Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3788

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/7692 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een uitkeringsgerechtigde is verplicht om mee te werken aan een onderzoek, waaronder begrepen een diagnostisch onderzoek, naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Indien een uitkeringsgerechtigde hier niet aan voldoet kan het college een of meer maatregelen opleggen op grond van de Maatregelenverordening. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser verwijtbaar heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de door verweerder aangeboden voorziening. Verweerder was derhalve gehouden een maatregel op te leggen. Ingevolge de artikelen 6 en 7 van de Maatregelenverordening bedraagt de hoogte en de duur van deze maatregel 10% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/7692 WWB

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats], verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 1 april 2009 voor de duur van 1 maand met 10% verlaagd.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 november 2009, ingekomen bij de rechtbank op 3 november 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 4 mei 2010 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].

II OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt vanaf 18 januari 1999 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Hij heeft op 4 september 2008 de overeenkomst “Maatwerkprogramma Werkatelier” (verder: Werkatelier) ondertekend. Werkatelier is een participatietraject dat tot doel heeft zoveel mogelijk mensen uit te laten stromen naar werk of scholing. In de ‘Eindrapportage Trainingen Werkatelier [plaats]” is te lezen dat eiser mogelijk zowel psychische als sociaal emotionele belemmeringen heeft en dat een psychiatrisch onderzoek een diagnose zou kunnen opleveren. Eiser is in dit kader bij de GGD uitgenodigd voor een psychodiagnostisch onderzoek. Hij heeft evenwel geweigerd hieraan zijn medewerking te verlenen.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat eiser, nu hij heeft geweigerd mee te werken aan het medisch onderzoek waartoe hij was opgeroepen, geen gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden traject. Deze gedraging is te kwalificeren als een gedraging die de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. De opgelegde maatregel is in overeenstemming met de verlaging die op grond van artikel 6, sub f, juncto artikel 7, eerste lid, van de Maatregelenverordening 2008 (verder: de Maatregelenverordening) Voorts zijn er geen dringende redenen aanwezig om af te wijken van de reeds opgelegde maatregel, aldus verweerder.

Eiser kan zich met dit standpunt niet verenigen. Hij heeft in beroep aangevoerd dat een medische keuring niet noodzakelijk is, nu hij nooit kenbaar heeft gemaakt om medische redenen niet te kunnen werken. Voorts is hij gerechtigd om op grond van artikel 9 en 17 van de WWB een medische keuring te weigeren. Volgens eiser is het onduidelijk wat de gemeente met de medische keuring beoogt en is het medisch onderzoek bovendien een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 8, onder b, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 55 van de WWB kan het college vanaf de dag van melding zoals bedoeld in artikel 44 tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

Ingevolge artikel 6, sub f, van de Maatregelenverordening wordt onder schending van de in artikel 5 genoemde arbeidsverplichtingen onder meer verstaan: niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding of aan scholing of opleiding zelf.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Maatregelenverordening wordt bij gedragingen als bedoeld in artikel 6, onder a tot en met h, de bijstand voor de duur van een maand met 10% verlaagd.

Ingevolge artikel 8 van de Re-integratieverordening 2008 is een uitkeringsgerechtigde verplicht om mee te werken aan een onderzoek, waaronder begrepen een diagnostisch onderzoek, naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Indien een uitkeringsgerechtigde hier niet aan voldoet kan het college een of meer maatregelen opleggen op grond van de Maatregelenverordening.

De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan verweerder is om te beoordelen of medisch onderzoek noodzakelijk is. Deze heeft ten aanzien hiervan beoordelingsvrijheid, zodat de rechtbank (op dit onderdeel) alleen terughoudend kan toetsen.

Het medisch onderzoek waarvoor eiser is opgeroepen is aan te merken als een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB juncto artikel 55 van de WWB. Uitgangspunt van de WWB is dat een beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. In de WWB zijn ook geen beperkende voorwaarden opgenomen betreffende de aard en omvang van werk en aansluiting op opleiding en ervaring. De WWB verplicht eiser tot het geven van zijn volle medewerking aan de door verweerder aangeboden voorzieningen. Wel moet door verweerder ingevolge artikel 18, eerste lid, WWB steeds worden gekeken naar de aansluiting bij de individuele omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Vast staat dat eiser niet is verschenen bij het medisch onderzoek waartoe hij door verweerder was opgeroepen. Zodoende heeft hij geen gebruik gemaakt van een door verweerder aangeboden voorziening. Eiser heeft hierdoor niet voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, van de WWB juncto artikel 55 tweede volzin van de WWB geldende verplichtingen. Het betoog dat hij hiervan geen gebruik hoefde te maken omdat eiser dit zelf niet nodig achtte, slaagt niet, nu het - zoals hierboven reeds is overwogen - aan verweerder is om te beoordelen of medisch onderzoek noodzakelijk is

Het betoog van eiser dat hij niet aan het medisch onderzoek hoefde mee te werken omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd wat met het medisch onderzoek wordt beoogd, gaat evenmin op. In de “Eindrapportage Trainingen Werkatelier [plaats]” is immers te lezen dat er een psychiatrisch onderzoek nodig is, opdat er een diagnose gesteld kan worden. In verband hiermee heeft verweerder in zijn verweerschrift aangegeven dat het onderzoek bij de GGD ten doel had te beoordelen of eiser al dan niet beperkingen heeft en in hoeverre deze beperkingen de werkzaamheden zouden kunnen belemmeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende adequaat gemotiveerd wat met het medisch onderzoek werd beoogd.

Anders dan eiser verder stelt, valt uit de artikelen 9 en 17 van de WWB niet af te leiden dat hij gerechtigd zou zijn om een medische keuring te weigeren. In deze artikelen staan immers een aantal verplichtingen van de belanghebbende opgesomd en geen gronden op basis waarvan een medisch onderzoek geweigerd zou kunnen worden. Op deze bepalingen kan eiser zijn weigering dus niet baseren.

Ten aanzien van het betoog van eiser dat het medisch onderzoek een inbreuk maakt op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 2:5 van de Awb is eenieder die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden in principe verplicht tot geheimhouding van die gegevens. Dit geldt voor iedereen die als (onderdeel van) een bestuursorgaan of als daarvoor werkzame persoon in aanraking komt met vertrouwelijke gegevens, waaronder dus ook de GGD. Zoals eiser ter zitting naar voren heeft gebracht is deze geheimhoudingsplicht niet absoluut. In artikel 2:5 van de Awb is een tweetal uitzonderingen opgenomen, te weten het bestaan van een wettelijk voorschrift die verplicht tot openbaarmaking van bepaalde gegevens en de noodzaak tot mededeling op grond van een taak. Eiser heeft evenwel niets naar voren gebracht waaruit volgt dat één van deze uitzonderingen in de onderhavige zaak van toepassing is.

Voorts is de GGD gebonden aan het Reglement voor de bescherming van persoonsgegevens, waarin onder meer is te lezen dat voor de verstrekking van persoonsgegevens aan derden de uitdrukkelijke toestemming van betrokkene is vereist. Ook hiervoor geldt dat eiser uitsluitend in algemene bewoordingen heeft betoogd dat ook de uit het Reglement voortvloeiende geheimhoudingsplicht niet absoluut is. Hij heeft geen concrete argumenten aangevoerd waaruit zou volgen dat de GGD een beroep zou kunnen doen op de in dit reglement opgenomen beperkingen.

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de GGD of verweerder van voornoemde geheimhoudingsplicht zal afwijken. Eiser heeft voorts geen stukken in het geding gebracht of argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Dit brengt met zich dat ook deze beroepsgrond niet kan slagen.

Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser verwijtbaar heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de door verweerder aangeboden voorziening. Verweerder was derhalve gehouden een maatregel op te leggen. Ingevolge de artikelen 6 en 7 van de Maatregelenverordening bedraagt de hoogte en de duur van deze maatregel 10% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand.

Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken welke verweerder hadden moeten brengen tot het matigen, dan wel geheel afzien van het opleggen van de maatregel.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Aarts in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.P. Jadoenathmisier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.