Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4161

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09-926025-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door het slachtoffer met een mes meerdere malen in de rug en het lichaam te steken. Dit gebeurde in een ijssalon, midden op de dag, in het bijzijn van een aantal andere klanten van de ijssalon. Verdachte werd door het slachtoffer aangesproken op zijn storende gedrag en reageerde op de herhaalde verzoeken om daarmee op te houden of naar buiten te gaan in eerste instantie met woorden en in tweede instantie door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van het slachtoffer, die hem daarop heeft vastgepakt en tegen de grond heeft gewerkt. Verdachte ging door met het maken van stekende bewegingen en heeft het slachtoffer ook daadwerkelijk gestoken, vanuit zijn liggende positie op de grond. Dat het daarbij is gebleven en dat de dood niet is ingetreden, is een gelukkige omstandigheid, die niet aan verdachte is te danken: het slachtoffer en anderen hebben het mes van hem hebben afgepakt en hem de ijssalon uitgewerkt. Gevangenisstraf 24 maanden met aftrek; tbs met dwangverpleging. Vordering tot schadevergoeding benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/926025-09

Datum uitspraak: 17 augustus 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1965,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Zuid Oost, HvB Roermond" te Roermond.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 maart 2010, 8 juni 2010 en 3 augustus 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.R. Knobbout en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. E.J.P. Nolet, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 november 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [A] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in de rug en/of het lichaam van die [A] en/of (meerdere) zwaaiende en/of stekende bewegingen in de richting van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [A] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 november 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of (meerdere) zwaaiende en/of stekende bewegingen in de richting van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [A] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 november 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [A]), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of die [A] in zijn borst en/of buik, althans het lichaam, heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte gepoogd heeft [A] opzettelijk van het leven te beroven door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gesteld dat verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het verwijt dat hij opzettelijk [A] van het leven wilde beroven.

De raadsman heeft zich in zoverre op het standpunt gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet anders kon dan zich verdedigen tegen [A], die de situatie heeft doen escaleren door onnodig te reageren op verdachte, terwijl hij verdachte beter met rust had kunnen - en moeten - laten. [A] heeft verdachte zonder enige noodzaak vastgepakt om hem de zaak uit te zetten. Daardoor ontstond er een worsteling waarbij verdachte op de grond terecht kwam en is overmeesterd door meerdere personen.Het is volgens de raadsman aannemelijk dat verdachte pas het mes ter hand heeft genomen toen hij op de grond werd gewerkt.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het steken van verdachte voortkwam uit een hevige gemoedstoestand welke ontstond toen [A] hem tegen de grond wierp en hij overweldigd werd door diverse personen en geen uitzicht meer zag uit de situatie te geraken anders dan met het door hem gebruikte geweld.

Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er was van putatief noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte dwaalde omtrent de aanwezigheid van een noodweersituatie. In zijn belevingswereld, waarin hij denkt dat er allerlei mensen zijn die hem kwaad willen doen, meende verdachte zich te moeten verdedigen tegen [A] en degenen die hem op de grond werkten en daar hielden.

De raadsman heeft ten aanzien van het subsidiaire en meer subsidiaire verweer geconcludeerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging 1*

De rechtbank gaat op grond van de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op vrijdag 27 november 2009 omstreeks 12.15 uur bevond [A] zich in ijssalon [ijssalon] te 's-Gravenhage.2* Terwijl hij bij de koffiebalie stond kwam verdachte de ijssalon binnen. Verdachte liep wat in zichzelf te mompelen. [A] hoorde iets met de bewoording "kanker".3* Verdachte ging zitten en bleef de woorden "kanker" herhalen. Hij deed dat eerst in zichzelf en dan ineens luidruchtig.4* [A] vroeg verdachte om ermee op te houden. Verdachte bleef "kanker"roepen. [A] heeft nogmaals gevraagd of verdachte op wilde houden met schelden en heeft gezegd dat verdachte anders maar mee naar buiten moest gaan.5* Verdachte reageerde daarop door te zeggen dat [A] zich niet met hem diende te bemoeien.6* Vervolgens stelde [A] voor om samen buiten hun koffie op te drinken. Omdat verdachte zei niet mee te willen gaan, was [A] van plan verdachte bij zijn jasje te pakken. Verdachte sloeg de hand van [A] weg en zei "blijf van me af".7* Direct daarop ontstond er een worsteling waarbij verdachte en [A] samen op de grond terecht kwamen.8* Daar is [A] meermalen met een mes geraakt.9* [A] heeft samen met [B] en een onbekend gebleven derde persoon verdachte het mes afhandig gemaakt en hem naar buiten gewerkt.10* Op de plaats delict heeft de politie een mes met een lemmetlengte van 9,5 centimeter aangetroffen.11* Verdachte heeft verklaard dat dit mes zijn eigendom was.12*

Verbalisanten hebben geconstateerd dat er in de jas van [A] een snee zat van 4 centimeter lang aan de buitenkant en 1,5 centimeter lang aan de binnenkant. In het sweatshirt van [A] zal op diezelfde plaats een snee. Voorts zagen zij op de linkerschouder van [A] een kleine wond. Op de buik en borst van [A] constateerden verbalisanten twee dunnen rode verkleuringen.13*

[A] heeft verklaard dat verdachte direct na het wegslaan van zijn hand opstond, een mes ter hand nam en op hem afkwam.14* Vervolgens zou verdachte met het mes diverse steekbewegingen in zijn richting hebben gemaakt, met een van boven naar beneden prikkende beweging.15* [A] heeft voorts verklaard dat hij verdachte tien seconden heeft geprobeerd van zich af te houden, alvorens hem naar de grond te hebben gewerkt.16* [A] heeft verklaard dat verdachte hem toen meerdere malen in zijn nek en/of schouder stak dan wel wilde steken.17*

De getuige [B] heeft verklaard dat hij iemand hoorden zeggen "Wil je me steken ofzo?".18* Deze getuige heeft gezien [A] en verdachte met elkaar in gevecht waren. Hij zag dat een van de twee een mes in zijn hand had en dat omstanders riepen "Mes, mes, mes!". Vervolgens zag deze getuige dat [A] en verdachte op de grond vielen.19*

De getuige [C] heeft verklaard dat hij verdachte en [A] zag vechten en dat zij op de grond vielen. Direct daarna zag hij dat [verdachte] een mes in zijn hand had.20*

De rechtbank leidt hier uit af, dat verdachte - voordat hij met [A] op de grond viel - reeds het mes in zijn hand heeft gehad en daarmee ook op dat moment al meerdere steekbewegingen in de richting van [A] heeft gemaakt.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [A]. Door, zoals hij dat heeft gedaan, verschillende malen, in een kennelijke staat van razernij, stekende bewegingen te maken in de richting van [A], terwijl hij op die [A] afliep en nadat hij door die [A] op de grond was gewerkt en daar samen met [A] lag, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij [A] het gevolg van de dood zou kunnen intreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het steken van een mes in de torso van het menselijke lichaam dodelijk letsel tot gevolg kan hebben. De rechtbank slaat voorts acht op het feit dat uit de verklaringen van aangever en de getuigen volgt dat verdachte niet alleen veel stekende bewegingen maakte, maar dit ook met kracht deed en daar pas mee is gestopt nadat [A] en anderen het mes van hem hadden afgepakt en hem de ijssalon hadden uitgewerkt. Dat het slechts bij een poging tot doodslag is gebleven, is dan ook niet te danken aan verdachte.

3.4 De bewezenverklaring

Dat:

hij op 27 november 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [A] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, meermalen, heeft gestoken in de rug en het lichaam van die [A] en meerdere zwaaiende en stekende bewegingen in de richting van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [A] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Uit hetgeen onder 3. is weergegeven volgt reeds dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat verdachte werd aangesproken door [A], dat vervolgens heen en weer werd gepraat - waarbij verdachte duidelijk kenbaar maakte dat hij niet van plan was zijn gedrag te veranderen of naar buiten te gaan - dat [A] verdachte bij zijn jasje wilde pakken en dat verdachte toen direct daarop [A]s hand van zich afsloeg. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat zij van oordeel is dat verdachte meteen daarop een mes in zijn rechterhand had en dat hij, ook voordat hij door [A] werd opgepakt en op de grond werd gewerkt, stekende bewegingen met dat mes heeft gemaakt in de richting van [A].

Deze omstandigheden staan aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg wegens het ontbreken van de vereiste ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding als bedoeld in art. 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Verdachte weerde [A] weliswaar af, maar het aanspreken van [A] op verdachtes gedrag en het door hem proberen om verdachte bij zijn jasje te pakken leveren geen feitelijke aantasting van verdachtes eigen lijf, eerbaarheid of goed op, zodanig dat zij kunnen gelden als een aanranding of een onmiddellijk dreigende aanranding die een noodweerhandeling rechtvaardigt. Integendeel, verdachte heeft, door direct [A] van zich af te slaan en vervolgens meteen stekende bewegingen met een mes te maken in de richting van het lichaam van die [A], zelf de situatie geschapen waarin hij uiteindelijk is overmeesterd door [A] en een aantal andere bezoekers van de ijssalon. De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Het voorgaande impliceert dat - ook voor zover verdachte meende zich te moeten verdedigen op een later moment dan hiervoor bedoeld - sprake is geweest van een situatie van culpa in causa die in de weg staat aan het aannemen van een strafuitsluitingsgrond.

Het door de verdediging gedane beroep op noodweer(exces) faalt dus bij gebreke aan ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die een noodweersituatie in zich bergt. Ook het beroep op putatief noodweer kan evenwel niet slagen nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar heeft gedwaald omtrent het desondanks bestaan van zo'n situatie in de beleefwereld van verdachte. Dat verdachte, onder meer tijdens de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting van 11 maart 2010, heeft verklaard dat hij last heeft van de Haagse onderwereld die hem lastig valt, leidt niet tot een ander oordeel. Verdachte heeft zich toen, alsook eerder tegenover de politie op 27 november 2009 voorafgaande aan zijn inverzekeringstelling en tegenover de politie op 2 december 2009 alsmede tegenover de rechter-commissaris voorafgaande aan zijn inbewaringstelling op 30 november 2009, in het geheel niet dan wel enkel in algemene termen geuit over (zijn angst voor) die Haagse onderwereld. Uit niets volgt dat verdachte ten tijde van het maken van zijn steekbewegingen in de ijssalon daadwerkelijk in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat [A] daarvan deel uitmaakte of daarmee op enigerlei wijze een relatie had.

Het voorgaande betekent dat niet alleen het bewezenverklaarde feit maar ook verdachte strafbaar is.

6. De straf en maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging onvoldoende is onderbouwd door de deskundigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat psycholoog G.M. Jansen in zijn rapport, d.d. 7 februari 2010, aangeeft dat voor een TBS advies onvoldoende recente informatie omtrent verdachte zijn persoonlijkheid aanwezig is. Dit strookt volgens de raadsman niet met de conclusie van psychiater R.J.H. Winter, die in zijn rapport, d.d. 31 januari 2010, wel concludeert tot TBS met dwangverpleging. Voorts stelt de raadsman dat Winter bij de beantwoording van de vraagstellingen in het rapport een volledige ontoerekeningsvatbaarheid lijkt te bepleiten, maar dat hij zulks in zijn conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid anders typeert, namelijk als verminderd toerekeningsvatbaar. De raadsman stelt dat Winter onvoldoende heeft onderbouwd waarom behandeling middels de GGZ of een psychiatrisch ziekenhuis geen afdoende alternatieven zouden zijn.

De raadsman bepleit voorts dat opname in een psychiatrisch ziekenhuis een betere oplossing voor verdachte zou zijn waarbij hij zicht heeft op genezing, in tegenstelling tot de gevorderde, mogelijk levenslange, terbeschikkingstelling.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door het slachtoffer met een mes meerdere malen in de rug en het lichaam te steken. Dit gebeurde in een ijssalon, midden op de dag, in het bijzijn van een aantal andere klanten van de ijssalon. De steekpartij geschiedde derhalve op een plaats en een tijd waar mensen komen om te ontspannen en waarop zij niet kunnen en hoeven te verwachten dat zij getuige zijn van een steekpartij als de onderhavige. Dit soort feiten draagt, zeker als zij onder deze omstandigheden wordt gepleegd, bij aan de versterking van bestaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Verdachte werd door het slachtoffer aangesproken op zijn storende gedrag en reageerde op de herhaalde verzoeken om daarmee op te houden of naar buiten te gaan in eerste instantie met woorden en in tweede instantie door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van het slachtoffer, die hem daarop heeft vastgepakt en tegen de grond heeft gewerkt. Verdachte ging door met het maken van stekende bewegingen en heeft het slachtoffer ook daadwerkelijk gestoken, vanuit zijn liggende positie op de grond. Dat het daarbij is gebleven en dat de dood niet is ingetreden, is een gelukkige omstandigheid, die niet aan verdachte is te danken: het slachtoffer en anderen hebben het mes van hem hebben afgepakt en hem de ijssalon uitgewerkt.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Hij heeft getoond geen respect te hebben voor het menselijk leven. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Gelet op de schriftelijke slachtofferverklaring, d.d. 12 mei 2010, van [A] en hetgeen het slachtoffer ter zitting van 3 augustus 2010 naar voren heeft gebracht is het slachtoffer zeer geschrokken van hetgeen hem is overkomen en ondervindt hij daarvan nog dagelijks last. Hij heeft er bovendien een sterk gevoel van onveiligheid aan overgehouden en is bang verdachte ooit weer op straat tegen te komen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 30 november 2009 betreffende verdachte. Daaruit komt naar voren dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor geweldsfeiten, waaronder voor een van de ernstigste levensdelicten die ons Wetboek van Strafrecht kent.

De rechtbank acht zich op basis van de met betrekking tot de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapporten van:

- psycholoog G.M. Jansen, d.d. 7 februari 2010,

- psychiater R.J.H. Winter, d.d. 31 januari 2010,

- psycholoog J.B. Seinen, psychiater in opleiding G.T. Blok en psychiater P.K.J. Ronhaar, d.d. 15 mei 2008,

- psychiater R.J.H. Winter, d.d. 18 juli 2003,

- psycholoog J.M. Schrijer, d.d. 11 juli 2003

voldoende geïnformeerd omtrent de persoonlijkheid en de geestvermogens van de verdachte voor en ten tijde van het gepleegde delict.

De rechtbank overweegt in dit opzicht ten overvloede dat zij zich realiseert dat de op te leggen maatregel van TBS in casu uitsluitend gefundeerd zal kunnen worden op de twee eerstgenoemde deskundigenrapportages.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de navolgende overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen die hieronder zakelijk samengevat zijn weergegeven.

In het Pro-justitie rapport d.d. 31 januari 2010, opgemaakt en ondertekend door psychiater R.J.H. Winter, staat vermeld dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis alsmede een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Voorts is er geconstateerd dat er sprake is van een waanstoornis naast een persoonlijkheidsstoornis. Vermoed wordt dat zulks een belangrijke rol heeft gespeeld ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit. Voorts zijn er aanwijzingen dat de genoemde stoornis en de gebrekkige ontwikkeling de gedragskeuzes en de gedragingen van verdachte grotendeels (zo niet volledig) hebben beïnvloed. Verdachte leek evenwel nog wel enigszins in staat zijn wil in vrijheid te kunnen bepalen. De psychiater adviseert verdachte daarom te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar. Voorts lijkt er sprake van een zeer langdurig en terugkerend patroon van zeer prominente pathologische achterdocht, hetgeen reeds meerdere keren aanleiding is geweest tot recidive. Deze reeds aanwezige achterdocht blijkt door een langdurige drang naar middelengebruik toe te nemen. De psychiater adviseert tot oplegging van tbs met dwangverpleging.

In het Pro-justitie rapport d.d. 7 februari 2010, opgemaakt en ondertekend door psycholoog G.M. Jansen, staat dat door het niet mee willen werken aan onderzoeken door verdachte niet is vast te stellen of de paranoïde waan van verdachte samenhangt met middelengebruik. Verdachte is een zorgmijnende, op vele levensterreinen disfunctionerende man die geen enkel zicht heeft op zijn gedrag. Voorts is het de psycholoog niet duidelijk of het niet mee werken aan onderzoeken (pathologisch) verband houdt met een ziekelijke stoornis van de geestvermogen of dat het een meer weloverwogen weigering is vanuit een procespositie. De psycholoog stelt dat het advies ingewikkeld is. De psycholoog heeft een voorkeur voor verwijzing van verdachte naar het Pieter Baan Centrum voor klinische observatie, maar stelt tegelijkertijd de vraag wat de meerwaarde van dergelijk onderzoek zou kunnen zijn omdat betrokkene ten tijde van een eerdere observatie aldaar niet heeft meegewerkt en men toen niet tot beantwoording van de vraagstelling en een advies is gekomen. Voor de psycholoog is de tweede optie dat verdachte vanwege het vermoeden van een ziekelijke stoornis (paranoïde psychotische waan) welke waarschijnlijk verband houdt met het bewezenverklaarde, en op basis van het gevaarscriterium, een TBS met dwangverpleging wordt opgelegd, met de kanttekening dat zij meent dat zij daarvoor onvoldoende recente informatie heeft. De psycholoog stelt dat het aan de rechtbank is hierin een afweging te maken.

De rechtbank neemt de conclusies van de hiervoor genoemde deskundigen Winter en Jansen over en maakt deze tot de hare.

Reeds in het Pro-justitie rapport d.d. 15 mei 2008, opgemaakt en ondertekend door psycholoog J.B. Seinen, psychiater in opleiding G.T. Blok en psychiater P.K.J. Ronhaar, staat dat bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis in de vorm van een pathologische paranoïde waan die op vrijwel alle levensterreinen van verdachte doortrok. Ook toen viel niet uit te sluiten dat de weigering van verdachte om mee te werken aan onderzoek (deels) samenhing met deze stoornis. Vanwege deze weigering tot medewerking en het gebrek aan aanwijzingen in de toenmalige processen-verbaal was het niet mogelijk te beoordelen of er ten tijde van de toenmalige tenlastelegging sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bij verdachte. Om die reden kon men destijds ook vanuit psychiatrisch oogpunt geen aanbeveling doen voor een op te leggen straf en/of maatregel.

In het eerdere Pro-justitie rapport d.d. 18 juli 2003, opgemaakt en ondertekend door psychiater R.J.H. Winter, staat dat verdachte geleidelijk een paranoïde waanstoornis heeft ontwikkeld en zich daardoor constant achtervolgd en bespioneerd voelt, hetgeen zijn gedragingen naar zijn omgeving beïnvloedt. Deze paranoïde waanstoornis werd gevoed door verdachtes cannabisgebruik.

De psychiater adviseerde destijds om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

In het nog oudere Pro-justitie rapport d.d. 11 juli 2003, opgemaakt en ondertekend door psycholoog J.M. Schrijer, staat dat verdachte achtervolgingsideeën heeft gekregen. Voorts werd zijn sociale omgang gedomineerd door achterdocht en vijandigheid. Daarnaast waren er tekenen van depressie, neerslachtigheid, teruggetrokken gedrag, inefficiënte probleemaanpak, lusteloosheid en piekeren. Ook werd er geacht aan een grote kans op recidive en was er sprake van cannabisafhankelijkheid en cocaïnemisbruik.

De psycholoog achtte verdachte ten aanzien van het toenmalige tenlastegelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Met inachtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de voornoemde gedragsdeskundigen van eerdere data en gefundeerd op die van voormelde psycholoog Jansen van 7 februari 2010 en psychiater Winter van 31 januari 2010 is de rechtbank van oordeel dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar is te achten en voorts dat voldaan is aan het gevaarscriterium ten aanzien van verdachte.

De raadsman heeft betoogd dat oplegging van TBS met dwangverpleging achterwege dient te blijven en heeft verzocht om de maatregel tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen. De beschouwingen, conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen geven echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het bewezenverklaarde verdachte wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens (in het geheel) niet kan worden toegerekend. De maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis kan daarom niet aan de orde zijn.

De rechtbank is wel van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, mede gelet op het door voornoemde gedragsdeskundigen geconstateerde gevaar voor recidive, eisen dat - naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdachte wordt opgelegd, met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis en/of ziekelijke stoornis en dat het feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

De rechtbank heeft in navolging van hetgeen bij pleidooi namens verdachte is aangevoerd tbs met voorwaarden overwogen, maar zal de suggestie voor deze modaliteit niet volgen. Immers, er is geen plan van aanpak voorhanden met de te stellen voorwaarden en hoe deze voorwaarden zouden dienen te worden nageleefd. Daarnaast heeft verdachte tot op heden geen enkele medewerking willen verlenen aan enige hulpverlening en wordt hij door deskundigen getypeerd als zorgmijnend. Het beduidend meer vrijblijvende karakter van een tbs met voorwaarden is daardoor niet geschikt voor de persoon van de verdachte waardoor een tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1 [A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3680,00.

7.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3680,00, subsidiair 46 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat ten aanzien van de post "verlies arbeidsvermogen" de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat deze post onvoldoende met stukken is onderbouwd en dientengevolge dusdanig niet eenvoudig van aard is dat dit deel van de vordering zich niet leent voor behandeling in onderhavige strafzaak. Het overige deel van de vordering wordt niet door de raadsman bestreden.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post "verlies arbeidsvermogen", de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering zal de rechtbank derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de overige posten, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 750,00, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een totaalbedrag van € 1180,00.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1180,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 13, 36f, 37b, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van € 1180,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1180,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.S.I. van Delden, voorzitter,

P. Poustochkine en L. Alwin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2010.

Mr. A.S.I. van Delden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld de bundels ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, 1512/2009/60174.

2* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 1

3* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 4

4* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 5

5* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 6 en 7;

6* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 6 en 7;

7* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 7

8* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 7

9* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 8

10* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 9;

11* Proces-verbaal tactisch onderzoek wapen, p. 54-55

12* Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 67

13* Proces-verbaal van aangifte, p. 26

14* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 7

15* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 7

16* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 7

17* Proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechtercommissaris, d.d. 17 mei 2010, [A], punt 20

18* Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 39

19* Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 39

20* Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 44