Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4129

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/2101 VPB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Vergrijpboete.

Op basis van de uitkomsten van een boekenonderzoek wordt aan eiseres een navorderingaanslag vennootschapsbelasting en aan de directeur en enige aandeelhouder (DGA) van eiseres een navorderingaanslag inkomstenbelasting opgelegd. Bij beide navorderingsaanslagen worden vergrijpboeten opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de basishandelingen die ten grondslag liggen aan het opleggen van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting niet kunnen worden aangemerkt als een complex van handelingen die door eiseres en de DGA samen zijn verricht zijn maar geheel moeten worden toegerekend aan de DGA. Omdat de DGA daarvoor ook is beboet, is voor het opleggen van een boete aan eiseres geen plaats. Het beroep is daarom gegrond en de boete wordt vernietigd.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/2101 VPB

Uitspraakdatum: 13 juli 2010

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 129.584, alsmede bij beschikking een boete van € 1.429.

1.2 Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2009 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 maart 2009, ontvangen bij de rechtbank op 24 maart 2009, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd.

1.6 Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010 te Den Haag.

Namens eiseres is mr. [A] verschenen, bijgestaan door [B]. Namens verweerder is mr. [C] verschenen, bijgestaan door mr. drs. [D].

1.8 Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van eiseres betreffende de aan haar opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2006, procedurenummer AWB 09/2079 VPB en de beroepen van [B] betreffende de hem opgelegde navorderingsaanslag IB voor het jaar 2003 en de aanslagen IB voor de jaren 2004 en 2005, procedurenummers AWB 09/1836 IB/PVV, AWB 09/1837 IB/PVV en AWB 09/1838 IB/PVV. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt tevens geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.9 Eiseres oefent een tandartspraktijk uit. In de praktijk is [B] werkzaam als tandarts. [B] is tevens enig aandeelhouder en directeur van eiseres. De praktijk is gevestigd op de parterre van het pand op het adres [adres 1] te [plaats] (hierna het praktijkpand). [B] is juridisch eigenaar van het praktijkpand, de economische eigendom berust bij eiseres. De eerste en de tweede verdieping van het pand zijn in gebruik als woonhuis. Deze woning is door [B] verhuurd aan eiseres, die de woning op haar beurt verhuurt aan een zus van [B]. De woning is alleen bereikbaar via de ingang op de begane grond. In de jaren 2001 en 2002 is het praktijkpand verbouwd en is op de begane grond een tweede behandelruimte gecreëerd. Deze verbouwing kostte € 84.393.

1.10 Tot en met het jaar 2004 woonde [B] op het adres [adres 2] te [plaats]. In de loop van 2005 is hij verhuisd naar een woning op het adres [adres 3] te [plaats] (hierna: de privé-woning).

1.11Voor de heffing van vennootschapsbelasting heeft eiseres voor het jaar 2005 een belastbaar bedrag aangegeven van € 120.508. De aanslag is conform de aangifte opgelegd.

1.12 Op 17 december 2007 is verweerder begonnen aan een boekenonderzoek bij eiseres waarvan hij op 17 september 2008 een controlerapport heeft uitgebracht dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Paragraaf 7.1 van het controlerapport luidt als volgt:

"7.1 Vennootschapsbelasting

berekening belastbaar bedrag

1.13 Paragraaf 8.1 van het controlerapport luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Over de correcties onder punt 7.1 zal ik naast de navorderingsaanslag over het jaar 2005 een vergrijpboete ingevolge artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 27 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 opleggen. De vergrijpboete bedraagt 50%.

(...)

De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik deze vergrijpboete zal opleggen betreffen: door belastingplichtige zijn de kosten van de verbouwing van de privé-woning van de aandeelhouder de heer [[B]] in aftrek gebracht als zijnde onder-houdskosten van [het praktijkpand] en derhalve ten onrechte ten laste van de winst van de vennootschap gebracht. Belastingplichtige weet of behoort te weten dat privé-kosten van haar aandeelhouder niet als zakelijke kosten in aftrek gebracht kunnen worden. Door evidente kosten als zakelijk kosten aan te merken is er sprake van (voorwaardelijke) opzet."

1.14 Op basis van het controlerapport heeft verweerder eiseres de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete opgelegd. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder de navorderingsaanslag en de boete gehandhaafd.

Geschil

1.15 In geschil is of de navorderingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een nieuw feit of kwade trouw als grond voor het opleggen van de navorderingsaanslag. Verder is in geschil of en in hoeverre verweerder de in 1.12 vermelde correcties terecht heeft aangebracht en of het aan opzet, dan wel grove schuld, van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is betaald.

1.16 Eiseres stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarop de bevoegdheid tot het opleggen van de navorderingsaanslag berust en niet heeft bewezen dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Volgens eiseres is er geen nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en zijn de desbetreffende kosten terecht in aftrek gebracht of worden die in latere jaren via de rekening-courantverhouding met de aandeelhouder gecorrigeerd.

Aangaande de boete stelt eiseres zich op het standpunt dat die onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres heeft daarvoor - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de aangiften zijn opgesteld door de accountant en de beoordeling van daderschap en opzet of grove schuld niet kan plaatsvinden zonder nadere aanduiding van de accountant, eiseres of [B], waarbij in aanmerking moet worden genomen dat [B] tandarts is en geen fiscaal jurist. Zo al een onjuiste aangifte is ingediend, dan is dat niet aan opzet of grove schuld van eiseres te wijten.

In de loop van het geding heeft eiseres zich nader op het standpunt gesteld dat de correcties betreffende de verbouwingen van het praktijkpand en de privé-woning, alsmede die betreffende de giften en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek niet meer in geschil zijn.

1.17 Verweerder heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het beveiligings-systeem, de slaapbank en de Cv-ketel zich in de privé-woning bevinden en de aanschaf-fingen daarvan moeten worden aangemerkt als privé-uitgaven, zodat eiseres daarop niet kan afschrijven. In de loop van het geding heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de "correctie punt 3.2 rapport" van € 6.392 dient te vervallen. Voorts heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de vergrijpboete moet worden verminderd tot € 200, omdat de basishandeling die aan de boete ten grondslag ligt, reeds is beboet bij het opleggen van een navorderingsaanslag aan [B].

1.18 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de navorderingsaanslag tot een, naar een belastbaar bedrag van € 123.049 (€ 129.584 -/- € 40 -/- € 83 -/- € 20 -/- € 6.392) en tot vernietiging van de vergrijpboete.

1.19 Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van € 123.192 (€ 129.584 -/- € 6.392) en vermindering van de vergrijpboete tot € 200.

II OVERWEGINGEN

2.1 De bewijslast voor de vraag of uitgaven en/of kosten zakelijk zijn en ten laste van de winst kunnen worden gebracht, rust op eiseres. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld bevinden het beveiligingssysteem, de slaapbank en de Cv-ketel zich in de privé-woning. Eiseres heeft aangevoerd dat de patiëntengegevens in de privé-woning worden bewaard en het beveiligingssysteem en de Cv-ketel zijn geplaatst mede met het oog op het beschermen (diefstal) en bewaren (droog houden) van die gegevens en dat de slaapbank zich bevindt in het vertrek waarin ook de besprekingen met de accountant worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden, op grond waarvan deze uitgaven ten laste van eiseres zouden moeten komen, van zeer bijkomstige aard en heeft eiseres ook voor het overige onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de desbetreffende kosten zijn gemaakt met het oog op de uitoefening van tandartspraktijk en daarom ten laste van de winst van eiseres zouden moeten komen. In zoverre is het gelijk aan verweerder.

2.2 Ingevolge artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan er belasting worden nagevorderd indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat te weinig belasting is geheven, tenzij dat feit de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn of de belastingplichtige ter zake van dat feit te kwader trouw is.

2.3 In hetgeen is overwogen in 2.1 ligt besloten dat eiseres een onjuiste aangifte heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niets gesteld, laat staat aannemelijk gemaakt, op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat en hoe verweerder ten tijde van het opleggen van de (primitieve) aanslag kon weten dat de aangifte op de desbetreffende punten onjuist was. De navorderingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Nu sprake is van een zogenoemd nieuw feit, is niet van belang of eiseres ter zake van dat feit te kwader trouw was. Hetgeen partijen daartoe over en weer hebben aangevoerd kan daarom onbesproken blijven.

2.4 Voor wat betreft de overige correcties huldigen partijen inmiddels gelijkluidende standpunten. De rechtbank sluit zich daarbij aan. In dit oordeel ligt besloten dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd tot € 123.192. Derhalve is het beroep inzake de aanslag gegrond.

2.5 Aangaande de vergrijpboete dient verweerder te bewijzen dat het aan opzet, dan wel grove schuld, van eiseres is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft aangevoerd dat de basishandelingen die ten grondslag liggen aan het opleggen van de navorderingsaanslag reeds zijn beboet bij de aan [B] opgelegde navorde-ringsaanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2005. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee tot uitdrukking gebracht dat deze basishandelingen niet kunnen worden aangemerkt als een complex van handelingen die door eiseres en [B] samen zijn verricht, maar die geheel moeten worden toegerekend aan [B]. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder heeft gesteld dat [B] zeer duidelijk de beslissingen nam over verbouwingen en de fiscale verwerking daarvan, dat [B] wist dat hij iets deed dat niet door de beugel kon en het verwijt daarom terecht bij [B] in al zijn hoedanigheden is gelegd. Nu het beboetbare feit aan [B] moet worden toegerekend en [B] daarvoor ook is beboet, is naar het oordeel van de rechtbank voor het opleggen van een boete aan eiseres geen plaats. De vergrijpboete is daarom ten onrechte opgelegd.

2.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient te worden beslist als hierna is gemeld.

Proceskosten

2.7 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt met een waar-de van € 161 voor het indienen van het bezwaarschrift, alsmede 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, een half punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 123.192;

- vernietigt de boetebeschikking;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 966;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 297 aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier H. van Lingen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.