Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4120

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
27-09-2010
Zaaknummer
AWB 07/7130 RWNL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naturalisatie. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Verblijfsgaten. Aruba.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 07/7130 RWNL

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats] (Aruba),

gemachtigde mr. M.G.A. Baiz,

en

de minister van Justitie, in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Op 19 september 2005 heeft eiser een verzoek om naturalisatie bij verweerder ingediend. Bij dit verzoek heeft hij tevens verzocht om medenaturalisatie van zijn minderjarige zoon [zoon], geboren op [datum] 1997.

Bij besluit van 13 december 2006 heeft verweerder het verzoek afgewezen

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Op 19 juni 2007 heeft eiser het bezwaarschrift toegelicht voor een hoorcommissie.

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 september 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 juli 2008 ter zitting behandeld.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.M. Hoogvliet.

Bij brief van 29 oktober 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Het beroep is op 11 juni 2010 opnieuw ter zitting behandeld.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B].

II OVERWEGINGEN

1Verweerder heeft het verzoek om naturalisatie afgewezen omdat eiser van 1 april 2001 tot 12 juni 2001, van 1 april 2002 tot 15 mei 2002, van 1 april 2003 tot 10 april 2003 en van 1 april 2004 tot 17 mei 2004 geen toelating tot het Koninkrijk had. Door deze zogenoemde verblijfsgaten voldoet eiser niet aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken toelating als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Eiser komt volgens verweerder voorts niet in aanmerking voor naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN.

2 Eiser heeft -samengevat- het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft artikel 1, eerste lid, sub g, van de RWN onjuist geïnterpreteerd. Eiser is sinds 24 juli 2000 steeds in Aruba woonachtig geweest. Voorts heeft het bevoegd gezag steeds verblijfsvergunningen verleend die op 1 april van het daaropvolgende jaar verliepen. Het beleid is dat vergunningen steeds geldig zijn voor een periode van twaalf maanden. Het feit dat een vergunning op een latere datum wordt verleend of gedateerd, terwijl deze elk jaar steeds op dezelfde datum verloopt, doet vermoeden dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend en dat het bevoegd gezag instemt met het verblijf van de vreemdeling tussen de datum van het verloop van de geldigheid van de vergunning en de datum van verlening van de nieuwe vergunning. Er is sprake van een motiveringsgebrek en een zorgvuldigheidsgebrek en niet aannemelijk is gemaakt dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het besluit is volgens eiser voorts in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu voor het jaar 2006 de zogenoemde verblijfsgaten geen rol speelden bij de vaststelling of eiser voldeed aan het vereiste van tenminste sedert vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba, terwijl dit vereiste vanaf de wijziging van de RWN in 2003 als beleid in de Handleiding is opgenomen. Verweerder baseert de stelling dat van een verblijfsgat sprake is als de vreemdeling na de datum waarop de vorige verblijfsvergunning is verlopen een aanvraag om vernieuwing daarvan heeft ingediend op specifieke bepalingen van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit die geen gelding hebben in Aruba. De Arubaanse vreemdelingenwetgeving kent een zodanige bepaling niet en het beleid evenmin. Voorts is het in strijd met het beginsel van fair play en het verbod van willekeur dat eiser dient te bewijzen dat er geen sprake is van verblijfsgaten, terwijl de autoriteiten langer dan bij de wet voorzien en redelijk is de tijd nemen om op een aanvraag te beslissen. Voorts is het in strijd met het beginsel van fair play dat kennelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst en niet de bevoegde autoriteit in het land van hoofdverblijf bepaalt of de bevoegde autoriteit instemt met het bestendig verblijf van een vreemdeling. Verweerder maakt zich schuldig aan "excessive formalism", waarvoor Nederland al minstens een keer door het Europees Hof inzake de Rechten van de Mens is berispt. Verweerder heeft voorts ten onrechte het verblijfsgat van 1 april 2007 tot 10 april 2007 mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd bestreden.

3 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die ten minste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 10 van de RWN kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN wordt voor toepassing van deze wet onder toelating verstaan: instemming door het bevoegde gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba.

Verweerder hanteert bij de toepassing van de RWN beleidsregels die zijn neergelegd in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toegespitst op het gebruik in Aruba (hierna: de Handleiding).

In de Handleiding was ten tijde van belang neergelegd dat ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN 'toelating' betekent dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Dat sprake is van toelating in Aruba dient door de vreemdeling te worden aangetoond aan de hand van een verblijfsdocument.

Ook vermeldde de Handleiding ten tijde van belang dat de vraag of sprake is van een verblijfsgat op zich een vreemdelingrechtelijke vraag is. Indien de vreemdeling niet tijdig om verlenging heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van zijn verblijfsvergunning, is de vergunning op zijn vroegst pas vanaf de datum van de aanvraag verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning. Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan.

4.1De rechtbank heeft in de brief van 29 oktober 2008, waarbij het onderzoek is heropend, overwogen dat onduidelijk was of bij eiser sprake was van zogenoemde verblijfsgaten. Gebleken is dat de ingangsdatum van op Aruba verstrekte verblijfsvergunningen nergens is geregistreerd en dat er aanwijzingen bestaan dat de Arubaanse autoriteiten ook bij te laat ingediende aanvragen verblijfsvergunningen verstrekken met terugwerkende kracht vanaf de expiratiedatum van de vorige verblijfsvergunning. In andere beroepszaken zijn in verband met deze onduidelijkheden vragen gesteld aan de minister van Justitie. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de beantwoording van de aan de minister van Justitie gestelde vragen af te wachten.

4.2 Bij brief van 5 februari 2009 heeft verweerder laten weten dat de vragen ter beantwoording zijn doorgeleid naar de Arubaanse toelatingsorganisatie DIMAS en dat de vragen bij brief van 11 december 2008 door de Arubaanse Minister van Volksgezondheid, Milieu, Administratieve- en Vreemdelingenzaken zijn beantwoord. Uit de beantwoording van de vragen blijkt onder meer dat op de vergunningen tot tijdelijk verblijf tot op dat moment geen datum van ingang werd vermeld. Dit heeft te maken met softwarematige beperkingen van het NAVAS (het vreemdelingenadministratiesysteem van de Nederlandse Antillen en Aruba). Er wordt geen registratie bijgehouden van de datum van ingang van de afgegeven vergunning tot tijdelijk verblijf. In de brief van 5 februari 2009 is tevens vermeld dat er al enige tijd overleg wordt gevoerd met de Arubaanse autoriteiten over een werkwijze om de zogenoemde verblijfsgatenproblematiek het hoofd te bieden. Voorts wordt in de brief aangegeven dat in het kader van de actualisering van de Handleiding, toegespitst op Aruba, de Arubaanse vreemdelingenwet- en regelgeving, het beleid en de uitvoeringspraktijk door de Nederlandse en Arubaanse ambtenaren gezamenlijk wordt bestudeerd.

4.3 Bij brief van 10 augustus 2009 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat de autoriteiten van de Nederlandse Antillen en Aruba en verweerder overeenstemming hebben bereikt over een tijdelijke werkwijze. Per 1 juni 2009 wordt ten aanzien van vreemdelingen die na 1 april 2003 in Aruba of in de Nederlandse Antillen een verzoek om naturalisatie hebben ingediend en bij wie het geconstateerde verblijfsgat in het vreemdelingrechtelijke verblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen vóór 1 januari 2009, door de bevoegde autoriteiten een nader onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het verblijfsgat. Het resultaat van het onderzoek naar het verblijfsgat wordt in een onderzoeksverslag neergelegd, dat als bijlage bij het Bericht Omtrent Toelating (BOT) wordt gevoegd.

Het onderzoeksverslag zal ten aanzien van een geconstateerd verblijfsgat één van de volgende conclusies bevatten:

1. het verblijfsgat is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar; dan wel

2. het verblijfsgat is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar; dan wel

3. de oorzaak van het verblijfsgat is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij of zij gedurende het gestelde verblijfsgat onafgebroken in de Nederlandse Antillen of Aruba heeft verbleven, en daardoor is het verblijfsgat aanvaardbaar.

4.4 Bij brief van 2 april 2010 heeft verweerder meegedeeld dat de werkwijze uiteindelijk niet is opgenomen in de Handleiding. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de werkwijze vanaf 1 juni 2009 wel zoveel mogelijk is toegepast door de DIMAS.

4.5 Bij brief van 2 april 2010 is voorts een BOT van 18 februari 2010 en een bijbehorend onderzoeksrapport gevoegd. In het BOT wordt verwezen naar de Interne beleidsinstructie van de DIMAS van 14 december 2007 (2007-6). Op grond van deze beleidsinstructie, die naar aanleiding van de uitspraak van het Gerecht in Eerste aanleg van Aruba van 28 november 2007 (LAR no 3310) is opgesteld, gaat de DIMAS ervan uit dat vergunningen die zijn verleend vóór 11 december 2006 met terugwerkende kracht zijn verleend. De verblijfsgaten van eiser van 1 april 2001 tot 12 juni 2001, van 1 april 2002 tot 15 mei 2002, van 1 april 2003 tot 10 april 2003 en van 1 april 2004 tot 17 mei 2004 worden gelet hierop verschoonbaar geacht door de DIMAS.

De DIMAS heeft voorts in het BOT geconstateerd dat het verblijfsgat van 1 april 2007 tot 27 maart 2008 niet verschoonbaar is, omdat het aantoonbaar aan eiser zelf te wijten is.

4.6 In de nieuwe Handleiding, toegespitst op het gebruik in Aruba, die geldig is vanaf 1 april 2010, is met betrekking tot aanvragen van vóór 1 juli 2006 opgenomen dat de vergunningen tot tijdelijk verblijf geacht worden te zijn afgegeven voor de duur van een jaar. Dat wil zeggen dat de late aanvragen niet hebben geleid tot een verblijfsgat indien duidelijk is dat de vervaldatum van de nieuwe vergunning een jaar na datum verloop van de voorafgaande vergunning is. Als de vervaldatum langer dan een jaar na datum vervolgaanvraag is, kan ervan worden uitgegaan dat een verblijfsgat tot stand is gekomen. Met betrekking tot aanvragen die zijn ingediend na 1 juli 2006 is opgenomen dat aanvragen die binnen drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige vergunning zijn ingediend niet leiden tot een verblijfsgat en dat aanvragen die zijn ingediend na drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige vergunning in principe wel tot een verblijfsgat leiden.

5.1 De rechtbank overweegt dat verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de Interne Beleidsinstructie van de DIMAS van 14 december 2007 nog niet van toepassing was. Verweerder is uitgegaan van de ten tijde van het bestreden besluit bekende gegevens. Het eerst na het bestreden besluit bekend geworden interne beleid van de DIMAS kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

5.2 Uit een uitdraai uit het NAVAS blijkt dat eiser, ten gevolge van niet tijdig gedane verzoeken om verlenging van zijn verblijfsvergunning, tussen 1 april 2001 en 12 juni 2001, 1 april 2002 en 15 mei 2002, 1 april 2003 en 10 april 2003 en 1 april 2004 en 17 mei 2004, geen toelating tot het Koninkrijk heeft gehad. Eiser heeft geen controleerbaar tegenbewijs overgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van ontvangstbewijzen van aanvragen of kwitanties van legesbetaling, waaruit kan blijken dat hij zijn tijdelijke vergunning tijdig heeft verlengd. Nu dergelijk bewijs ontbreekt, moet van de juistheid van de door verweerder overgelegde uitdraai worden uitgegaan.

5.3 Van de door eiser gestelde wijziging in het beleid sedert 2006, met betrekking tot het stringentere toezicht door verweerder op de aanwezigheid van verblijfsgaten, is de rechtbank niet gebleken.

5.4 Niet valt in te zien dat verweerder een verkeerde interpretatie zou hebben gegeven aan het begrip 'toelating'. Verweerder heeft bij de toepassing van dit begrip aansluiting gezocht bij de in de geldende beleidregels gegeven omschrijving. Bovendien ziet de in dat verband door eiser genoemde periode van aantoonbare aanwezigheid op Aruba niet op diens toelating, maar op het hebben van hoofdverblijf. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een verblijfsgat sprake is als de vreemdeling eerst na verloop van zijn verblijfsvergunning een aanvraag om verlenging daarvan heeft ingediend, zoals ook weergegeven in de Handleiding, toegespitst op het gebruik in Aruba.

5.5 Verweerder heeft gelet op het voorgaande op goede gronden gesteld dat geen sprake is van onafgebroken toelating in de vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Gezien het voorgaande behoeft hetgeen is aangevoerd ten aanzien van het gestelde verblijfsgat van 1 april 2007 tot 10 april 2007 geen bespreking.

6 Eiser heeft noch gemotiveerd gesteld noch aannemelijk gemaakt dat van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de RWN sprake is op grond waarvan eiser alsnog zou kunnen worden genaturaliseerd.

7 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden de afwijzing van het verzoek van eiser om naturalisatie heeft gehandhaafd. Aangezien het minderjarige kind bij medenaturalisatie deelt in het oordeel over het naturalisatieverzoek van de ouder(s), heeft verweerder ook op goede gronden het standpunt dat [zoon] niet in aanmerking komt voor naturalisatie gehandhaafd.

8 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.W.H.B. Sentrop, mr. A.P. Pereira Horta en mr. dr. Th.L. Bellekom, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. de Graaf.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.