Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3826

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
Awb 09/47193 en 10/27029
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alhoewel aan artikel 8 van het EVRM in het kader van vergunningverlening als gevolg van artikel 29, eerste lid, sub e en f, geen zelfstandige betekenis toekomt, oordeelt de rechtbank dat waar het de uitleg van de term ‘family life’ betreft, deze in harmonie dient te zijn met de uitleg die het EHRM daaraan heeft gegeven in het kader van artikel 8 van het EVRM. Geconcludeerd wordt dat er een te grote discrepantie is tussen de door verweerder in de onderhavige zaak voorgestane uitleg van het begrip ‘feitelijke gezinsband’ in artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 en de door het EHRM daaraan gegeven invulling in de zaak Tuquabo-Tekle versus Nederland van 1 december 2005 (JV 2006, 34). Uitgangspunt dient te zijn dat een feitelijke gezinsband tussen ouders en eigen kinderen verondersteld wordt aanwezig te zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie. De rechtbank oordeelt dat verweerders motivering dat er sprake is van een dergelijke situatie onvoldoende draagkrachtig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummers: AWB 09/ 47193 AWB 10/ 27029

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres (1)], eiseres (1)

[eiseres (2)], eiseres (2), gezamenlijk te noemen eiseressen.

gemachtigde mr. A.J. Eertink,

tegen

de Minister van Buitenlandse zaken, verweerder.

1. Procesverloop

1.2. Bij faxbericht van 17 december 2009 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 november 2009. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen van 29 mei 2009, gericht tegen het besluit van 12 mei 2009, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseressen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zijnde een visum in de zin van het Souverein Besluit van 1813, afgewezen. Bij schrijven van 18 januari 2010 zijn de gronden van het beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde gezonden.

1.4. De openbare behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Aldaar is verschenen de gemachtigde Eertink voornoemd en de referent [naam referent]. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.E.P. Peijnenburg. Als tolk was aanwezig W. Jaafar.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank stelt, partijen gehoord hebbende, vast dat, alhoewel in het beroepschrift slechts melding wordt gemaakt van eiseres sub 1, geacht moet worden beroep te zijn ingesteld namens beide bovenvermelde eiseressen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een kennelijke misslag van de voormalig gemachtigde van eiseressen,

mr. J.P.H. Thissen.

Ter zitting heeft verweerder in dit verband desgevraagd verklaard zich in dit oordeel te kunnen vinden en zich hierdoor niet geschaad te achten in zijn procesbelangen.

2.2. Eiseressen, geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum], en in het bezit van de Egyptische nationaliteit, zijn de twee minderjarige kinderen van de in Nederland woonachtige [naam referent] (hierna: referent). Referent, eveneens in het bezit van de Egyptische nationaliteit, is op 23 juli 2002 Nederland ingereisd en bij besluit van 10 april 2007 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referent heeft ten behoeve van de overkomst van zijn twee in Egypte woonachtige kinderen (eiseressen) op 10 juli 2007 en op 2 september 2008 bij de Visadienst een verzoek om advies ingediend. De Visadienst heeft ten aanzien van beide verzoeken een negatief advies afgegeven. Op 11 februari 2009 heeft referent bij de Nederlandse vertegenwoordiger te Caïro namens zijn twee kinderen een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf, teneinde op grond van de tijdelijke overgangsregeling niet-tijdige aanvraag gezinshereniging onder geleide van de Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 van 29 mei 2008 onder nummer 2008/17 (hierna: de overgangsregeling), voor gezinshereniging in aanmerking te komen.

2.3. De aanvraag is bij besluit van 12 mei 2009 afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de datum van vergunningverlening aan referent (10 april 2007), de aanvraag van eiseressen ten onrechte wordt gestoeld op de overgangsregeling. Deze regeling is immers enkel van toepassing op personen aan wie op 1 april 2001, doch uiterlijk op 1 oktober 2006 een verblijfsvergunning asiel is verleend. Aangezien referent binnen de zogenaamde nareistermijn op 10 juli 2007 voor de eerste maal in dit verband bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend, dient ten aanzien van de onderhavige aanvraag het toetsingskader van 29 eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 van toepassing te worden geacht. Er bestaat volgens verweerder evenwel geen rechtsgrond om eiseressen op grond van voormeld artikel een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat in deze niet wordt voldaan aan de vereisten van het toepasselijke beleid, zoals neergelegd in onderdeel C2/6 ‘afgeleide verblijfsvergunning’ onder 6.1 van de Vc 2000, omdat eiseressen volgens verweerder feitelijk niet tot het gezin van referent behoren.

2.4. Ter beoordeling ligt voor de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.5. Voor verblijf hier te lande langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 13 van de Vw 2000.

Met het oog hierop pleegt een vraag om verlening van een mvv te worden getoetst aan dezelfde criteria als die gelden voor een beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

2.6. Op grond van het bepaalde in artikel 29, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

2.7. Het ten tijde hier van belang van toepassing zijnde beleid, zoals thans neergelegd in onderdeel C2/6 ‘afgeleide verblijfsvergunning’ onder 6.1 van de Vc 2000, luidt voor zover van belang als volgt.

“(..)

6.1 Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning

Een verblijfsvergunning asiel kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft gekregen op basis van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, a tot en met d, van de Vw.

(..)

Cumulatieve vereisten (in beide gevallen) zijn: (..)

• dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin;

• dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, zijn nagereisd.

De driemaanden termijn gaat in op het moment dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend binnen de drie maanden dan wel indien de gezinsleden in het buitenland een mvv aanvragen binnen die drie maanden, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag. (..).

Feitelijk behoren tot het gezin

De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk hebben behoord tot diens gezin. (..)

De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. (..)

De biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon indien de gezinsband als verbroken moet worden beschouwd.

Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

• het kind is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon;

(..).

De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt. “.

2.8. Allereerst is aan de orde de vraag of verweerder in deze het juiste toetsingskader heeft toegepast door de aanvraag van eiseressen te toetsen aan het bepaalde in artikel 29, eerste lid aanhef en onder e van de Vw 2000, terwijl de gemachtigde heeft aangevoerd dat het toetsingskader van de overgangsregeling ten deze van toepassing is.

2.9. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de overgangsregeling is ingegeven door het feit dat met de invoering van de Vw 2000 op 1 april 2001 er uitdrukkelijk voor is gekozen om de nareistermijn die vóór de invoering van de wet gesteld was op 6 maanden, terug te brengen tot 3 maanden. Sinds 1 oktober 2006 bestaat er op grond van artikel 22 van Richtlijn 2004/83 een actieve informatieverstrekking hieromtrent. Het ontbreken van een dergelijke informatieverstrekking heeft er in het verleden toe geleid dat het verzoek om advies ten behoeve van nareizende gezinsleden te laat door de vreemdeling werd ingediend om nog voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid onder e en f, Vw 2000 in aanmerking te kunnen komen. Om recht te doen aan de omstandigheid waarin deze categorie vreemdelingen verkeert, is de onderhavige regeling in het leven geroepen, welke van toepassing is op die personen aan wie op 1 april 2001, doch uiterlijk op 1 oktober 2006 een verblijfsvergunning asiel is verleend (en niet op de voorgeschreven wijze van de mogelijkheid tot gezinshereniging en de nareistermijn op de hoogte is gebracht).

Gelet op het feit dat de verblijfsvergunning van referent dateert van 10 april 2007 kan deze regeling (alleen al hierom) niet op hem van toepassing worden geacht. Nu referent binnen de zogenaamde nareistermijn als genoemd in artikel 29, eerste lid en onder e, van de Vw 2000, op 10 juli 2007 voor de eerste maal in dit verband bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend, heeft verweerder de onderhavige aanvraag terecht getoetst aan het bepaalde in voormeld wetsartikel en het in dit kader gevoerde beleid. Namens eiseressen is hier tegenin gebracht dat een binnen de nareistermijn gedaan verzoek om advies bij de Visadienst - ingevolge de geldende jurisprudentie - niet aan de toepasselijkheid van de overgangsregeling in de weg hoeft te staan. De gemachtigde miskent hier echter dat niet alleen het tijdstip waarop het verzoek om advies bij de Visadienst is gedaan maar ook de datum van vergunningverlening bepalend is voor de vraag of de overgangsregeling van toepassing is.

2.10. Kern van het geschil is dan of eiseressen voldoen aan de voorwaarde dat zij feitelijk tot het gezin van referent behoren. Verweerder heeft eiseressen in dit verband tegengeworpen dat de gezinsband tussen referent en eiseressen als verbroken moet worden beschouwd, vanwege (primair) de omstandigheid dat eiseressen volgens de inhoud van het asielrelaas van referent tot het gezin van hun moeder zijn gaan behoren, dan wel (subsidiair) deel uit zijn gaan maken van het gezin van hun grootmoeder, te weten de moeder van referent. In elk geval hebben eiseressen nimmer feitelijk behoort tot het gezin van referent en zijn huidige partner, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.11. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) eerder heeft overwogen ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000 (onder meer in de uitspraak van 13 november 2002, LJN: AF2860), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling – Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 29 en Handelingen II 1999-2000, p. 5483 – af te leiden dat is bedoeld om haar in overeenstemming te brengen met de uitleg die uit Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan de term ‘family life’ in artikel 8 van het EVRM heeft gegeven. Buiten die bepaling biedt de Vw 2000 -anders dan zijdens eiseressen betoogd- geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Aan artikel 8 EVRM komt in een asielprocedure in beginsel dan ook geen zelfstandige betekenis toe.

2.12. De rechtbank begrijpt de hierboven weergegeven overweging en dit oordeel van de appelrechter echter aldus dat in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000, een implementatie van artikel 8 EVRM in de asielrechtelijke context besloten ligt. De wetgever had kennelijk de bedoeling om artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000 zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met artikel 8 van het EVRM. Dit in aanmerking genomen, dient naar het oordeel van de rechtbank het begrip “feitelijke gezinsband” (ook in asielrechtelijke context) zo uitgelegd te worden dat er sprake is van harmonie met de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 8 van het EVRM.

2.13. De rechtbank neemt in het kader van de vraag of verweerder in het onderhavige geval een juiste invulling heeft gegeven aan het begrip “feitelijk behoren tot het gezin” naast het voorgaande voorts in aanmerking dat na de uitspraak van het EHRM in de zaak Tuquabo-Tekle tegen Nederland van 1 december 2005 (gepubliceerd in JV 2006, 34), verweerder sedert 8 september 2006 het beleid hanteert om voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband bij de gezinsband tussen de ouder en het minderjarige kind aan te sluiten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit blijkt uit het Wijzigingsbericht Vreemdelingencirculaire 2006/33A en 33B waarin. Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 van het EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties, zoals in het geval dat een kind zelfstandig gaat wonen en in het eigen onderhoud gaat voorzien, het kind een zelfstandig gezin gaat vormen door het aangaan van een huwelijk of een relatie, of indien het kind belast is met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.

2.14. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 2.11 tot en met 2.13 is overwogen, voorop dat de vraag of eiseressen (ooit) hebben behoord tot het gezin van de referent en zijn huidige partner, niet relevant is en niet aan de afwijzing ten grondslag kan worden gelegd. Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft gedaan, dient als uitgangspunt te gelden dat eiseressen als eigen kinderen van referent geacht worden een feitelijke gezinsband met hem te hebben, en ligt ter toetsing voor of er in het onderhavige geval sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat eiseressen feitelijk niet (meer) tot het gezin van referent behoren. In dat kader acht de rechtbank -anders dan verweerder- wel relevant of eiseressen ten tijde van de vlucht van referent zijn achtergebleven bij hun moeder, die -naar onbestreden gebleven is gesteld- met het derde kind van haar en referent met haar nieuwe man Egypte heeft verlaten en is vertrokken naar Saoedi-Arabië, of dat zij bij hun grootmoeder in Egypte zijn achtergebleven.

2.15. Verweerder heeft zich te dien aanzien (primair) op het standpunt gesteld dat op basis van de inhoud van het rapport van nader gehoor van referent (22 en 23 november 2005), is gebleken dat referent heeft verklaard dat eiseressen na zijn vertrek bij hun moeder in Egypte verbleven. Zijdens eiseressen is betoogd dat in het betreffende rapport abusievelijk staat vermeld dat de kinderen bij hun moeder in Egypte verblijven, aangezien referent heeft verklaard dat de kinderen bij zijn moeder, derhalve de moeder van referent, verbleven. Het standpunt van verweerder dat de vreemdeling aan de opgetekende verklaring kan worden gehouden, indien deze niet is gecorrigeerd bij de correcties en aanvullingen, is in zijn algemeenheid juist. Echter, in het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat aan de inhoud van het asielrelaas op dit punt in de procedure zoals thans aan de orde geen doorslaggevende betekenis toekomt. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat het, gelet op de gebezigde bewoording in de betreffende passage van het rapport van nader gehoor, niet uit te sluiten valt dat het een omissie betreft van de tolk dan wel van de horende ambtenaar. Voorts acht de rechtbank het niet bevreemdend dat aan deze omissie destijds bij de correcties en aanvullingen geen aandacht is besteed, nu dit gegeven geen relatie had met het asielrelaas van referent en over een woordje “hun” of “mijn” al snel kan worden heen gelezen, zeker als de juistheid van (de inhoud van) het verslag gecontroleerd dient te worden met tussenkomst van een tolk en met bijstand van een rechtshulpverlener, wiens focus in eerste instantie voornamelijk gericht zal zijn op de voorliggende procedure, te weten de verlening van een asielgerelateerde verblijfsvergunning voor de persoon wiens belangen hij op dat moment behartigt. Naast het oordeel dat aan de tekst van het nader gehoor in dit geval geen doorslaggevende betekenis toekomt, acht de rechtbank voor de vraag bij wie de kinderen zijn achtergebleven nadat referent is gevlucht voorts van belang dat referent bescheiden heeft overgelegd, te weten een aantal pagina’s van een vonnis van de Sharia rechtbank Than van 2001, gewezen tussen refrent en zijn ex-echtgenote, waarvan deel uitmaakt het dictum en een verklaring van de Egyptische ambassade van 12 december 2007, die zijn betoog ondersteunen.

Uit deze stukken kan worden opgemaakt dat referent na de echtscheiding de voogdij over eiseressen toegewezen heeft gekregen en eiseressen ten tijde van het vonnis bij hun vader en grootmoeder verbleven. Tevens blijkt hieruit dat referent wel is veroordeeld tot betaling van alimentatie voor het bij de moeder verblijvende derde kind. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat aan de inhoud van het desbetreffende vonnis geen waarde kan worden toegekend omdat het vonnis maar ten dele en bovendien in afschrift is overgelegd. Immers uit de stukken blijkt dat het hier een gelegaliseerde document betreft. Dat referent ondanks verzoek daartoe van verweerder (uit kostenoverwegingen) niet de volledige versie van het betreffende vonnis heeft overgelegd, is voor de rechtbank niet dermate zwaarwegend dat aan dit gelegaliseerde gedeelte van het document alle waarde moet worden ontzegd. Zoals zijdens eiseressen naar voren is gebracht, zal het wél overgelegde en gelegaliseerde dictum (ook in Egypte) in overeenstemming dienen te zijn met de overwegingen die eraan vooraf gaan.

2.16. Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het ervoor gehouden dient te worden dat eiseressen na de vlucht van hun vader bij hun grootmoeder zijn achtergebleven. De vraag is dan of het standpunt van verweerder dat hierdoor de gezinsband tussen referent en eiseressen is verbroken, in rechte stand houdt. De rechtbank is van oordeel dat de motivering die verweerder aan dit standpunt ten grondslag heeft gelegd geen recht doet aan de uitleg die het EHRM aan de term ‘family life’ in artikel 8 van het EVRM heeft gegeven. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet in geschil is dat eiseressen in het verleden deel hebben uitgemaakt van het gezin van referent en zijn ex-echtgenote. Tevens heeft referent met het overgelegde (deel van) het vonnis aannemelijk gemaakt dat na de echtscheiding referent de voogdij toegewezen heeft gekregen en de kinderen samen met referent enige tijd bij de moeder van referent hebben verbleven van waaruit referent vanwege de situatie waarin hij zich bevond op de vlucht is geslagen. Het vluchtverhaal van referent is door verweerder geloofwaardig geacht en de gestelde vrees aannemelijk, op grond waarvan hem een verblijfsvergunning asiel is verleend. Het loutere feit dat referent de kinderen, toen de problemen op basis waarvan hem asielrechtelijke bescherming hier te lande is verleend, zich voordeden, noodgedwongen bij zijn moeder heeft achtergelaten, is onvoldoende om te concluderen dat de kinderen zijn overgegaan naar het gezin van de grootmoeder en dat daarom de feitelijke gezinsband met referent zou zijn verbroken. Dat er enige tijd is verstreken alvorens uiteindelijk de procedure voor de feitelijke overkomst van de kinderen in gang kon worden gezet, en het beoogd tijdelijke verblijf bij de grootmoeder langer heeft geduurd, is te wijten aan de lange duur van de asielprocedure en kan referent niet worden tegengeworpen. Toen referent eenmaal over een verblijfsvergunning beschikte, heeft hij immers binnen drie maanden de procedure ten behoeve van de overkomst van de kinderen naar Nederland opgestart. Er is dan ook onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de zorg die de grootmoeder noodgedwongen op zich heeft genomen meer dan van slechts tijdelijke aard was (beoogd te zijn). Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan eiseressen geacht moeten worden feitelijk niet langer tot het gezin van referent te behoren.

2.17. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat er een te grote discrepantie is tussen de door verweerder in deze zaak voorgestane uitleg van het begrip feitelijke gezinsband in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000 en artikel 8 van het EVRM.

2.18. Derhalve zullen de beroepen gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

2.19. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseressen redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting ) met een waarde van EUR 437,- per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Aangezien ten behoeve van eiseressen een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.20. Tevens zal de rechter bepalen dat aan eiseressen het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 150, dient te worden vergoed.

2.21. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 20 november 2009;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseressen begroot op EUR 874,- (wegens kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond;

bepaalt dat verweerder aan eiseressen het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 150,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen, in tegenwoordigheid van mr. P.C.W. Gubbels Willems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2010.

w.g. mr. P.C.W. Gubbels Willems,

griffier

w.g. mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier Dassen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Verzonden op 2 augustus 2010.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.