest, maar dat hij niet heeft verklaard, hetgeen op zijn weg had gelegen, dat hij daar asiel had aangevraagd, terwijl uit onderzoek in Eurodac volgt dat hij in Italië wel degelijk als asielzoeker geregistreerd staat. De betrouwbaarheid en de oprechtheid van de verklaringen van verzoeker over wat hem in Italië is overkomen, is hierdoor aangetast. Reeds hierom heeft verweerder, nu verzoeker op dit punt zijn verklaringen ook niet heeft onderbouwd, tot het hier bedoelde standpunt kunnen komen. Hetgeen verweerder overigens ter motivering van zijn hieromtrent ingenomen standpunt heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

11. De verklaring van verzoeker dat hij is lastig gevallen en mishandeld leidt evenmin tot het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij eventuele problemen kan verzoeker zich wenden tot de Italiaanse autoriteiten. De enkele - niet nader onderbouwde en eerst bij de gronden van het beroep naar voren gebrachte - verklaring van verzoeker dat hij heeft geprobeerd aangifte te doen, maar dat de politie hem wegstuurde, is onvoldoende om te concluderen dat de (hogere) Italiaanse autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.

12. Waar verzoeker stelt dat hij bij terugkeer naar Italië het risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM wordt tevens overwogen dat verzoeker, gelet op de beslissing van het EHRM van 2 december 2008 in zaak met nummer 32733/08, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk, JV 2009/41, die klacht bij de Italiaanse autoriteiten naar voren moet brengen en zonodig daarna bij het EHRM, zodat hier in beginsel geen taak is weggelegd voor de Nederlandse autoriteiten. Ook inzake het beroep op de Opvangrichtlijn dient verzoeker zich te wenden tot de Italiaanse autoriteiten. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat in Italië in het algemeen geen effectieve rechtsmiddelen tegen een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM kunnen worden aangewend.

13. Voor zover de gronden van verzoeker zien op het risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting door de Italiaanse autoriteiten, overweegt de voorzieningenrechter, mede onder verwijzing naar voornoemde beslissing van het EHRM van 2 december 2008, dat in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond wordt gevonden voor de stelling dat verweerder zich niet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen beroepen. De voorzieningenrechter ziet zich in zijn oordeel gesteund door een drietal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 oktober 2009, vindplaatsen LJN BK2300, LJN BK2240 en LJN BK2296. Mede in het licht van deze rechtspraak kunnen de rapporten waarnaar verzoeker heeft verwezen, niet leiden tot het oordeel dat concrete aanwijzingen bestaan dat Italië zijn internationale verplichtingen jegens verzoeker niet nakomt. Met betrekking tot de door verzoeker aangehaalde twee uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, overweegt de voorzieningenrechter dat in die uitspraken kennelijk doorslaggevende betekenis is gehecht aan een aantal getroffen interim measures aangaande overdracht naar Italië in het kader van Vo 343/2003. Anders dan in deze twee uitspraken van de nevenzittingsplaats Haarlem en met de Afdeling, zie onder meer de hiervoor aangehaalde uitspraak met vindplaats LJN BK2300, acht de voorzieningenrechter in de door het EHRM opgelegde interim measures geen grond gelegen om te concluderen dat ten aanzien van Italië niet meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, reeds omdat die interim measures niet van een motivering zijn voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis. Dat de President van (de behandelend kamer van) het EHRM vragen heeft gesteld aan de betrokken lidstaten maakt dat niet anders. De getroffen interim measures zelve, waarop verzoeker zich eveneens heeft beroepen, kunnen verzoeker gelet op het vorenstaande eveneens niet baten. De door verzoeker aangehaalde twee uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, betreffen blijkens de inhoud daarvan uitsluitend een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij bij wijze van ordemaatregel de overdracht aan Italië is verboden. Een inhoudelijke beoordeling van de vraag of ten aanzien van Italië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is in deze uitspraken niet gegeven. De uitspraken kunnen verzoeker daarom eveneens niet baten. Dat in meerdere rapporten, waaronder het door verzoeker aangehaalde rapport van het CPT, melding wordt gemaakt van uitzetting van vreemdelingen door Italië aan Libië, vormt eveneens geen concrete aanwijzing dat Italië verzoeker, die wordt overgedragen in het kader van Vo 343/2003, in strijd met het refoulement-verbod zal uitzetten. Ook de vragen die het EHRM op 18 november 2009 aan Italië heeft gesteld, vormen geen concrete aanwijzing in die zin. De uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 29 januari 2010, betreft een niet-gepubliceerde uitspraak die door verzoeker niet is overgelegd, zodat deze uitspraak verzoeker reeds hierom niet kan baten. Voor wat betreft het door verzoeker overgelegde gedeelte van een rapport van het CCME overweegt de voorzieningenrechter voorts dat uit dit gedeelte niet meer valt af te leiden dan dat het CCME verzoekt nader onderzoek te verrichten. Concrete aanknopingspunten in de hier bedoelde zin vallen hieruit reeds daarom niet af te leiden.

14. Verweerder heeft dan ook geen grond hoeven te zien om niet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel vast te houden.

15. Inzake de stelling van verzoeker dat zijn partner en kind in Nederland verblijven en verweerder om die reden de behandeling van zijn asielverzoek aan zich had moeten trekken, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker en zijn partner niet kunnen worden beschouwd als gezinsleden in de zin van artikel 15 van Vo 343/2003. Uit de verklaringen van verzoeker volgt immers dat hij en zijn partner elkaar, na het vertrek van verzoeker uit Eritrea, in Sudan hebben leren kennen en dat derhalve de gezinsband nog niet bestond in het land van herkomst. Om die reden kunnen verzoeker en zijn partner, zo heeft verweerder ter zitting ook terecht gesteld, evenmin als afhankelijke familieleden in de zin van artikel 15, eerste lid, van Vo 343/2003 worden beschouwd. Dat verzoeker en zijn partner in Nederland samen een dochtertje hebben gekregen, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2009, LJN BJ5847. Nu verzoeker voorts eerst in de gronden van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening, zij het niet met gebruikmaking van de term ‘afhankelijke familieleden’, heeft gesteld dat sprake is van afhankelijkheid van verzoeker en zijn vriendin en haar kind, kan geen sprake zijn van een gebrek in de motivering van het bestreden besluit als door verzoeker in dit kader gesteld.

16. Inzake het beroep van verzoeker op artikel 8 van het EVRM, verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2003, LJN AF6645, waaruit volgt dat artikel 8 van het EVRM als zodanig geen rol speelt in een procedure als de onderhavige.

17. Voor zover verzoeker met het stellen dat hij een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning heeft ingediend reeds een beroepsgrond, dan wel een grond waarop het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, heeft willen formuleren, overweegt de voorzieningenrechter dat het gegeven dat een dergelijke aanvraag is ingediend binnen het kader van deze procedure en het daarin toepasselijke recht geen betekenis heeft. Het betoog behoeft derhalve geen verdere bespreking.

18. Het betoog van verzoeker dat hij bij terugkeer naar Eritrea een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, kan evenmin slagen nu de onderhavige procedure enkel betrekking heeft op de vraag welk land verantwoordelijk is voor het door verzoeker in Nederland ingediende asielverzoek. Verzoeker kan zijn asielmotieven bij de Italiaanse autoriteiten naar voren brengen.

19. Met betrekking tot de stelling dat verweerder veel tijd, bijna drie maanden, heeft genomen voordat hij heeft besloten ter zake van verzoeker bij Italië op grond van Vo 343/2003 een claim te leggen, overweegt de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat bedoelde claim door verweerder gelet op het bepaalde in Vo 343/2003 tijdig is gelegd. Mede tegen deze achtergrond valt zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet in te zien waarom het niet eerder dan op 24 december 2009 door verweerder leggen van de claim onrechtmatig is.

20. Met betrekking tot de gestelde gebrekkige inzichtelijkheid van het onderzoek naar de vingerafdrukken van verzoeker op 5 januari 2010, overweegt de voorzieningenrechter dat geen rechtsregel voorschrijft dat bij een dergelijk onderzoek foto’s van (de handen van) verzoeker dienen te worden genomen. Het nemen van foto’s van verzoeker bij de poging tot afname op 28 september 2009 hield voorts kennelijk verband met de door verweerder gestelde beschadiging van de vingertoppen van verzoeker, waardoor op dat moment geen bruikbaar dactyloscopisch signalement kon worden verkregen. Bij de afname op 5 januari 2010 was geen sprake van omstandigheden waardoor geen bruikbaar dactyloscopisch signalement kon worden verkregen, zodat kennelijk ook geen aanleiding bij verweerder bestond tot het nemen van foto’s. Deze handelwijze is niet onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig te achten.

21. Verzoeker heeft aangevoerd dat de Italiaanse autoriteiten op 13 januari 2010 hebben aangegeven hem niet over te nemen en zijn asielverzoek niet in behandeling te nemen. Mede in reactie op deze stelling van verzoeker heeft verweerder ter zitting, zakelijk weergegeven, het volgende betoogd. Verweerder heeft op 24 december 2009 een verzoek gedaan tot overname van verzoeker. Op dit verzoek is op 13 januari 2010 een negatieve reactie ontvangen van de Italiaanse autoriteiten. Intussen had verweerder op 5 januari 2010 een bruikbaar dactyloscopisch signalement van verzoeker kunnen verkrijgen. Op grond hiervan is nadien gebleken dat dit signalement voorkomt in de Eurodac-databank en dat verzoeker in Italië voorafgaand aan binnenkomst in Nederland reeds een asielaanvraag had gedaan. Verweerder heeft vervolgens op 27 januari 2010, tijdig, een verzoek tot heroverweging als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nummer 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 1560/2003), waarbij de resultaten van het onderzoek in Eurodac zijn meegezonden. Voor de reactie op een dergelijk verzoek tot heroverweging geldt geen (fatale) termijn, uitsluitend is bepaald dat de aangezochte lidstaat zich beijvert om binnen twee weken te antwoorden. Gelet op de uit de Eurodac-databank verkregen gegevens strekt het verzoek thans tot terugname van verzoeker. Italië heeft op het verzoek van 27 januari 2010 op 19 mei 2010 geantwoord, waarbij uitdrukkelijk is verklaard dat Italië instemt met de terugname van verzoeker. Volgens verweerder betekent het vorenstaande dat, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, niet eerder dan op 19 mei 2010 instemming van de Italiaanse autoriteiten is verkregen. De termijn voor overdracht van verzoeker beloopt derhalve zes maanden na deze datum, derhalve tot en met 19 november 2010. Indien en voor zover de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat aan het bestreden besluit in dit verband een gebrek kleeft dat tot vernietiging van het bestreden besluit zou leiden, verzoekt verweerder gelet op het vorenstaande de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

22. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van Vo 1560/2003 kan wanneer de verzoekende lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, de verzoekende lidstaat vragen dat zijn verzoek opnieuw wordt onderzocht. Van deze mogelijkheid moet gebruik worden gemaakt binnen drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord. De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden. Deze aanvullende procedure leidt er in geen geval toe dat de in artikel 18, eerste en zesde lid, en artikel 20, eerste lid, onder b, van Vo 343/2003 bedoelde termijnen opnieuw ingaan.

23. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het verzoek van verweerder van 27 januari 2010 te worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Vo 1560/2003, strekkende tot heroverweging van het eerdere verzoek van 24 december 2009. Dit volgt ook uitdrukkelijk uit de formulering van het verzoek van 27 januari 2010 en het daarop volgende rappel van 12 februari 2010. Dat het eerdere verzoek van 24 december 2009 strekt tot overname en het verzoek van 27 januari 2010 strekt tot terugname van verzoeker staat aan dit oordeel, anders dan verzoeker heeft betoogd, niet in de weg. In het bijzonder stelt het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van Vo 1560/2003 geen beperkingen aan de reikwijdte van een dergelijk verzoek tot heroverweging. Dat aanvullende elementen een grondslag kunnen zijn voor een verzoek tot heroverweging als hier bedoeld biedt veeleer een aanwijzing dat een verzoek tot heroverweging (mede) een andere grondslag (terugname) mag hebben dan het eerdere verzoek (overname), zoals hier aan de orde. Uit het voorgaande volgt, gelet op de in genoemd artikelonderdeel gebezigde bewoordingen, welke duidelijk afwijken van de dwingende bewoordingen in bijvoorbeeld de artikelen 18, eerste en zesde lid, van Vo 343/2003, dat het antwoord op een dergelijk verzoek niet is gebonden aan een beslistermijn. Van fictieve instemming als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003 kan bij gebreke van een dergelijke beslistermijn geen sprake zijn.

24. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003 (vanaf 12 februari 2010) vaststaat. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook op een rechtens onjuist standpunt, hetgeen strijd oplevert met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep zal hierom dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

25. De voorzieningenrechter zal thans, vanuit het streven naar finale geschilbeslechting, beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat verweerder ter zitting heeft gesteld, gelet op het vorenoverwogene terecht, dat geen sprake is geweest van een fictief akkoord als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 343/2003. Dit betekent, zo heeft verweerder eveneens terecht gesteld, dat niet eerder dan door de uitdrukkelijke instemming van de Italiaanse autoriteiten bij brief van 19 mei 2010 is komen vast te staan dat Italië gehouden is verzoeker terug te nemen. Gelet op het, dwingend geformuleerde, artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van Vo 343/2003 heeft verweerder voorts terecht gesteld dat de termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan Italië zes maanden bedraagt na 19 mei 2010, derhalve loopt tot en met 19 november 2010. De ter zitting door verweerder gegeven motivering kan het door verweerder ingenomen standpunt dat Italië gehouden is verzoeker terug te nemen, voor zover dit standpunt in het bestreden besluit als hiervoor overwogen gebrekkig was gemotiveerd, dragen.

26. De voorzieningenrechter ziet gelet op het vorenoverwogene aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, nu uitgesloten moet worden geacht dat een nieuw door verweerder te nemen besluit tot een voor verzoeker gunstiger resultaat zal leiden.

27. Van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek als door verzoeker gesteld is, behoudens het overwogene in alinea 24, gelet op al het voorgaande voorts geen sprake.

28. Gelet op al het voorgaande bestaat aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, alsmede te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven. Het voorgaande brengt voorts mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

29. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.311,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

30. Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

31. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 maart 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.311,00;

- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier;

- wijst af het verzoek om een voorlopige voorziening.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. F.T.H. Langeweg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2010.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: