Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3832

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09/925200-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1321, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een zeer groot aantal valse Franse en Belgische paspoorten, Belgische legeszegels en Schengen-visa voorhanden gehad. Deze paspoorten en visa waren niet voorzien van enige personalia en pasfoto's.

Daarnaast was verdachte in het bezit van gestolen Nederlandse paspoorten. Heling van gestolen paspoorten betreft een ernstig feit, daar dit bijdraagt aan het in omloop komen van vervalste reisdocumenten.

Ten slotte heeft verdachte zelf gebruik gemaakt van valse reisdocumenten, waaronder een vals paspoort met andere personalia.

Verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens de terechtzitting volgehouden dat hij niets te maken heeft met de valse en gestolen reisdocumenten. Uit deze proceshouding blijkt enerzijds dat verdachte de laakbaarheid van zijn handelen niet wenst in te zien en anderzijds dat hij geen verantwoording wil nemen voor zijn daden.

Gevangenisstraf van 36 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/925200-10

Datum uitspraak: 12 augustus 2010

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats A.] (Algerije) op [geboortedatum] 1970,

([alias], geboren te [geboorteplaats B.] (Algerije) op [geboortedatum] 1966),

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 juli 2010.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Y. de Groot heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

1.

hij op of omstreeks 24 maart 2010 te 's-Gravenhage, zeven, althans een of meer Nederlandse paspoorten (op naam van [A.] en/[C.] (geboren op [geboortedatum]) en/of [C.] (geboren op [geboortedatum]) en/of [D.] en/of [E.] en/of [F.] en/of [G.]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die Nederlandse paspoorten wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 maart 2010 te 's-Gravenhage in het bezit was van een of meer reisdocumenten, te weten 61, althans een of meer valse paspoorten van Frankrijk en/of 18, althans een of meer valse paspoorten van België, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze reisdocument vals of vervalst waren, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat

- deze Franse paspoorten niet van personalia zijn voorzien en/of totaal vals/niet origineel zijn en/of

- deze Belgische paspoorten niet van personalia zijn voorzien en/of totaal vals/niet origineel zijn ;

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, 61 blanco Franse en/of 18 Belgische blanco paspoorten heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze blanco Franse en/of Belgische paspoorten wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 maart 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, stoffen en/of voorwerpen, te weten:

- 61, althans enig aantal Franse paspoorten, niet van personalia voorzien en/of

- 18, althans enig aantal Belgische paspoorten, niet van personalia voorzien en/of

- 26, althans enig aantal Belgische legeszegels en/of

- 5, althans enig aantal Schengen visa,

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 231, eerste lid, omschreven misdrijf, namelijk bestemd tot het vervalsen of valselijk opmaken van (een) reisdocument(en);

art 234 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 24 maart 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft voorhanden gehad

a) een vals of vervalst Nederlands rijbewijs ten name van [H.] en/of

b) een vals of vervalst Frans rijbewijs,

zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dit geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) deze/het echt en onvervalst, immers

a) was op dat Nederlands rijbewijs een pasfoto aangebracht met de beeltenis van verdachte en/of

b) was dat Franse rijbewijs niet van personalia voorzien en/of was op dat Franse rijbewijs geen pasfoto aangebracht;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

De rechtmatigheid van de aanhouding.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er ten tijde van de aanhouding van verdachte onvoldoende feiten en omstandigheden waren op grond waarvan een redelijk vermoeden van schuld kon ontstaan dat verdachte zich aan strafbare feiten had schuldig gemaakt. Ten eerste zijn er onvoldoende aanwijzingen in het dossier aanwezig waaruit kan worden afgeleid op grond van welke feiten en omstandigheden personen, die in verband werden gebracht met pand nummer 23, tevens verdacht werden van Opiumwetdelicten. Daarnaast heeft de politie verdachte zien staan op het dakterras, dat voor meerdere woningen toegankelijk was. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte iets te maken had met pand nummer 23. De politie was bovendien al op de hoogte van het feit dat verdachte woonachtig was in pand nummer 27. De aanhouding is aldus onrechtmatig geweest. Door deze gang van zaken is zonder grond in de tas van verdachte gekeken en zijn de goederen op de dagvaarding op onrechtmatige wijze gevonden. Daar dit verzuim niet meer hersteld kan worden en er sprake is van de overtreding van een wezenlijk beginsel in het strafproces, dient er bewijsuitsluiting te volgen. Verdachte dient als gevolg daarvan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 24 maart 2010 vond in de woning aan de [a-straat] 23 te 's Gravenhage een doorzoeking op grond van een verdenking van overtreding van de Opiumwet plaats. Een verbalisant hoorde tijdens de doorzoeking opeens eens schuivend geluid en zag dat er een persoon, naar later bleek verdachte, zich op het aangrenzende dakterras bevond. Verdachte had een donkere tas in zijn handen vast. Verdachte is aangehouden op grond van een verdenking van overtreding van de Opiumwet en bij zijn aanhouding zijn in zijn tas de goederen, welke op de dagvaarding worden genoemd, aangetroffen.

De vraag op grond van welke feiten en omstandigheden verbalisanten in de woning aan de [a-straat] 23 zijn binnengetreden en of dit rechtmatig was, speelt in onderhavig geval geen rol. Verdachte was immers niet de bewoner van deze woning, maar van de woning aan de [a-straat] 27. Verdachte is daarmee niet getroffen in het belang dat de Algemene wet op het binnentreden beoogt te beschermen.

Ten aanzien van verdachte bestond er naar het oordeel van de rechtbank voldoende verdenking voor betrokkenheid bij een overtreding van de Opiumwet. Voorafgaande aan de doorzoeking van voornoemde woning waren alle vertrekken en uitgangswegen van de woning gecontroleerd. Verdachte bevond zich ineens op het terras dat in opzet uitsluitend toegankelijk is voor de bewoners van de woning waar op dat moment de doorzoeking gaande was. Op het moment dat verdachte de aanwezige verbalisant zag, wilde hij het terras verlaten en naar het terras van de naastgelegen woning gaan. Daarnaast heeft verdachte niet gereageerd op het aanroepen van de verbalisant dat hij moest blijven staan. Op het moment van aanspreken had verdachte een zwarte tas in zijn rechterhand die hij, toen hij uiteindelijk tot stilstand was gekomen in een hoek van het terras, op de grond plaatste. Dit alles tezamen maakt dat er voor de politie op dat moment voldoende verdenking bestond en zijn de aanhouding en de doorzoeking van verdachtes tas niet onrechtmatig geweest. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat alleen verbalisant [verbalisant A.] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte de zwarte tas in zijn handen had. Verdachte verklaart zelf dat hij de tas niet heeft vastgehad en dat het niet zijn tas is. Daar verbalisant [verbalisant A.] zich kan hebben vergist en er verder in de tas niets is aangetroffen dat rechtstreeks met verdachte in verband kan worden gebracht, bestaat er voldoende twijfel en dient verdachte te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In het dossier bevinden zich twee ambtsedig opgemaakte processen-verbaal van verbalisant [verbalisant A.] (proces-verbaal van aanhouding PL1514 2010061856-2 d.d. 24 maart 2010 en proces-verbaal bevindingen d.d. 13 juli 2010), waarin duidelijk wordt beschreven dat verbalisant [verbalisant A.] heeft gezien dat verdachte op het moment van aanspreken de zwarte tas in zijn (rechter)hand hield. Nadat verdachte zich in een hoek van het terras had vastgelopen, heeft hij de tas op de grond geplaatst. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan deze ambtsedig opgemaakte processen-verbaal en verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

De bewezenverklaring.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de dagvaarding voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging dat:

1.

hij op 24 maart 2010 te 's-Gravenhage zeven Nederlandse paspoorten (op naam van [A.] en [B.] (geboren op [geboortedatum]) en [C.] (geboren op [geboortedatum]) en [D.] en [E.] en [F.] en [G.]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die Nederlandse paspoorten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2.

hij op 24 maart 2010 te 's-Gravenhage in het bezit was van reisdocumenten, te weten 61 valse paspoorten van Frankrijk en 18 valse paspoorten van België, waarvan hij wist dat deze reisdocumenten vals waren, bestaande de valsheid hieruit dat

- deze Franse paspoorten niet van personalia zijn voorzien en totaal vals zijn en

- deze Belgische paspoorten niet van personalia zijn voorzien en totaal vals zijn;

3.

hij op 24 maart 2010 te 's-Gravenhage voorwerpen, te weten:

- 61 Franse paspoorten, niet van personalia voorzien en

- 18 Belgische paspoorten, niet van personalia voorzien en

- 25 Belgische legeszegels en

- 5 Schengen visa,

voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 231, eerste lid, omschreven misdrijf, namelijk bestemd tot het valselijk opmaken van reisdocumenten;

4.

hij op 24 maart 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft voorhanden gehad

a) een vals Nederlands rijbewijs ten name van [H.] en

b) een vals Frans rijbewijs,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst, immers

a) was op dat Nederlands rijbewijs een pasfoto aangebracht met de beeltenis van verdachte en

b) was dat Franse rijbewijs niet van personalia voorzien en was op dat Franse rijbewijs geen pasfoto aangebracht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een zeer groot aantal valse Franse en Belgische paspoorten, Belgische legeszegels en Schengen-visa voorhanden gehad. Deze paspoorten en visa waren niet voorzien van enige personalia en pasfoto's. Valse reisdocumenten dienen ertoe aan diegenen, die niet op een legale manier een reisdocument kunnen verkrijgen, toch toegang of verblijf te verschaffen tot Nederland en/of andere Schengen-landen. Het verstrekken van valse reisdocumenten draagt bij tot het in standhouden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd. Tevens maakt dit een ernstige inbreuk op het vertrouwen dat in de juistheid van reisdocumenten behoort te kunnen worden gesteld en verhindert dat deugdelijk kan worden vastgesteld of de gebruikers van een dergelijk document geen gevaar voor de openbare orde opleveren en of hun om die reden niet de toegang tot het land moet worden geweigerd.

Daarnaast was verdachte in het bezit van gestolen Nederlandse paspoorten. Heling van gestolen paspoorten betreft een ernstig feit, daar dit bijdraagt aan het in omloop komen van vervalste reisdocumenten. Daarnaast levert het de slachtoffers veel ongemak op, daar zij bij de gemeente een nieuw identiteitsbewijs dienen aan te vragen en te betalen.

Ten slotte heeft verdachte zelf gebruik gemaakt van valse reisdocumenten, waaronder een vals paspoort met andere personalia.

Verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens de terechtzitting volgehouden dat hij niets te maken heeft met de valse en gestolen reisdocumenten. Uit deze proceshouding blijkt enerzijds dat verdachte de laakbaarheid van zijn handelen niet wenst in te zien en anderzijds dat hij geen verantwoording wil nemen voor zijn daden.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Uittreksels Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2010 betreffende verdachte (die zowel onder de naam [alias] als [verdachte] een strafblad heeft), waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Al het bovenstaande in overweging nemende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, daar verdachte illegaal in Nederland verblijft en na de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf hoogstwaarschijnlijk zal worden uitgezet naar Algerije.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

55, 57, 225, 231, 234 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1:

Opzetheling, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2 primair:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

Voorwerpen voorhanden hebben, wetende dat zij bestemd zijn tot het valselijk opmaken of vervalsen van een reisdocument, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mrs. M.M. Meessen en S.M. Christiaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.I. Hendricks, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2010.