Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3825

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
Awb 10/12468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de onderhavige asielzaak is door eiser, die niet afkomstig is uit Mogadishu, onder meer aangevoerd dat er in Zuid-Somalie sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarbij is een beroep gedaan op een rapport van Human Rights Watch van april 2010, genaamd “Harsh War, Harsh Peace”. De rechtbank heeft overwogen dat eiser echter niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat in Zuid Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld, waarbij eiser met zijn enkele aanwezigheid reeds een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt. De enkele verwijzing naar het rapport van Human Rights Watch is in dit verband naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Weliswaar blijkt uit dat rapport dat een groot deel van Zuid Somalië onder controle is van Al Shabaab en dat er (onder meer) door die beweging gewelddadigheden worden gepleegd, maar enkel op basis daarvan kan nog niet worden gezegd dat in Zuid Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarenboven wordt in het voormeld rapport ook vermeld dat Al Shabaab, weliswaar door middel van vaak wrede en intolerante maatregelen, in vele gebieden relatieve vrede en orde heeft gebracht en de situatie in andere delen van Zuid en Centraal-Somalie “contrasts dramatically with the chaos in Mogadishu”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 10 / 12468

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. I.K. Kolev,

tegen

de Minister van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Minister van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

1.2. Bij fax van 2 april 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2010, verzonden 12 maart 2010. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000) te verlenen.

Bij schrijven van 21 april 2010 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 5 juli 2010, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M.F.P. Wouters. Als tolk was ter zitting aanwezig de heer M.Y. Abdi.

2. Overwegingen

2.1. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Somalische nationaliteit en afkomstig uit Qoryooley (gelegen in Zuid-Somalië), heeft op 21 oktober 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2.2. Ter onderbouwing van voormelde aanvraag heeft eiser - kort weergegeven - aangevoerd dat hij problemen heeft ondervonden met de familie van zijn echtgenote omdat hij in het geheim is gehuwd en zijn echtgenote zwanger is geraakt van hem. Eiser ondervond ook problemen met de beweging Al Shabaab. Volgens Al Shabaab was eiser niet gehuwd nu hij dat niet kon bewijzen door middel van een akte of getuigenverklaringen. Een oom van eiser heeft eiser proberen te helpen bij zijn problemen met Al Shabaab. De ouders van zijn echtgenote wilden niet dat eiser met haar trouwde omdat eiser geen ouders meer had en afkomstig is van de stam van de Rahawein. De familie van eisers echtgenote heeft hem bedreigd en mishandeld. Al Shabaab heeft de oom van eiser meegenomen op de dag dat eiser is vertrokken uit Somalië en hem gedood. Dat zou ook eisers lot zijn geweest als hij niet was vertrokken.

2.3. Bij schrijven van 8 februari 2010 heeft verweerder aan eiser bekend gemaakt dat hij voornemens is om de door hem ingediende aanvraag af te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en zodoende ongeloofwaardig wordt geacht en dat hij derhalve om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de gronden van artikel 29, eerste lid, aanhef, onder a tot en met c, van de Vw 2000. Eiser komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden van dit artikellid.

2.4. Van de aan eiser geboden gelegenheid zijn zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar te maken, heeft eiser bij schrijven van 5 maart 2010 gebruik gemaakt.

2.5. Bij besluit van 11 maart 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser conform zijn voornemen afgewezen.

2.6. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op een van de gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000. Daartoe heeft hij betoogd, waarbij is verwezen naar de inhoud van de zienswijze, dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat zijn relaas ongeloofwaardig is, althans positieve overtuigingskracht mist. Eiser heeft bestreden dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Voorts is eiser van mening dat verweerder ten onrechte aan de hand van een aantal al dan niet vermeende merkwaardigheden en tegenstrijdigheden tot ongeloofwaardigheid van het relaas heeft geconstateerd. Tevens heeft eiser zich beroepen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn).

2.7. Ter beoordeling van de rechtbank ligt voor de vraag of het besluit, voor zover bestreden, de toets in rechte kan doorstaan. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

2.8. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

2.9. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn; (..).”

2.10. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.11. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

2.12. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan

hem is toe te rekenen.

2.13. Het ter zake gevoerde beleid is neergelegd in onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Voor de beoordeling van de asielaanvraag is onderbouwing van de navolgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.14. Documenten die de reisroute onderbouwen zijn volgens onderdeel C4/3.6.2 van de Vc 2000 in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft tijdens de reis naar Nederland.

2.15. Uit onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 blijkt voorts dat op het moment dat de vreemdeling in een land is waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen van de vreemdeling ook kan worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt.

Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De vreemdeling vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de vreemdeling om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

2.16. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat sprake is van toerekenbare ongedocumenteerdheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

2.17. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn reis te onderbouwen. Verweerder heeft in eisers verklaring dat het gebruikelijk is dat reispapieren en identiteitsdocumenten die op een reis worden gebruikt onder beheer van een reisagent blijven, gelet op het ter zake geldende beleid en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in dit kader, geen grond hoeven te vinden eiser de gevolgen daarvan niet aan eiser toe te rekenen. Volgens onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2002 (LJN: AE6628) heeft eiser een eigen verantwoordelijkheid om zijn reisroute met documenten dan wel anderszins te staven. Uit de stelling van eiser dat hij, met uitzondering van het eerste deel van de reis naar Nairobi, nooit zelf reisdocumenten in handen heeft gehad of in staat is geweest deze te verkrijgen, volgt reeds dat eiser bij in elk geval een deel van zijn reis gebruikt heeft gemaakt van documenten die hij zelf in handen heeft gehad en niet heeft overgelegd. Dat dit niet overleggen het gevolg is geweest van dwang blijkt niet uit de verklaringen van eiser in dit verband.

2.18. Het voorgaande is reeds voldoende voor de conclusie dat verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid heeft mogen tegenwerpen. Hetgeen verweerder in dit verband overigens heeft tegengeworpen eiser is nog tegengeworpen dat hij niet in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven kan de rechtbank bijgevolg buiten bespreking laten. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de oprechtheid van het asielrelaas van eiser op voorhand wordt aangetast en dat aldus afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas.

2.19. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2003 (LJN: AF5566) mogen dientengevolge ingevolge artikel 31, van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p.40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van eiser om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan ook een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.20. Blijkens het in het bestreden besluit geïncorporeerde voornemen heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het asielrelaas van eiser deze positieve overtuigingskracht mist.

2.21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van de in het voornemen weergegeven argumenten in samenhang bezien met het de motivering van het in beroep bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser de vereiste positieve overtuigingskracht ontbeert. In dit verband heeft verweerder het ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser de naam van het neefje van zijn echtgenote niet kent nu dit neefje zijn echtgenote steeds vergezelde bij de tweewekelijkse ontmoetingen tussen eiser en zijn echtgenote. Dat zoals in beroep is betoogd eiser nauwelijks contact had met de familie van zijn echtgenote kan daar niet aan afdoen nu niet betwist is dat het neefje bij elke ontmoeting tussen eiser en zijn echtgenote aanwezig was.

Verweerder heeft voorts de verklaringen van eiser inzake de bedreigingen door de familie van zijn echtgenote tegenstrijdig kunnen achten nu hij met betrekking tot het moment waarop hij voor het eerst met de dood is bedreigd door de familie van zijn echtgenote verschillende data heeft genoemd. Verweerder heeft eiser tevens kunnen tegenwerpen dat niet kan worden ingezien dat zijn echtgenote niet door haar eigen familie is verstoten nu zij zonder goedkeuring van haar familie is getrouwd met een man die, mede gezien zijn etniciteit, niet door haar familie werd geaccepteerd en van wie zij een kind heeft gekregen.

Voorts heeft verweerder het bevreemdingwekkend kunnen vinden dat eiser na februari 2009 tot zijn vertrek op 2 augustus 2009 naar Mogadishu niets meer van de familie van zijn echtgenote noch van Al Shabaab heeft vernomen, terwijl hij zijn echtgenote in die periode wel bleef ontmoeten.

2.22. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden besloten dat eiser geen verdragsvluchteling is en heeft verweerder hem derhalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kunnen weigeren. Voorts heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning op grond van onderdeel b van artikel 29 van de Vw 2000 kunnen weigeren, voor zover die weigering is gebaseerd op het asielrelaas van eiser nu verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen achten en mitsdien de door eiser gestelde problemen met zijn schoonfamilie en Al Shabaab wegens zijn huwelijk eveneens ongeloofwaardig heeft mogen achten.

2.23. In het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft eiser echter tevens een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.24. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn wordt in die richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.25. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.26. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.27. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar het rapport van Human Rights Watch van april 2010, genaamd “Harsh War, Harsh Peace”, dat in Zuid Somalië sprake is van een zodanige uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Uit het rapport blijkt, volgens eiser, dat een groot deel van zuid en midden Somalië onder controle is van Al Shabaab en dat leden daarvan een waar schrikbewind voeren, waarbij willekeurige burgers voortdurend het risico lopen slachtoffer te worden van executies, lijfstraffen of verminkingen om de geringste zaken. Eiser heeft geen gelegenheid zich aan Al Shabaab ter onttrekken. Louter door zijn aanwezigheid in Zuid Somalië loopt hij een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in de Definitierichtlijn. Derhalve is sprake van een uitzonderlijke omstandigheid zodat aan eiser tenminste subsidiaire bescherming dient te worden geboden.

2.28. Verweerder heeft zijn standpunt in het bestreden besluit inzake artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn gebaseerd op het ambtsbericht van oktober 2009 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië, waaruit volgens verweerder blijkt dat geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Somalië aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Verweerder heeft voorts ter zitting aangevoerd dat in relatie tot de vraag of al dan niet sprake is van een uitzonderlijke situatie het aantal doden dient te worden gerelateerd aan de totale populatie in Centraal en Zuid Somalië. Ter nadere motivering van zijn standpunt heeft verweerder ter zitting verwezen naar zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 29 maart 2010, 29344-72, als reactie op de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010 (LJN: BL1483). In die brief heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in algemene zin niet moet plaatsvinden tegen de achtergrond van één stad of een gebied van beperkte omvang zoals in de bedoelde uitspraak is geschied ten aanzien van Mogadishu maar dat in beginsel gekeken moet worden naar de situatie in het gehele gebied waarin het betreffende gewapend conflict plaats heeft, voor zover zich dat binnen het grondgebied van het betreffende land van herkomst afspeelt. In de context van Somalië betreft dit Zuid en Centraal Somalië. Met Zuid en Centraal Somalië worden die delen van Somalië bedoeld die niet behoren tot de noordelijke (autonome) gebieden Puntland en Somaliland. In dat kader acht verweerder het onvoldoende aannemelijk dat in Centraal en Zuid Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld. Verweerder heeft dan ook zijn standpunt gehandhaafd dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn evenmin tot verlening van een verblijfsvergunning aan eiser noopt.

2.29. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat eiser niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat in Zuid Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld, waarbij eiser met zijn enkele aanwezigheid reeds een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging. De enkele verwijzing naar het rapport van Human Rights Watch is in dit verband naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Weliswaar blijkt uit dat rapport dat een groot deel van Zuid Somalië onder controle is van Al Shabaab en dat er (onder meer) door die beweging gewelddadigheden worden gepleegd, maar enkel op basis daarvan kan nog niet worden gezegd dat in Zuid Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarenboven wordt in het voormeld rapport ook vermeld dat Al Shabaab, weliswaar door middel van vaak wrede en intolerante maatregelen, in vele gebieden relatieve vrede en orde heeft gebracht en de situatie in andere delen van Zuid en Centraal-Somalie “contrasts dramatically with the chaos in Mogadishu”.

2.30. Het beroep op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 faalt derhalve eveneens voor zover daarbij een beroep is gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.31. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaren.

2.32. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

2.33. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2010.

w.g. L.M.W. Ottenheim,

griffier

w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op 2 augustus 2010.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.