Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3763

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/27049 & 09/47013
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

mvv-aanvraag / verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de inkomsten van referent uit een WGA-uitkering niet duurzaam zijn / legesheffing van € 830 in dit geval niet in strijd met Richtlijn 2003/86/EG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummers: AWB 09/27049 en AWB 09/47013, V-nummer: 170.016.5429,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[naam eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres, en [naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. F.R. Baeten, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij besluit van 12 november 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 december 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder. In het aanvullend bezwaarschrift van 4 februari 2009, dat mede is ingediend namens eiser, worden onder meer bezwaren naar voren gebracht tegen de legesheffing.

Bij besluit van 24 juni 2009, verzonden op 29 juni 2009, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseres en eiser bij faxbericht van 27 juli 2009 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 09/27049.

Verweerder heeft de bij brief van 4 februari 2009 naar voren gebrachte bezwaren tegen de legesheffing aangemerkt als een verzoek om restitutie en dit verzoek bij besluit van 2 september 2009 afgewezen.

Tegen dit besluit hebben eiseres en eiser bij brief van 29 september 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 18 november 2009 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 16 december 2009 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 09/47013.

De zaken zijn op 29 juni 2010 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Eiseres is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Verweerder is op grond van artikel 7 van het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4) bevoegd tot het verlenen van een visum, waaronder begrepen een mvv.

2.1.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rijkswet op de consulaire tarieven, voor zover hier van belang, is de belanghebbende aan Onze Minister (de Minister van Buitenlandse Zaken, toevoeging rechtbank) een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van de bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aangeduide diensten met betrekking tot de verlening van visa.

2.1.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s (onder 6°, tweede gedachtestreepje), van de Regeling op de consulaire tarieven bedraagt de vergoeding die ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Rijkswet op de consulaire tarieven is verschuldigd voor aanvragen tot het verlenen van een mvv met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming € 830.

2.1.4. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister (de Minister van Justitie, toevoeging rechtbank) bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

2.1.5. Ingevolge artikel 3.75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

2.1.6. Hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) is getiteld Uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA-uitkering) en bevat voorschriften over de uitkering.

2.1.7. Blijkens paragraaf B1/4.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) voert de Minister van Justitie het beleid dat inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen, wordt aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van de Vw 2000. Het kan hierbij gaan om de WIA, zo vermeldt paragraaf B1/4.3.1. van de Vc 2000.

Blijkens paragraaf B1/4.3.2. van de Vc 2000, waar wordt verwezen naar artikel 3.75 van het Vb 2000, geldt als hoofdregel dat middelen van bestaan duurzaam zijn als zij ten minste nog een jaar beschikbaar zijn. Afhankelijk van de bron waaruit de inkomsten zijn verworven, zijn nadere regels vastgesteld, zo vermeldt de Vc 2000. Gesteld noch gebleken is dat nadere regels zijn vastgesteld met betrekking tot een uitkering op grond van de WIA.

Blijkens paragraaf B2/2.10 van de Vc 2000 voert de Minister van Justitie het beleid dat de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming niet wordt afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan indien de hoofdpersoon, voor zover hier van belang, naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Als de hoofdpersoon een WGA-uitkering ontvangt, is in ieder geval geen sprake van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid, zo vermeldt paragraaf B2/2.10 van de Vc 2000.

2.2. de bestreden besluiten en de verweren

2.2.1. Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een mvv ongegrond verklaard. In dat besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de middelen van bestaan van eiser niet duurzaam en niet voldoende zijn in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder houdt vast aan het beleid dat is neergelegd in paragraaf B2/2.10 van de Vc 2000.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat hij niet vasthoudt aan zijn standpunt dat de middelen van bestaan van eiser onvoldoende zijn. Verweerder houdt wel vast aan zijn standpunt dat de middelen van bestaan van eiser niet duurzaam zijn. Verweerder verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2009 in stand blijven.

2.2.2. Verweerder heeft de bij brief van 4 februari 2009 naar voren gebrachte bezwaren tegen de legesheffing aangemerkt als een verzoek om restitutie en dit verzoek bij besluit van 2 september 2009 afgewezen. In dit besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de legesheffing niet in strijd is met Richtlijn 2003/86/EG. De lidstaten zijn vrij om leges te heffen voor aanvragen in het kader van gezinshereniging. In de richtlijn is geen bepaling opgenomen over leges voor het aanvragen van een visum.

Bij besluit van 18 november 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiseres en eiser tegen het besluit van 2 september 2009 ongegrond verklaard.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat eiseres wordt gevolgd in haar standpunt dat het aanvullend bezwaarschrift van 4 februari 2009 ten onrechte als een verzoek om restitutie is aangemerkt en dat in het besluit van 24 juni 2009 beslist had moeten worden op de bezwaren tegen de legesheffing. Verweerder verzoekt de rechtbank het besluit van 2 september 2009 te beschouwen als een aanvulling op de beslissing op bezwaar van 24 juni 2009 en het bezwaarschrift van 29 september 2009 te beschouwen als een ter behandeling aan de rechtbank doorgezonden beroepschrift. Verweerder concludeert dat het besluit van 18 november 2009 onbevoegd is genomen omdat het bezwaarschrift van 29 september 2009 een beroepschrift is. Ook hier concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep en instandlating van de rechtsgevolgen.

2.3. de gronden van de beroepen

Eiseres en eiser hebben, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat de middelen van bestaan van eiser niet voldoende zijn. In dit verband wordt gewezen op het arrest van 4 maart 2010 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake Chakroun (JV 2010/177).

Eveneens ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat de middelen van bestaan van eiser niet duurzaam zijn. Op de in dit verband aangevoerde bezwaren is niet gemotiveerd beslist. Voorts is ten onrechte geen vrijstelling van het middelenvereiste verleend. Een WGA-uitkering wordt voor onbepaalde tijd toegekend en in een toekenningsbesluit wordt om die reden geen einddatum genoemd. De uitkering kan doorlopen tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het in de Vc 2000 gemaakte onderscheid tussen een WGA-uitkering en een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering mist een redelijke grond, zodat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Ten onrechte is in het besluit van 24 juni 2009 niet beslist op de bezwaren tegen de legesheffing. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van 29 april 2009 (LJN BI4040) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). De door verweerder geheven leges zijn onevenredig hoog, waardoor het nuttig effect van Richtlijn 2003/86/EG in gevaar wordt gebracht.

De hoorplicht is geschonden.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. De rechtbank zal eerst het beroep van eiser tegen het besluit van 24 juni 2009 beoordelen.

Uit de aanhef van het aanvullend bezwaarschrift van 4 februari 2009 blijkt dat eiser bezwaar maakt tegen het besluit van 12 november 2008. Het besluit van 24 juni 2009 houdt geen beslissing in op dit bezwaar van eiser. De zaak van eiser bevindt zich dus nog in de bezwaarfase (althans voor zover het de weigering van een mvv betreft; op het bezwaar van eiser tegen de legesheffing zal de rechtbank onder 2.4.6. afzonderlijk ingaan). Verweerder zal alsnog moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen de weigering van een mvv, waarna eiser desgewenst beroep kan instellen tegen die beslissing. De rechtbank zal het beroep van eiser tegen het besluit van 24 juni 2009 daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Uit 2.4.6. van deze uitspraak volgt dat het bezwaar van eiser tegen de weigering van een mvv niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank acht zich echter niet bevoegd om dat in plaats van verweerder te doen.

2.4.2. De rechtbank zal vervolgens het beroep van eiseres tegen het besluit van 24 juni 2009 beoordelen.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot afgifte van een mvv getoetst aan de bij en krachtens de Vw 2000 gestelde voorwaarden voor verlening van een vergunning tot verblijf regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenoot (eiser), waaronder het middelenvereiste. Partijen zijn het erover eens dat verweerder zich in het besluit van 24 juni 2009 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de middelen van bestaan van eiser niet voldoende zijn en dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te oordelen. De rechtbank zal het beroep van eiseres tegen het besluit van 24 juni 2009 dan ook gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hieruit volgt tevens dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft geacht, zodat het besluit van 24 juni 2009 ook is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

2.4.3. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat de middelen van bestaan van eiser niet duurzaam zijn en verweerder verzoekt de rechtbank te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2009 in stand blijven. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

In het aanvullend bezwaarschrift van 4 februari 2009 heeft eiseres betoogd dat vrijstelling van het inkomensvereiste moet worden verleend (punt 6 tot en met 9 van dat bezwaarschrift) en dat de middelen van bestaan van eiser duurzaam zijn (punt 13 van dat bezwaarschrift). Eiseres wijst er terecht op dat verweerder in het besluit van 24 juni 2009 uitsluitend is ingegaan op het betoog van eiseres dat vrijstelling moet worden verleend van het inkomensvereiste en niet op haar betoog dat het inkomen van eiser duurzaam is. Voor zover het standpunt van verweerder zo moet worden begrepen dat de inkomsten van eiser niet duurzaam zijn omdat hij niet blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, volgt de rechtbank verweerder niet in dit standpunt. Het een volgt niet zonder meer uit het ander. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2009 in stand blijven.

2.4.4. Met het oog op de te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres, voor zover betrekking hebbend op het inkomensvereiste, overweegt de rechtbank het volgende.

Eiseres betoogt terecht en onweersproken dat een uitkering als hier aan de orde voor onbepaalde tijd wordt toegekend en bij ongewijzigde omstandigheden wordt voortgezet tot het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar. Onder deze omstandigheden wettigt het enkele feit dat in het besluit tot toekenning van deze uitkering geen einddatum is genoemd niet de conclusie dat de inkomsten van eiser uit deze uitkering niet duurzaam zijn. Het standpunt namens verweerder ter zitting dat ten tijde van het besluit van 24 juni 2009 niet zeker was dat eiser de uitkering nog minstens één jaar zou ontvangen, is in zoverre juist dat absolute zekerheid hierover niet kon worden verkregen. Dit zou echter niet anders zijn als eiser bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid zou ontvangen op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd. In beide gevallen staat niet vast wat de toekomst brengt. In de praktijk wordt een uitkering zoals eiser die ontvangt vrijwel altijd gedurende minstens één jaar verstrekt, zoals ook in het betoog van eiseres besloten ligt.

Voorafgaand aan het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres zal verweerder zich allereerst moeten afvragen of de omstandigheid dat inmiddels is gebleken dat de inkomsten van eiser na het besluit van 24 juni 2009 nog meer dan één jaar beschikbaar waren - eiser ontvangt de uitkering nog steeds - aanleiding vormt om de gevraagde mvv alsnog af te geven. Als verweerder overweegt deze vraag ontkennend te beantwoorden, zal hij vervolgens moeten onderzoeken of het in de rede ligt om thans aan te nemen dat de uitkering van eiser nog gedurende minstens één jaar zal worden verstrekt.

2.4.5. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de procedurele aspecten van het geschil over de legesheffing.

Partijen zijn het erover eens dat verweerder in het besluit van 24 juni 2009 ten onrechte niet heeft beslist op het bezwaar van eiseres tegen de legesheffing. Gelet op de door eiseres genoemde uitspraak van 29 april 2009 van de Afdeling ziet de rechtbank geen reden om hierover anders te oordelen.

De rechtbank volgt partijen in hun standpunt dat het besluit van 2 september 2009 kan worden aangemerkt als een beslissing op het bezwaar van eiseres tegen de legesheffing. Dat verweerder dit besluit zelf heeft aangemerkt als de afwijzing van een verzoek om restitutie, neemt niet weg dat dit besluit materieel gezien een beslissing inhoudt op het bezwaar van eiseres tegen de legesheffing. Dit betekent dat verweerder bij twee afzonderlijke besluiten (van 24 juni en 2 september 2009) heeft beslist op het bezwaar van 9 december 2008 van eiseres. In het verlengde hiervan is het bezwaarschrift van 29 september 2009 aan te merken als een inmiddels aan de rechtbank ter behandeling doorgezonden beroepschrift, waarop de rechtbank en niet verweerder dient te beslissen. De rechtbank volgt partijen dan ook in hun standpunt dat het besluit van 18 november 2009 onbevoegd is genomen. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 18 november 2009 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.4.6. In het verlengde van 2.4.1. van deze uitspraak stelt de rechtbank vast dat het bezwaarschrift van 9 december 2008 uitsluitend is ingediend namens eiseres. Uit de aanhef van het aanvullend bezwaarschrift van 4 februari 2009 blijkt dat ook eiser bezwaar maakt tegen het besluit van 12 november 2008. Anders dan uit het besluit van 24 juni 2009 blijkt uit het besluit van 2 september 2009 niet dat het uitsluitend een beslissing inhoudt op bezwaren van eiseres. Het besluit van 2 september 2009 houdt naar het oordeel van de rechtbank dan ook mede een beslissing in op het bezwaar van eiser tegen de legesheffing. Het beroep van eiser tegen het besluit van 2 september 2009 is gegrond, omdat verweerder hem ten onrechte heeft ontvangen in zijn bezwaar tegen het besluit van 12 november 2008. Eiser heeft niet binnen de wettelijke termijn bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 november 2008. Niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, te minder nu eiseres wel tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen hetzelfde besluit. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 2 september 2009 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover daarbij is beslist op het bezwaar van eiser tegen de legesheffing en het bezwaar van eiser tegen de legesheffing niet-ontvankelijk verklaren wegens termijnoverschrijding, met bepaling dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 2 september 2009.

2.4.7. Vervolgens zal de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 2 september 2009 beoordelen.

Naar ter zitting is gebleken, betwist eiseres niet (meer) dat zij de leges kan betalen. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de hoogte van de geheven leges verenigbaar is met Richtlijn 2003/86/EG. De summiere bevestigende beantwoording van deze vraag in het besluit van 2 september 2009 houdt naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijk gemotiveerde weerlegging in van het betoog in het aanvullend bezwaarschrift van 4 februari 2009. Verschillende in dat bezwaarschrift genoemde argumenten zijn in het besluit van 2 september 2009 onbesproken gelaten. In het verlengde hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat wegens kennelijke ongegrondheid van het bezwaar van het horen kon worden afgezien. Eiseres betoogt dan ook terecht dat het besluit van 2 september 2009 is genomen in strijd met artikel 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 2 september 2009 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.4.8. Ten slotte staat ter beoordeling of aanleiding bestaat om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 september 2009 in stand blijven, zoals verweerder wenst, dan wel om zelf in de zaak te voorzien, wat eiseres bepleit. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de leges is vastgesteld op grond van een kostprijsberekening. Omdat eiseres dit niet betwist, zal de rechtbank bij de beoordeling van het beroep uitgaan van de juistheid van dit standpunt van verweerder. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het argument van de kostprijsberekening gelet op het arrest van 17 september 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake Sahin (JV 2009/402) niet steekhoudend is. De situatie van eiseres is, in ieder geval juridisch gezien, niet vergelijkbaar met de situatie die in de zaak Sahin aan de orde was. Het arrest van 17 september 2009 heeft betrekking op de uitleg van Besluit 1/80, dat in het geval van eiseres niet van toepassing is. Gelet hierop en ervan uitgaande dat bij de vaststelling van het legesbedrag van € 830 is aangesloten bij de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de behandeling van een aanvraag als hier aan de orde, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bedrag van de leges onevenredig hoog is. Van een vreemdeling die voldoet aan de Richtlijn 2003/86/EG genoemde voorwaarden voor gezinshereniging of -vorming, waaronder de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, genoemde voorwaarde dat de hoofdpersoon beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat, kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij dit legesbedrag kan betalen, ook al is dit bedrag op zichzelf hoog te noemen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het legesbedrag van € 830 voor haar een zodanige belemmering is dat zij daardoor de rechten die zij aan Richtlijn 2003/86/EG kan ontlenen niet kan uitoefenen. Eiseres heeft de leges voldaan en zij stelt zich niet (meer) op het standpunt dat de betaling van deze leges haar voor financiële problemen plaatst. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het legesbedrag van € 830 in het geval van eiseres in strijd moet worden geacht met Richtlijn 2003/86/EG. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 september 2009 in stand blijven.

2.4.9. Omdat de beroepen van eiseres in de zaken met procedurenummers AWB 09/27049 en AWB 09/47013 gegrond worden verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aan eiseres de door haar betaalde griffierechten te vergoeden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken en in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 2 september 2009 heeft moeten maken. Op 1 oktober 2009 is in werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel II van het Besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Bpb van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Met inachtneming hiervan zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het bepaalde in het Bpb vastgesteld op in totaal € 2.162. Dit bedrag is als volgt berekend: 1 punt ter waarde van € 322 voor de indiening van het beroepschrift van 27 juli 2009, 1 punt ter waarde van € 322 voor de indiening van het beroepschrift van 29 september 2009, 1 punt ter waarde van € 437 voor de indiening van het beroepschrift van 18 december 2008, 1 punt ter waarde van € 322 voor het verschijnen ter zitting in de beroepsprocedure tegen het besluit van 24 juli 2009, 1 punt ter waarde van € 322 voor het verschijnen ter zitting in de beroepsprocedures tegen het besluit van 2 september 2009 en 1 punt ter waarde van € 437 voor het verschijnen ter zitting in de beroepsprocedure tegen het besluit van 18 november 2009, steeds met wegingsfactor 1. De beroepsprocedures van eiseres en eiser tegen het besluit van 2 september 2009 zijn samenhangende zaken in de zin van het Bpb. Deze twee beroepsprocedures en de andere beroepsprocedures zijn geen samenhangende zaken, omdat geen sprake is van nagenoeg gelijktijdig ingediende beroepschriften als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit laatste is het gevolg van de wijze van besluitvorming door verweerder, die voor zijn rekening en risico komt.

2.4.10. Gelet op het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 24 juni 2009 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiseres tegen het besluit van 24 juni 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart de beroepen van eiseres en eiser tegen het besluit van 2 september 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het bezwaar van eiser tegen het besluit van 12 november 2008 niet-ontvankelijk voor zover dat bezwaar is gericht tegen de legesheffing en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 2 september 2009;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 september 2009 in stand blijven voor zover daarbij is beslist op het bezwaar van eiseres tegen de legesheffing;

- verklaart het beroep van eiseres tegen het besluit van 18 november 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiseres en eiser tegen het besluit van 12 november 2008 voor zover deze bezwaren zijn gericht tegen de weigering van een mvv;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierechten ten bedrage van in totaal € 300 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken en die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 2 september 2009 redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op in totaal € 2.162 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiseres en eiser.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. N. Jansen, griffier, ondertekend.