Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4026

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
10/5533
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studierichtlijn/artikel 12/ uitleg begrip ‘verlengen’/studievoortgang

Niet is in geschil dat eiseres voldoende studievoortgang heeft geboekt na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b van de Richtlijn daarom niet van toepassing. De verblijfsvergunning kon daarom op grond van dit artikel ook niet worden ingetrokken en behoorde te worden verlengd.

Niet in geschil is dat eiseres is blijven voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 12, eerste lid van de Richtlijn dat in dat geval een verblijfstitel wordt verleend aansluitend aan de afloop van de geldigheidsduur. Het woord verlengen, dat Richtlijnconform en derhalve volgens Europese maatstaven (normaal spraakgebruik) dient te worden uitgelegd, duidt daarop. Normaal betekent “verlengen” langer maken en dat impliceert juist geen onderbreking. De Richtlijn kent niet de mogelijkheid tot “verlenging” van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning per ingang van een latere datum.

De rechtbank past artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toe. De verblijfsvergunning is met een onjuiste ingangsdatum verleend. Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd en verweerder wordt opdragen om alsnog de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen per ingangsdatum 6 juli 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 10/5533

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Indonesische nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiseres,

gemachtigde mr. T.P.A. Weterings, advocaat te

Amsterdam;

en

De Minister van Justitie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. M. Buisman,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2002 is eiseres een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking 'verblijf als au pair bij [werkgever]'.

Bij besluit van 8 mei 2003 is de beperking van deze verblijfsvergunning gewijzigd in de beperking 'studie Tourism and recreation aan de Hogeschool InHolland te Haarlem'.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 6 juli 2009.

Op 21 april 2009 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ingediend.

Bij besluit van 6 oktober 2009 is de aanvraag afgewezen.

Op 2 november 2009 is daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 januari 2010 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en is de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verlengd met ingang van 8 januari 2010 tot 1 september 2010.

Bij brief van 11 februari 2010 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 12 maart 2010.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 3 juni 2010 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder de verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'studie Tourism and recreation aan de Hogeschool InHolland te Haarlem' terecht heeft verleend met ingang van 8 januari 2010.

2.2 Bij brief van 16 september 2009 heeft verweerder aangegeven dat de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning niet compleet was. Daarbij is aangegeven welke bescheiden verweerder alsnog wenst te ontvangen. Ook is daarin aangegeven dat eiseres moet aantonen dat er voldoende studievoortgang is. Verweerder heeft eiseres voor dit herstelverzuim een termijn van twee weken geboden en medegedeeld dat uitstel niet wordt verleend.

Verweerder heeft bij het primaire besluit van 6 oktober 2009 de aanvraag om verlenging afgewezen omdat niet is gebleken van voldoende voortgang in de studie van eiseres.

Eerst met het overleggen van de stukken op 8 januari 2010 is aangetoond dat eiseres wel voldoende voortgang heeft in haar studie. Derhalve heeft verweerder in het besluit van 18 januari 2010 het bezwaar gegrond verklaard en de verblijfsvergunning met ingang van deze datum verlengd.

2.3 Eiseres betoogt dat de verblijfsvergunning had moeten worden verleend aansluitend aan de dag waarop de geldigheidsduur was afgelopen.

Het aantonen van voldoende studievoortgang is geen voorwaarde uit de nationale wet- en regelgeving. Daarom heeft verweerder door te stellen dat eiseres haar studievoortgang moet aantonen gehandeld in strijd met de Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (hierna: de Richtlijn).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b van de Richtlijn kan onverminderd artikel 16 van de Richtlijn de verblijfstitel worden ingetrokken of niet worden verlengd indien de houder volgens de nationale wetgeving of de bestuurlijke gebruiken onvoldoende voortgang boekt bij zijn studie.

2.5 Niet is in geschil dat eiseres voldoende studievoortgang heeft geboekt na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning (6 juli 2009). Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b van de Richtlijn daarom niet van toepassing. De verblijfsvergunning kon daarom op grond van dit artikel ook niet worden ingetrokken en behoorde te worden verlengd.

2.6 In geschil is de vraag of verweerder bij verlenging van een verblijfsvergunning een ingangsdatum mag hanteren van het moment waarop wordt aangetoond dat sprake is van voldoende studievoortgang.

2.7 Ingevolge artikel 12, eerste lid van de Richtlijn wordt aan de student een verblijfstitel afgegeven voor ten minste een jaar met de mogelijkheid van verlenging zolang de houder ervan blijft voldoen aan de in de artikelen 6 en 7 gestelde voorwaarden. Indien de studie korter duurt dan een jaar, wordt de verblijfstitel afgegeven voor de studieperiode.

2.8 Niet in geschil is dat eiseres is blijven voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 12, eerste lid van de Richtlijn dat in dat geval een verblijfstitel wordt verleend aansluitend aan de afloop van de geldigheidsduur. Het woord verlengen, dat Richtlijnconform en derhalve volgens Europese maatstaven (normaal spraakgebruik) dient te worden uitgelegd, duidt daarop. Normaal betekent "verlengen" langer maken en dat impliceert juist geen onderbreking. De Richtlijn kent niet de mogelijkheid tot "verlenging" van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning per ingang van een latere datum.

Verweerder heeft daarom ten onrechte de verblijfsvergunning verleend met ingang van 8 januari 2010. Daar komt bij dat het aanvraagformulier voor verlenging van de verblijfsvergunning niet vermeld dat de studievoortgang moet worden aangetoond. Pas in de brief waarin het herstelverzuim wordt geboden is eiseres erop gewezen dat zij de studievoortgang moest aantonen. Dit herstelverzuim is daarnaast pas na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning gegeven zodat eiseres nimmer voor afloop van de geldigheidsduur had kunnen aantonen dat zij voldoende studievoortgang had.

2.9 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De verblijfsvergunning is met een onjuiste ingangsdatum verleend. Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder opdragen om alsnog de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen per ingangsdatum 6 juli 2009.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 18 januari 2010;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 6 oktober 2009 gegrond;

- draagt verweerder op de gevraagde verblijfsvergunning aan eiseres te verstrekken per 6 juli 2009;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,= aan de griffier dient te voldoen;

- gelast dat verweerder het griffierecht ad € 150,= aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, als rechter, en door deze en K.M.C. Zijlstra-van Middelkoop als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.