Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4086

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
09.925152-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak en (bedreiging met) geweld, vergezeld van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Omdat de feiten zich hebben afgespeeld in het criminele circuit – doel was het leegruimen van een aan anderen toebehorende hennepplantage – was de verwachting gerechtvaardigd dat ingeval de diefstal succesvol was geweest, verdachte en zijn mededaders ermee waren weggekomen, nu aannemelijk is dat de eigenaren van de hennepplantage geen aangifte zouden doen. Verdachte en zijn mededaders hebben schade aangericht aan de voordeur van de woning. De in de woning aanwezige personen zijn bedreigd met een doorgeladen pistool. Eén en ander heeft zich afgespeeld midden in een woonwijk. De rol van verdachte is beperkter is geweest dan die van de twee overige verdachten: hij heeft zich bezig gehouden met het knippen van de henneptoppen en geen actieve rol gespeeld in het geweld tegen de in de woning aanwezige personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/925152-10

Datum uitspraak: 16 augustus 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op 25 juli 1983,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer,

overigens zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 31 mei 2010 en 2 augustus 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.W. Kreumer, advocaat te ‘s Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 maart 2010 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[A] en/of [B] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van

zijn mededader(s) met dat opzet

- een vuurwapen op die [B] gericht en/of

- die [A] een vuurwapen getoond en/of

- die [B] vastgepakt en/of (vervolgens) tegen de bank geduwd en/of

- die [A] en/of [B] met het gezicht naar beneden en/of de armen omhoog op

een bed en/of een bank geduwd en/of (vervolgens)

- de handen van die [A] en/of [B] (over elkaar gekruist) vastgebonden met

tape en/of

- de voeten van die [A] en/of [B] vastgebonden met tape en/of

aldus voor die [A] en/of [B] een bedreigende situatie hebben doen

ontstaan waaraan die [A] en/of [B] zich niet kon(den) onttrekken;

2.

hij op of omstreeks 06 maart 2010 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres]

weg te nemen hennep en/of een of meer goed(eren) van

zijn/hun gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of dat/die hennep en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer

van zijn mededader(s), althans alleen,

- zich naar die woning heeft/hebben begeven en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of een van zijn mededader(s) (vervolgens)

- met een breekijzer, althans een breekvoorwerp, de voordeur beschadigd en/of

vernield, althans geforceerd,

en/of welke diefstal met braak werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A] en/of [B],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte en/of een van zijn mededader(s),

- een vuurwapen op die [B] heeft/hebben gericht en/of

- die [A] een vuurwapen heeft/hebben getoond en/of

- die [B] heeft/hebben vastgepakt en/of (vervolgens) tegen de bank

heeft/hebben geduwd en/of

- die [A] en/of [B] met het gezicht naar beneden en/of de armen omhoog op

een bed en/of een bank heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens)

- de handen van die [A] en/of [B] (over elkaar gekruist) heeft/hebben

vastgebonden met tape en/of

- de voeten van die [A] en/of [B] heeft/hebben vastgebonden met tape

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 06 maart 2010 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer

wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (merk: [merk], kaliber 7.65

mm), en/of munitie van categorie III, te weten vijf, althans een of meerdere

scherpe munitie volmantelpatro(o)n(en) (merk: [merk], kaliber: 7.65 mm),

voorhanden heeft gehad.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 6 maart 2010 samen met twee anderen heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke vrijheidsberoving van [A] en [B] (feit 1), aan poging tot diefstal (van wiet afkomstig van een hennepplantage) met braak en met geweld tegen voornoemde [A] en [B] (feit 2) en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III (feit 3).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de drie tenlastegelegde feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet zonder meer kan worden veroordeeld voor alle tenlastegelegde feiten. Hij is benaderd om samen met twee vrienden mee te gaan en voor € 300,- hennep te gaan oogsten. Afgesproken was dat een en ander zou lijken op een overval, om de eigenaar van de hennep te misleiden. Er is geen reden te twijfelen aan de verklaring van verdachte dat de diefstal in scène zou worden gezet. Uiteindelijk is het anders verlopen dan verdachte vooraf had begrepen. Hij verbaasde zich weliswaar over het openbreken van de deur, maar dat betekende nog niet dat hij het gewelddadige vervolg, zoals het uiteindelijk verlopen is, kon verwachten. Verdachte is daardoor niet verantwoordelijk voor de gewelddadige gedragingen die vervolgens door zijn twee vrienden zijn begaan. Het was bovendien donker bij de flat en verdachte is direct verdwenen in de hennepruimte om hier, zoals afgesproken, hennep te gaan knippen. Het is dan ook goed mogelijk dat hij, zoals hij zelf heeft verklaard, het pistool niet heeft gezien. Bij een fotoconfrontatie hebben de slachtoffers verdachte niet herkend. Verdachte kan wellicht hooguit voor diefstal met braak worden veroordeeld.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Vaststaande feiten

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.(1)

Op de avond van 6 maart 2010 is verdachte samen met twee andere verdachten (genaamd [X] en [Y]) gegaan naar een woning(2) aan de [adres] in Voorburg(3), in welke woning zich een in werking zijnde hennepplantage bevond.(4) Verdachte droeg daarbij een tas met daarin een aantal andere tassen, een breekijzer en een aantal schroevendraaiers.(5) Verdachten hadden afgesproken de in de woning aanwezige hennepplantage leeg te halen door de toppen van de hennepplanten te knippen en mee te nemen.(6) De taak van verdachte daarbij was om in de woning de hennep te knippen.(7)Aangekomen in het portiek voor de ingang van de woning hebben de verdachten [X] en [Y] het slot van de toegangsdeur van de woning geforceerd met behulp van een breekijzer en de schroevendraaiers terwijl verdachte hen bijlichtte met zijn mobieltje.(8) Toen de deur was opengebroken is verdachte de twee anderen gevolgd en de woning binnengegaan.(9) Verdachte is direct gegaan naar een in de woning gelegen kamer waar zich de hennepplanten bevonden om daar de toppen te knippen(10) en die in tassen te stoppen(11). De twee andere verdachten hebben de twee in de woning aanwezige personen, te weten [A] en [B], bedreigd door een pistool op genoemde [B] te richten en hem vast te pakken en tegen de bank te duwen(12). Zij hebben hen beiden gedwongen te gaan liggen op een bed dan wel de bank met het gezicht naar beneden en de armen omhoog en hebben hun handen en voeten vastgebonden met tape.(13) Op een gegeven moment heeft een van de andere verdachten geroepen dat er politie kwam, waarna de verdachten uit de woning zijn gevlucht.(14) Daarbij is verdachte door de politie aangehouden.(15) Bij onderzoek in de omgeving van de woning hebben verbalisanten op het balkon van de ondergelegen woning een zwart, geladen vuurwapen aangetroffen.(16)

Overwegingen met betrekking tot het bewijs en conclusie

Feiten 1 en 2:

Verdachte heeft verklaard dat de verdachten [Y] en [X] hem hadden gezegd dat het zou gaan om een in scène gezette overval(17). Met de in de woning aanwezige personen was een deal gemaakt dat de hennepplantage in de woning zou worden leeggehaald en dat men het zou laten lijken dat het een overval was geweest. De personen in de woning zouden het spel meespelen. Het was ook de bedoeling dat die personen zouden worden vastgebonden om het tegenover de eigenaar van de hennep echt te laten lijken.(18) Het geld van de uiteindelijke opbrengst (nadat de hennep elders was gedroogd en was verkocht(19)) zouden [X] en [Y] delen met de personen in de woning; verdachte zou voor zijn bijdrage (het knippen van de henneptoppen in de woning) direct € 300,- krijgen.(20)

Deze verklaring van verdachte als zou het om een geënsceneerde overval gaan, is naar het oordeel van de rechtbank niet te rijmen met een aantal omstandigheden zoals deze uit het dossier volgen. Allereerst wijst het meebrengen van een doorgeladen pistool door verdachten [X] en [Y] niet op uitvoering van een vooraf met de in de woning aanwezige personen afgesproken plan dat door die personen mede zou worden uitgevoerd. Voorts hebben de verdachten niet eerst aangebeld, maar direct de deur geforceerd (in plaats van dit na afloop te doen). Tevens hebben zij de in de woning aanwezige personen bij binnenkomst meteen geboeid. De verbalisant die de in de woning aanwezige [A] en [B] geboeid heeft aangetroffen, relateert daarnaast dat beiden bleek waren, dat hij van de een de indruk had dat die erg geschrokken was en dat de ander onder de indruk leek van de hele situatie en een angstige uitdrukking op zijn gezicht had.(21) Bij binnenkomst in de woning droegen twee van de verdachten ten slotte een muts die alleen het gezicht vrijliet(22), terwijl verdachte donker was gekleed.(23) Eén en ander wijst evenmin op een vooraf overeengekomen, in scène gezette overval. Deze omstandigheden sluiten evenwel niet uit dat verdachte voorafgaand aan de overval door de andere twee verdachten verkeerd is voorgelicht omtrent het werkelijke doel van die avond.

Echter, ook indien verdachte wordt gevolgd in zijn lezing van de feiten (te weten: hem was verteld dat alles slechts zou worden geënsceneerd), dan had verdachte naar het oordeel van de rechtbank op het moment dat de overige twee verdachten de voordeur openbraken om binnen te komen, zich moeten realiseren dat de dingen een ander verloop zouden krijgen dan hem was voorgespiegeld. Dat hij zich hiervan ook daadwerkelijk bewust is geweest blijkt tevens uit hetgeen verdachte hieromtrent heeft verklaard: toen de anderen, aldus verdachte ter terechtzitting – tegen zijn verwachting in – begonnen met het openbreken van de voordeur, realiseerde hij zich dat het kennelijk anders ging dan waarvan hij was uitgegaan en dat de situatie daarmee ook ‘problematisch’ was geworden. (24) Navraag door verdachte waarom dit gebeurde leidde tot het antwoord dat hij zich er niet mee moest bemoeien. Omdat hij zich toen reeds in die situatie bevond, heeft verdachte ervoor gekozen mee te blijven doen en mee te gaan naar binnen. Aldus heeft verdachte ervoor gekozen ook onder de gewijzigde omstandigheden nog steeds te blijven participeren in de ripdeal: een diefstal met braak van de oogst van een aan anderen toebehorende hennepplantage. Gezien de aard van dit feit, het circuit waarin het zich afspeelde en het handelen en de houding van de overige verdachten bij binnenkomst, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank daarmee het risico dat daarbij geweld zou worden gebruikt op de koop toegenomen. Hij wist al dat de in de woning aanwezige personen zouden worden geboeid; nu duidelijk was dat van een afgesproken diefstal geen sprake was werd het gebruik van geweld dan wel bedreiging daarmee feitelijk onvermijdelijk.

Nu verdachte (ten minste) willens en wetens de kans heeft aanvaard dat geweld jegens de in de woning aan te treffen personen zou worden gebruikt dan wel daarmee zou worden gedreigd,is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet op het gebruik van geweld door de overige verdachten, zodat naar het oordeel van de rechtbank het medeplegen door verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kan worden verklaard. Dat verdachte naar hij heeft verklaard niet op de hoogte was van het feit dat de overige verdachten een pistool, voorzien van munitie, meebrachten en ook geen pistool heeft gezien, doet hieraan niet af, nu voor bewezenverklaring van medeplegen door verdachte van wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot diefstal met geweld niet is vereist dat verdachte op de hoogte is geweest van alle gedragingen van zijn mededaders.

Feit 3:

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (categorie III) ligt dit anders. Daarvoor acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Uit het dossier blijkt niet van enige mate van bewustheid bij verdachte van het voorhanden hebben van het pistool door de overige verdachten. Het feit dat verdachte het risico van (dreiging met) geweld jegens de in de woning aanwezigen (in het onderhavige geval onder meer door het dreigen met het pistool) op de koop toe heeft genomen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om verdachte tevens te veroordelen voor het medeplegen van het voorhanden hebben van het pistool. Dat verdachte zich bewust is geweest of zich had behoren te realiseren dat zij een pistool hadden meegebracht blijkt niet uit de voorhanden bewijsmiddelen, zodat de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen – zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad – dat verdachte:

1. op 06 maart 2010 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [A] en [B] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet

- een vuurwapen op die [B] gericht en

- die [A] een vuurwapen getoond en

- die [B] vastgepakt en vervolgens tegen de bank geduwd en

- die [A] en [B] met het gezicht naar beneden en de armen omhoog op een bed of een bank geduwd en vervolgens

- de handen van die [A] en [B] over elkaar gekruist vastgebonden met tape en

- de voeten van die [A] en [B] vastgebonden met tape en aldus voor die [A] en [B] een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan die [A] en [B] zich niet konden onttrekken;

2. op 06 maart 2010 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen hennep, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders,

- zich naar die woning heeft begeven en

hebben hij, verdachte en zijn mededaders vervolgens

- met een breekijzer de voordeur geforceerd,

welke poging tot diefstal met braak werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [A] en [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- een vuurwapen op die [B] hebben gericht en

- die [A] een vuurwapen hebben getoond en

- die [B] hebben vastgepakt en vervolgens tegen de bank hebben geduwd en

- die [A] en [B] met het gezicht naar beneden en de armen omhoog op een bed en een bank hebben geduwd en (vervolgens)

- de handen van die [A] en [B] (over elkaar gekruist) hebben vastgebonden met tape en

- de voeten van die [A] en [B] hebben vastgebonden met tape,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar onvoorwaardelijk.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank primair verzocht om verdachte vrij te spreken van alle hem tenlastegelegde feiten, althans (subsidiair) terzake feit 2 hem uitsluitend te veroordelen voor (medeplegen van poging tot) diefstal met braak.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak en (bedreiging met) geweld, vergezeld van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Omdat de feiten zich hebben afgespeeld in het criminele circuit – doel was het leegruimen van een aan anderen toebehorende hennepplantage – was de verwachting gerechtvaardigd dat ingeval de diefstal succesvol was geweest, verdachte en zijn mededaders ermee waren weggekomen, nu aannemelijk is dat de eigenaren van de hennepplantage geen aangifte zouden doen. Verdachte en zijn mededaders hebben schade aangericht aan de voordeur van de woning. De in de woning aanwezige personen [A] en [B] zijn bedreigd met een doorgeladen pistool, hetgeen een buitengewoon gevaarlijke situatie heeft opgeleverd. [A] en [B] zijn met geweld vastgebonden met tape in een voor hen zeer ongemakkelijke houding. Zij hebben angstige momenten beleefd. Verdachte en zijn mededaders hebben het leeghalen van de hennepplantage alleen niet kunnen voltooien omdat een buurman, gealarmeerd door het geluid van het forceren van de deur, de politie heeft gewaarschuwd, die vervolgens snel ter plaatse was.

Eén en ander heeft zich afgespeeld midden in een woonwijk. Dat dergelijke feiten zich ook in een woonwijk, in feite “naast de deur” kunnen afspelen leidt tot gevoelens van onveiligheid bij burgers en in de maatschappij. De rechtbank rekent verdachte de gepleegde feiten ernstig aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte op 27 november 2009 is vrijgesproken van het medeplegen van hennepteelt en diefstal.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank acht echter, afgezien van de vrijspraak voor het onder 3 ten laste gelegde feit, een gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier gevorderd aangewezen. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat uit de verklaringen van verdachte en van [A] en [B] blijkt dat de rol van verdachte beperkter is geweest dan die van de twee overige verdachten: hij heeft zich bezig gehouden met het knippen van de henneptoppen en heeft geen actieve rol gespeeld in het geweld tegen [A] en [B]. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen, waarbij de rechtbank opmerkt dat, nu op de op te leggen straf de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet, en op de door de officier van justitie gevorderde straf wel van toepassing is, het effectieve verschil tussen beide straffen niet 30, maar 14 maanden beloopt.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich over een beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen niet uitgelaten.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen, te weten een tweetal telefoontoestellen (respectievelijk Nokia 1208 en Samsung E1120) en een tweetal geheugensimkaarten.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 47, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 2:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 2, 3, 4 en 5 genummerde voorwerpen, te weten: een telefoontoestel Nokia 1208, een telefoontoestel Samsung E1220 en twee geheugensimkaarten.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E. Rabbie, voorzitter,

O.M. Harms en R. van Zeijst- Repelaer van Driel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Janssens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van de doorgenummerde processenverbaal van politie Haaglanden, genummerd PL1573 2010048337-1 d.d. 8 maart 2010 (pagina’s 1-86), 12 maart 2010 (pagina’s 87-203), 14 mei 2010 (pagina’s 204-287) en 2 juli 2010 (pagina’s 288-321).

2 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting, alsmede bij de rechter-commissaris onder 3.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 14

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 183

5 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

6 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting en bij de rechter-commissaris onder 3

7 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting en bij de rechter-commissaris onder 3

8 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 202

9 Proces-verbaal verhoor [A], p. 55; proces-verbaal verhoor [B], p. 61

10 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 183

12 Proces-verbaal verhoor [A], p. 56; proces-verbaal verhoor [B], p. 61

13 Proces-verbaal verhoor [A], p. 55/56; proces-verbaal verhoor [B], p. 61/62

14 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting; proces-verbaal verhoor [A], p. 56

15 Proces-verbaal van bevindingen p. 15

16 Proces-verbaal van bevindingen p. 33; proces-verbaal p. 191

17 Eigen verklaring verdachte bij de rechter-commissaris onder 3; proces-verbaal verhoor verdachte, p. 202; eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

18 Eigen verklaring verdachte bij de rechter-commissaris onder 3

19 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 202

20 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 217

22 Proces-verbaal verhoor [B], p. 61

23 Proces-verbaal aanhouding, p. 15

24 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting