Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4009

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
369711 - FA RK 10-5078
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag gaat niet op. Er zijn geen contra-indicaties ten aanzien van de opvoedings- en verzorgingskwaliteiten van de vader gebleken. Daarbij neemt de rechtbank de door de Centrale Autoriteit overgelegde brief van het Ministerie van Volksgezondheid en Sociale Zaken van Kroatië van 13 juli 2010 in aanmerking. Hierin staat vermeld dat uit onderzoek van het Centrum voor Maatschappelijk Welzijn te Zagreb naar voren is gekomen dat de vader een zorgzame man is die in staat is om voor de minderjarigen te zorgen.

Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag gaat evenmin op. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een uitdrukkelijk verzet als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag. Daartoe wordt overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de minderjarige A tot voor kort de wens had om terug te keren naar Kroatië. Ook tijdens een gesprek met de advocaat van de moeder op 29 juni 2010 heeft zij te kennen gegeven naar Kroatië te willen terugkeren. Eerst enkele dagen voor het kinderverhoor heeft zij zich bedacht, mogelijk vanwege een loyaliteitsconflict. Daar komt bij dat de in het kinderverhoor door de minderjarige A geuite weerstand om terug te keren niet is gelegen in de persoon van de vader dan wel diens opvoedings- of verzorgingscapaciteiten, terwijl evenmin is gebleken dat zij – terug in Kroatië – niet op aanvaardbare wijze haar leven weer zou kunnen oppakken. De minderjarige B heeft tijdens het kinderverhoor op 23 juli 2010 verklaard dat zij daar wil zijn waar haar moeder is. Nu haar moeder in Nederland woonachtig is, wil zij bij haar moeder in Nederland blijven. De omstandigheid dat zij liever bij haar moeder in Nederland wil blijven, is onvoldoende om te concluderen dat zij zich uitdrukkelijk verzet als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de omstandigheid dat de moeder de uitkomst van de asielprocedure in Nederland kan afwachten niet in de weg staat aan teruggeleiding van de minderjarigen, nu op geen enkele wijze is gebleken dat de minderjarigen zich bij hun vader, die mede met het gezag is belast, in een onveilige (opvoedings)situatie zouden bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 10-5078

Zaaknummer: 369711

Datum beschikking: 3 augustus 2010

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 18 juni 2010 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, thans geheten de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken van het directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Tractatenblad 1987, 139 (hierna: het Haagse Verdrag), gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[naam vader],

de vader,

wonende te [plaats A], Kroatië.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[naam moeder],

de moeder,

verblijvende te [plaats B],

advocaat: mr. H. Postma te Groningen.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 28 april 2010 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding naar Kroatië van na te melden minderjarigen.

Op 18 juni 2010 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Groningen ingediend.

Bij beschikking d.d. 22 juni 2010 heeft de rechtbank Groningen zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 15 juli 2010, met bijlage, van de zijde van de Centrale Autoriteit.

De minderjarigen [A], geboren op [geboortedatum A] 1995 te [plaats A] te Kroatië, en [B], geboren op [geboortedatum B] 1997 te [plaats A] te Kroatië, hebben zich op 23 juli 2010 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 23 juli 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab, de moeder met haar advocaat en vergezeld van mevrouw Z. Skoric-Petrovic, tolk.

Feiten

De vader en de moeder zijn op [huwelijksdatum] 1983 te [plaats A] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de nu nog minderjarigen geboren:

- [A], geboren op [geboortedatum A] 1995 te [plaats A] te Kroatië;

- [B], geboren op [geboortedatum B] 1997 te [plaats A] te Kroatië.

De vader, doofstom, en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Op 23 juni 2009 is de moeder met de minderjarigen bij de vader weggegaan.

Op 31 december 2009 heeft de vader een sms-bericht van de moeder uit Nederland ontvangen. Op dat moment wist de vader dat de moeder en de minderjarigen in Nederland verbleven.

De moeder heeft in Nederland asiel aangevraagd. Op deze aanvraag is afwijzend beslist, waartegen de moeder beroep heeft ingesteld, welk beroep, aldus de advocaat van de moeder, op 2 september 2010 door de rechtbank Assen zal worden behandeld.

Ten aanzien van de minderjarige [minderjarige A] is door de advocaat namens de moeder bij brief van 20 mei 2010 aan de Centrale Autoriteit te kennen gegeven dat [minderjarige A] graag terug wil naar haar vader in Kroatië en dat de moeder zal meewerken aan de teruggeleiding. Ten aanzien van de minderjarige [minderjarige B] is in die brief aangegeven dat deze minderjarige niet terug wil naar haar vader, maar bij de moeder wil blijven.

[minderjarige A] heeft haar wens tot terugkeer in een gesprek met de advocaat van 29 juni 2010 bevestigd.

Tijdens het kinderverhoor op 23 juli 2010 heeft [minderjarige A] evenwel te kennen gegeven niet terug te willen keren naar Kroatië. Hoewel zij haar vader graag zou willen zien en bij hem zou kunnen wonen, is het volgens haar beter om in Nederland te blijven.

De advocaat van de moeder, zo heeft zij ter zitting verklaard, heeft aan de moeder medegedeeld dat er geen grote kans bestaat dat het beroep tegen de weigering om haar asiel te verlenen gegrond zal worden verklaard.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit verzoekt, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen dan wel te bevelen dat - indien de moeder weigert de minderjarigen binnen de bepaalde termijn terug te brengen naar Kroatië - de moeder de minderjarigen met een geldig reisdocument aan de vader dient af te geven, zodat hij de minderjarigen mee terug kan nemen naar hun gewone verblijfplaats.

De moeder voert verweer tegen het verzochte, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

De moeder heeft met name uiteengezet dat het leven haar door haar Macedonische en orthodoxe achtergrond in Kroatië moeilijk wordt gemaakt door autoriteiten die haar het uitoefenen van haar bedrijf - te weten het opvangen en verzorgen van hulpbehoevende ouderen - onmogelijk maken. Het verweer tegen het teruggeleidingsverzoek heeft zich toegespitst op verzet daartegen van de minderjarigen als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag.

Beoordeling

Het Haagse Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Ongeoorloofd overbrengen in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

Niet in geschil is dat de minderjarigen ten tijde van hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Kroatië hadden en dat de vader het gezagsrecht ten tijde van de overbrenging daadwerkelijk tezamen met de moeder uitoefende, dan wel zou hebben uitgeoefend, indien de overbrenging niet zou hebben plaatsgevonden.

Nu de moeder de minderjarigen zonder toestemming van de vader naar Nederland heeft overgebracht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland in strijd met het gezagsrecht van de vader is geschied.

Gelet op het voorgaande dient de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland aangemerkt te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Haagse Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag

De rechtbank stelt voorop dat de moeder ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat de vader zich in het verleden niet schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Zij meent evenwel dat de vader, mede als gevolg van zijn doofstomheid, niet in staat is om voor de minderjarigen te zorgen.

Voor zover de moeder hiermee een beroep doet op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag, overweegt de rechtbank dat haar geen contra-indicaties ten aanzien van de opvoedings- en verzorgingskwaliteiten van de vader zijn gebleken. Daarbij neemt de rechtbank de door de Centrale Autoriteit overgelegde brief van het Ministerie van Volksgezondheid en Sociale Zaken van Kroatië van 13 juli 2010 in aanmerking. Hierin staat vermeld dat uit onderzoek van het Centrum voor Maatschappelijk Welzijn te Zagreb naar voren is gekomen dat de vader een zorgzame man is die in staat is om voor de minderjarigen te zorgen.

Gelet op het voorgaande gaat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag niet op.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de minderjarigen zich tegen hun terugkeer verzetten en of zij een leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt, die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank overweegt dat de minderjarigen, die thans dertien en vijftien jaar oud zijn, er tijdens het kinderverhoor op 23 juli 2010 blijk van hebben gegeven dat zij een dusdanige leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt dat de rechtbank met hun mening rekening zal houden.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een uitdrukkelijk verzet als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag. Daartoe wordt overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [minderjarige A] tot voor kort de wens had om terug te keren naar Kroatië. Ook tijdens een gesprek met de advocaat van de moeder op 29 juni 2010 heeft zij te kennen gegeven naar Kroatië te willen terugkeren. Eerst enkele dagen voor het kinderverhoor heeft [minderjarige A] zich bedacht, mogelijk vanwege een loyaliteitsconflict. Daar komt bij dat de in het kinderverhoor door [minderjarige A] geuite weerstand om terug te keren niet is gelegen in de persoon van de vader dan wel diens opvoedings- of verzorgingscapaciteiten, terwijl evenmin is gebleken dat zij - terug in Kroatië - niet op aanvaardbare wijze haar leven weer zou kunnen oppakken.

De minderjarige [minderjarige B] heeft tijdens het kinderverhoor op 23 juli 2010 verklaard dat zij daar wil zijn waar haar moeder is. Nu haar moeder in Nederland woonachtig is, wil zij bij haar moeder in Nederland blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [minderjarige B] zich hiermee niet uitdrukkelijk tegen een terugkeer naar Kroatië verzet als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag. De omstandigheid dat zij liever bij haar moeder in Nederland wil blijven, is daartoe onvoldoende. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de minderjarigen in het kader van een in Kroatië te voeren echtscheidingsprocedure tussen de ouders desgewenst naar voren kunnen brengen bij wie zij na de echtscheiding willen wonen.

Gelet op het voorgaande gaat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag evenmin op.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de omstandigheid dat de moeder de uitkomst van de asielprocedure in Nederland kan afwachten niet in de weg staat aan teruggeleiding van de minderjarigen, nu op geen enkele wijze is gebleken dat de minderjarigen zich bij hun vader, die mede met het gezag is belast, in een onveilige (opvoedings)situatie zouden bevinden.

Conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en de indiening van het onderhavige verzoekschrift. Nu de minderjarigen ongeoorloofd naar Nederland zijn overgebracht, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te worden gelast.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat de terugkeer naar Kroatië eerst op 15 september 2010 zal plaatsvinden, zodat de minderjarigen op hun terugkeer kunnen worden voorbereid en een eventuele uitspraak in hoger beroep kan worden afgewacht.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de teruggeleiding naar Kroatië van de minderjarigen [A], geboren op [geboortedatum A] 1995 te [plaats A] te Kroatië, en [B], geboren op [geboortedatum B] 1997 te [plaats A] te Kroatië, althans de afgifte van hen aan de vader, en wel op 15 september 2010;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.J. Hoekstra- van Vliet, J.M. Vink en M. Kramer, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2010.