Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3878

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
AWB 08/43464
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

4:6 / Iran / bekeerde Christen / WBV 2007/15

De rechtbank merkt eisers gestelde bekering tot het christendom aan als een nieuw feit dat zich na de eerdere procedure heeft voorgedaan. Dat geldt evenwel niet voor de stelling van eiser dat hij evangeliseert, nu hij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Nu niet op voorhand is uitgesloten dat eisers bekering tot het christendom kan afdoen aan het besluit tot afwijzing van de eisers eerste asielaanvraag, ziet de rechtbank aanleiding het onderhavige besluit op dit punt te beoordelen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet voldoet aan de in WBV 2007/15 gestelde voorwaarde, dat hij al problemen heeft ondervonden in zijn land van herkomst om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. In de eerste procedure is immers in rechte komen vast te staan dat niet aannemelijk is geworden dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht van de Basji staat. Eiser heeft aangevoerd dat het beleid in WBV 2007/15 kennelijk onredelijk is. Uit de na dit beleid verschenen ambtsberichten blijkt dat de situatie voor christenen in Iran is verslechterd. Gelet hierop dient eiser alleen al wegens zijn bekering tot het christendom een verblijfsvergunning asiel te worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de ambtsberichten van juli 2008, mei 2009 en januari 2010 van de minister van Buitenlandse Zaken, wat de positie van (bekeerde) christenen die niet evangeliseren betreft, geen aanleiding geven om het beleid in WBV 2007/15 te wijzigen. Het beleid om (bekeerde) christenen die niet evangeliseren niet enkel vanwege hun geloofsovertuiging in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel is dan ook niet kennelijk onredelijk. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/43464

V-nr:

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], van Iraanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 11 juli 2006 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 10 december 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig J. Rahimdoust, tolk Farsi.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten

Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend, op 11 april 2001. Deze aanvraag is bij besluit van 20 november 2001 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, bij uitspraak van 23 december 2002 (AWB 01/66019), gegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit is vernietigd. Bij besluit van 5 februari 2003 heeft verweerder eisers asielaanvraag wederom afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 24 juni 2004 (AWB 03/14118), ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 13 september 2004 (200406110), ongegrond verklaard.

Asielrelaas

Eiser heeft aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij heel vaak door de Basji is opgepakt omdat hij bijvoorbeeld samen met zijn vriendin aan het praten of wandelen was, hetgeen verboden is. Hij werd dan een tijdje vastgehouden, geslagen en na het betalen van steekpenningen weer vrijgelaten. Op een dag was eiser samen met zijn vrienden Said en Ali met de motor aan het rijden. Bij een verkeerscontrole is Said door de Basji neergeschoten, nadat zij een stopteken hadden genegeerd. Eiser en Ali zijn heel hard weggereden. Later die dag hoorde eiser van de moeder van Ali dat hij was gearresteerd door leden van de Basji. Eiser heeft vervolgens zijn land verlaten.

Eiser heeft ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag verwezen naar nieuwe informatie, waaruit volgens hem blijkt dat zijn asielrelaas destijds ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Verder heeft hij aangevoerd dat hij na zijn vertrek uit Iran is bekeerd tot het christendom. In mei 2006 is hij gedoopt. Na zijn bekering is eiser door zijn moeder verstoten. Eiser behoort tot de Perzische kerk Kores, een evangelische stroming. In Iran is het onmogelijk het geloof uit te dragen op de wijze die hoort bij zijn geloofsbeleving. Eiser heeft Iran verlaten voordat hij zijn militaire dienstplicht heeft vervuld, waarvoor hij bij terugkeer naar Iran zal worden gestraft. In de gevangenis zullen de autoriteiten dan op de hoogte raken van zijn bekering. Bovendien kan eiser geen paspoort krijgen omdat hij zijn militaire dienstplicht niet heeft vervuld, waardoor hij zonder paspoort naar Iran zal moeten terugkeren. Hierdoor loopt hij een verhoogd risico om in de negatieve belangstelling van de autoriteiten te geraken.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager in geval van een herhaalde aanvraag gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 13 juli 2006 (JV 2006, 397) en de uitspraak van 20 april 2007 (JV 2007, 263) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die beslissing uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd (nova), dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998, 45) voordoen.

3. Onder nova moeten volgens vaste jurisprudentie worden verstaan feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden en behoorden te worden aangevoerd, alsmede stukken die kunnen dienen ter ondersteuning van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

4.1 Verweerder heeft eisers eerste aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiser heeft toerekenbaar geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute overgelegd. Dit, alsmede het feit dat eiser voor zijn komst naar Nederland in Turkije, Maleisië en op de Malediven heeft verbleven zonder asiel aan te vragen, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Voorts doet de door eiser overgelegde kopie van zijn geboorteboekje, dat een pasfoto bevat, ernstige afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Eiser bevond zich ten tijde van zijn achttiende verjaardag immers al in Nederland, terwijl volgens het algemeen ambtsbericht inzake Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2001 pas een pasfoto aan het geboorteboekje wordt toegevoegd als de houder ervan achttien jaar oud is. Voornoemde overwegingen zijn door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 24 juni 2004 in rechte komen vast te staan. In het besluit in de eerste procedure is verder overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht van de Basji zou staan. In genoemde uitspraak is overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat aan het relaas geen geloof kan worden gehecht. Ook dit oordeel staat derhalve in rechte vast.

4.2 Eiser heeft ter onderbouwing van onderhavige aanvraag verwezen naar pagina 37 en 38 van het algemeen ambtsbericht inzake Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van februari 2006, waaruit blijkt dat het mogelijk is dat al voor de achttiende verjaardag een pasfoto in het geboorteboekje is aangebracht. De rechtbank overweegt dat in de betreffende passage van het ambtsbericht niet staat vermeld dat deze mogelijkheid ook al bestond ten tijde van het overleggen van een kopie van het geboorteboekje door eiser. Zulks kan naar het oordeel van de rechtbank echter wel worden afgeleid uit de in beroep door eiser overgelegde emailwisseling van 19 december 2008 met iemand die werkzaam is bij een universiteit [naam, nadere aanduiding]. Alhoewel deze informatie dateert van na eisers eerste asielprocedure en de in die procedure ingenomen stelling, dat het mogelijk is dat een geboorteboekje uit Iran een pasfoto bevat voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd, onderbouwt, kan het niet worden aangemerkt als een novum dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigt, nu op voorhand is uitgesloten dat het kan afdoen aan het eerdere besluit. Verweerders conclusie dat niet aannemelijk is dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht van de Basji staat is immers op meerdere overwegingen gebaseerd die, ook zonder de overweging omtrent de door eiser overgelegde kopie van zijn geboorteboekje, die conclusie kunnen dragen.

5.1 Eiser heeft voorts ter onderbouwing van onderhavige aanvraag naar voren gebracht dat hij na de eerste asielprocedure is bekeerd tot het christendom. De rechtbank stelt vast dat uit het verslag van het gehoor van 12 juli 2006 kan worden afgeleid dat eiser aan de gehoorambtenaar een origineel doopcertificaat van de Perzische kerk Kores heeft getoond en dat een kopie daarvan zich in het dossier bevindt. Voorts is niet gebleken dat verweerder het betreffende document niet authentiek heeft bevonden. Gelet hierop, alsmede de door eiser in de gehoren van 12 juli 2006 en 8 september 2006 afgelegde verklaringen over het christendom, zijn bekering en het geloof, is de rechtbank van oordeel dat eisers bekering tot het christendom is aan te merken als een nieuw feit dat zich na de eerdere asielprocedure heeft voorgedaan.

Dit geldt evenwel niet voor eisers stelling dat hij evangeliseert. Eiser heeft in zijn gehoor van 12 juli 2006 verklaard dat hij de Perzische Kerk bezoekt, dat dit een evangelische kerk is en dat het de taak van de Perzische Kerk is het evangelie te verbreiden. De rechtbank overweegt dat eiser zijn stelling dat het de taak van de Perzische Kerk is te evangeliseren, niet heeft onderbouwd. Dit is, nog los van het feit dat namens eiser ter zitting is verklaard dat hij thans tot de gereformeerde kerk [plaatsnaam] behoort, evenmin als feit van algemene bekendheid te beschouwen. Eiser heeft verder verklaard noch onderbouwd dat alle leden van de Perzische Kerk Kores dan wel zijn huidige kerk actief evangeliseren. Ook valt uit eisers verklaringen in de eerder genoemde gehoren niet af te leiden dat hij zelf actief evangeliseert en op welke wijze hij dat doet. Weliswaar is in de brief van 25 maart 2008 door eisers gemachtigde gesteld dat eiser actief uiting geeft aan zijn geloof en dat hij evangeliseert, maar dit is niet onderbouwd noch nader geconcretiseerd. Tot slot is ook de in beroep ingenomen stelling dat eiser zes mensen heeft bekeerd op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dit evenmin tot het oordeel leidt dat eisers stelling dat hij actief evangeliseert als een nieuw feit is aan te merken dat zich na de eerdere asielprocedure heeft voorgedaan.

5.2 Het voorgaande neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat niet op voorhand is uitgesloten dat eisers bekering tot het christendom kan afdoen aan de eerdere afwijzing van eisers asielaanvraag en de overwegingen waarop dat besluit rust. Gelet hierop dient het bestreden besluit op dit punt te worden beoordeeld.

6.1 Verweerder heeft eisers bekering tot het christendom getoetst aan het beleid zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2007/15 en geconcludeerd dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000.

6.2 Eiser heeft onder meer betoogd dat hij wel aan de voorwaarden van WBV 2007/15 voldoet.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.3 Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; (…).

6.4 In WBV 2007/15 zijn christenen opgenomen als één van de groepen van personen die verhoogde aandacht vragen. Dit betekent volgens het WBV dat wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, het aannemelijk wordt geacht dat sprake is van een negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij behoudens contra-indicaties in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is paragraaf C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 van toepassing. Voor hen geldt dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

6.5 Eiser heeft zich in Nederland bekeerd tot het christendom. De rechtbank leest voornoemd beleid en de daarin opgenomen verwijzing naar de destijds geldende paragraaf C2/2.6 van de Vc 2000 zo, dat eiser gelet hierop slechts in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 indien zijn bekering in Nederland een uitvloeisel zou zijn van een overtuiging die reeds bestond in zijn land van herkomst. Eiser heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2010 (LJN: BL0267) betoogd dat dit zogenaamde continuïteitsvereiste niet meer kan worden gesteld sinds het verstrijken van de implementatietermijn van artikel 5 van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen en derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming. Dit laat echter onverlet dat WBV 2007/15 als voorwaarde stelt dat al problemen moeten zijn ondervonden die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen, om na bekering in Nederland in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Dat dit eveneens in strijd zou zijn met de afschaffing van het continuïteitsvereiste, zoals eiser nog heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet. Wat de in Nederland bekeerde christenen betreft gaat het immers per definitie om problemen die zijn ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, zodat geen sprake is van continuïteit in dat opzicht.

6.6 Eiser heeft betoogd dat hij aan de voorwaarden van WBV 2007/15 voldoet, nu hij immers in het verleden problemen van de zijde van de Basji heeft ondervonden, welke niet ongeloofwaardig zijn bevonden. De rechtbank volgt dit betoog niet. Zoals in rechtsoverweging 4 is overwogen, is in de eerste procedure in rechte komen vast te staan dat niet aannemelijk is geworden dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht van de Basji staat. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat daarmee geen sprake is van problemen zoals bedoeld in WBV 2007/15. Eiser voldoet derhalve niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zoals gesteld door deze WBV.

7.1 Eiser heeft voorts betoogd dat hij toch voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000 in aanmerking komt, enkel vanwege zijn bekering tot het christendom. De situatie in Iran voor (evangeliserende) christenen is sinds de totstandkoming van WBV 2007/15 verslechterd. Hierbij verwijst hij onder meer naar het algemeen ambtsbericht van juli 2008 inzake Iran van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hieruit blijkt dat mensen die zoals eiser behoren tot de zogenaamde ‘nieuwe’ kerken, dit zijn christelijke groeperingen die bekeringsactiviteiten ontplooien, in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan. Daarbij komt dat het Iraanse parlement begin september 2008 een wet heeft goedgekeurd waarin is opgenomen dat afvalligen van de islam de doodstraf moeten krijgen. Eiser heeft verder informatie van Amnesty International overgelegd, die een concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van juli 2008, waarin is overwogen dat geen gevallen bekend zijn van christenen die worden vervolgd vanwege het enkele feit dat zij christen zijn en waarin is opgenomen dat niet bekend is of in de verslagperiode geweld tegen christenen en/of tegen tot het christendom bekeerde voormalige moslims is gebruikt. Hierbij heeft eiser tevens verwezen naar een passage uit het US State Department International Religious Freedom Report 2008. Voorts heeft eiser in beroep verwezen naar de pagina’s 15 en 16 van het thematisch ambtsbericht situatie christenen en homoseksuelen in Iran van mei 2009 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken alsmede de pagina’s 43 tot en met 46 van het algemeen ambtsbericht inzake Iran van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van januari 2010. Hieruit blijkt dat de situatie in Iran voor zowel bekeerlingen als evangeliserende bekeerlingen is verslechterd. Gelet op het voorgaande is het beleid in WBV 2007/15, dat sprake moet zijn van eerder in Iran ondervonden problemen om als (evangeliserende) bekeerling in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, onredelijk, aldus eiser.

7.2 Verweerder heeft overwogen dat eiser niet vanwege zijn enkele bekering tot het christendom in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Uit de pagina’s 44 tot en met 46 van het algemeen ambtsbericht van juli 2008 blijkt dat geen gevallen bekend zijn van vervolging van christenen, geboren of bekeerd, die worden of werden vervolgd vanwege het enkele christen zijn. De door eiser overgelegde informatie van Amnesty International van 11 juni 2008 en 7 juli 2008 vormt geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid, volledigheid of zorgvuldigheid van het ambtsbericht. Tevens blijkt uit dat ambtsbericht dat in de Iraanse strafwetgeving (nog) geen strafbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot apostasie (afvalligheid van de islam). Dit ambtsbericht is voor verweerder dan ook geen aanleiding geweest om WBV 2007/15 te wijzigen. Ook het thematisch ambtsbericht van mei 2009 noch het algemeen ambtsbericht van januari 2010 geven aanleiding tot wijziging van dit beleid, aldus verweerder in reactie op het door eiser in beroep ingenomen standpunt hieromtrent.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.3.1 Zoals in rechtsoverweging 5.1 reeds is overwogen kan eisers stelling dat hij actief evangeliseert niet als een nieuw feit worden aangemerkt dat zich na zijn eerdere asielprocedure heeft voorgedaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding in te gaan op de positie van evangeliserende christenen in Iran, maar zal zich beperken tot de vraag of de informatie die eiser heeft overgelegd aanleiding geeft tot de conclusie dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet vanwege zijn enkele bekering tot het christendom in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

7.3.2 De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat de situatie voor bekeerde christenen in Iran sinds de totstandkoming van WBV 2007/15 is verslechterd. Zo is de zinsnede in het algemeen ambtsbericht van juli 2008, dat geen gevallen bekend zijn van vervolging van christenen, geboren of bekeerd, die worden of werden vervolgd vanwege het enkele christen zijn, niet in het thematisch ambtsbericht van mei 2009 en het algemeen ambtsbericht van januari 2010 opgenomen. In plaats daarvan staat in beide ambtsberichten (op pagina 8 respectievelijk pagina 43) vermeld dat er aanwijzingen zijn dat in de verslagperiode (bekeerde) christenen werden lastiggevallen en/of geïntimideerd. Verder staat op pagina 15 van het thematisch ambtsbericht van mei 2009 vermeld dat blijkens documentatie in 2008 op zijn minst 73 arrestaties van (bekeerde) christenen zouden hebben plaatsgevonden. Ook in de eerste maanden van 2009 is volgens dit ambtsbericht sprake van toenemende intimidatie van bekeerde christenen door de autoriteiten. Volgens lokale bronnen zou er soms wel gesproken kunnen worden van een golf van arrestaties. Het thematisch ambtsbericht beschrijft voorts enkele concrete gevallen van arrestatie van bekeerde christenen. In het algemeen ambtsbericht van januari 2010 staat voorts op pagina 46 vermeld: ‘Laatste maanden is er sprake van meer druk op (bekeerde) christenen. Begin augustus 2009 werd melding gemaakt van de arrestatie van dertig bekeerlingen in Teheran en omgeving, alsmede in de stad Rasht. De meesten van hen werden na een dag weer vrijgelaten. Anderen zouden nog vastzitten.’

7.3.3 Alhoewel uit het voorgaande blijkt van een toenemende negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten voor (bekeerde) christenen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de informatie in de ambtsberichten van mei 2009 en januari 2010 niet kan worden afgeleid dat deze negatieve belangstelling dusdanig is, dat iedere (bekeerde) christen enkel vanwege zijn geloofsovertuiging te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Dit geldt evenmin voor christenen die na hun bekering in het buitenland naar Iran terugkeren. De rechtbank verwijst hierbij naar pagina 47 van het algemeen ambtsbericht van juli 2008, waarin is opgenomen dat van enige bijzondere aandacht van de Iraanse autoriteiten voor christenen en tot het christendom bekeerde voormalige moslims onder de terugkerende Iraniërs niets bekend is. Deze passage is herhaald op pagina 16 van het thematisch ambtsbericht van mei 2009 en op pagina 46 van het algemene ambtsbericht van januari 2010. Dat het Iraanse parlement begin september 2008 een wet heeft goedgekeurd waarin is opgenomen dat afvalligen van de islam de doodstraf moeten krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Ook volgens het algemeen ambtsbericht van januari 2010 zijn in de Iraanse strafwetgeving immers (nog) geen strafbepalingen opgenomen met betrekking tot afvalligheid.

7.3.4 Eiser heeft verder gewezen op de omstandigheid dat uit de eerdergenoemde ambtsberichten blijkt dat bekeerlingen in Iran worden gediscrimineerd op het gebied van uitreis, paspoortverstrekking, toegang tot de universiteit en degradatie op het werk en dat zij moeilijkheden ondervinden om rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden te zoeken. De rechtbank constateert dat verweerder hierop in zijn besluit niet is ingegaan, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter geen aanleiding het bestreden besluit op deze grond te vernietigen, nu uit de ambtsberichten niet blijkt dat sprake is van een dusdanige discriminatie dat iedere (bekeerde) christen reeds hierom in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

7.3.5 De conclusie luidt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de ambtsberichten van 2008, 2009 en 2010, wat de positie van (bekeerde) christenen die niet evangeliseren betreft, geen aanleiding geven om het beleid ten aanzien van christenen in WBV 2007/15, te wijzigen. Gelet hierop komt de rechtbank ook tot het oordeel dat het beleid om (bekeerde) christenen die niet evangeliseren niet vanwege enkel hun geloofsovertuiging in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning niet kennelijk onredelijk is.

8.1 Het voorgaande laat onverlet dat, behalve reeds ondervonden problemen voor vertrek uit Iran, sprake kan zijn van bijkomende individuele omstandigheden die in samenhang met eisers bekering tot het christendom bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging zouden opleveren dan wel een reëel risico op een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 van het EVRM.

8.2 Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat zijn bekering reeds bekend is bij de Iraanse autoriteiten, zowel via zijn familie als via spionageactiviteiten binnen de Perzische kerk Kores. Daarbij heeft eiser zijn dienstplicht ontdoken en heeft hij langdurig in het buitenland verbleven. Dit, tezamen met het feit dat eiser zonder geldig paspoort naar Iran zal moeten terugkeren en de algemene slechte veiligheidssituatie in Iran, levert volgens eiser bij zijn terugkeer de negatieve aandacht van de autoriteiten op.

De rechtbank overweegt als volgt.

8.3 Voor zover ervan dient te worden uitgegaan dat de Iraanse autoriteiten reeds van eisers bekering op de hoogte zijn, leidt dit niet tot het oordeel dat eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Zoals reeds is overwogen heeft eiser immers geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat iedere (bekeerde) christen, al dan niet uit het buitenland in Iran terugkerend, enkel vanwege zijn geloofsovertuiging te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 van het EVRM.

8.4 Voor zover hetgeen eiser omtrent het ontduiken van zijn dienstplicht heeft aangevoerd als een nieuw feit moet worden beschouwd, sluit de rechtbank zich aan bij hetgeen verweerder hieromtrent heeft overwogen. Eiser heeft zijn identiteit niet met een origineel document aannemelijk gemaakt. Er is immers slechts een kopie van zijn geboorteboekje overgelegd, dat niet op authenticiteit kan worden onderzocht. Derhalve bestaat onduidelijkheid over de leeftijd waarop eiser naar Nederland is gekomen en of hij zijn dienstplicht in Iran derhalve niet reeds heeft vervuld. Voor zover hetgeen eiser ten aanzien van het ontbreken van zijn paspoort heeft aangevoerd als nieuw moet worden beschouwd, sluit de rechtbank eveneens aan bij hetgeen verweerder hieromtrent heeft overwogen, namelijk dat uit het algemeen ambtsbericht van juli 2008 blijkt dat eiser ook met een laissez passer kan inreizen. Het ontbreken van een geldig paspoort hoeft derhalve bij terugkeer naar Iran geen problemen te veroorzaken.

8.5 Uit het voorgaande volgt dat de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden, ook cumulatief bezien en in samenhang met eisers bekering tot het christendom, niet tot de conclusie leiden dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging zouden opleveren dan wel een reëel risico op een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 van het EVRM.

9. Eiser heeft tenslotte nog aangevoerd dat hij door zijn familie is verstoten en dat hij bij terugkeer in Iran te vrezen heeft voor zijn familie. Daarbij heeft hij erop gewezen dat uit het algemeen ambtsbericht van juli 2008 blijkt dat problemen die bekeerlingen ondervinden meestal uit de familiesfeer afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt in navolging van verweerder dat niet nader onderbouwd noch geconcretiseerd is welke problemen eiser van de zijde van zijn familie vreest. Reeds hierom kan niet de conclusie worden getrokken dat eiser op grond van deze problemen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000.

10. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

11. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/43464,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree, voorzitter, en mrs. C.W.M. Giesen en H.B. van Gijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2010.

De griffier

De voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

Bij afwezigheid van de voorzitter tekent de oudste rechter van de meervoudige kamer, mr. C.W.M. Giesen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: ST

Coll.: JW

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.